U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Wet-collard, 1955 - Jaren \'50 In Aalst En Omstreken Ingezonden Door: Hey .
Deze versie komt van http://www.scholieren.be/huiswerk/show_stuk.php?id=633 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Overig en het aantal woorden bedraagt 5024 woorden.

Inhoudstafel






Inhoudstafel p. 2




Inleiding p. 3




Situatieschets p. 4




Corpus p. 7




Besluit p. 15




Bibliografie p. 16




Takenlijst p.18




























































Inleiding












Na de twee wereldoorlogen leek voor België dan eindelijk een rustigere periode aangebroken te zijn. De economie ging erop vooruit en wie werk wou vinden hoefde niet lang te zoeken. Nieuwe uitvindingen moesten de mensen meer luxe bezorgen, de steden groeiden en ook de politiek onderging veranderingen, al waren die gunstiger dan die van een decennia tevoren. In dit werk gaan we dieper in op een aspect van de geschiedenis waar vele boeken aan voorbijgaan: de menselijke herinneringen uit deze periode. Ooggetuigen over de jaren’50.






Bij deze willen we ook onze dank betuigen aan de mensen die meewerkten aan de interviews.
























































Situatieschets: jaren ’50




· Politiek




Dankzij de syndicaten werd voor de arbeiders in ’55 de 5-dagenweek en de betaalde vakantie ingevoerd, het duurde echter nog 7 jaar voor deze er effectief kwamen.


Voor velen was dit hun kans op een eerste uitstap of vakantie aan zee. Het zou nog een tijdje duren vooraleer de gewone arbeider zich een reis kon veroorloven met België’s jonge vliegmaatschappij Sabena .


Na 1954 ging het bewind van de CVP over naar een liberaal-socialistische coalitie die de subsidies voor de vrije scholen aanzienlijk verminderde, de voorwaarden voor subsidiëring verscherpte en voorzag in de oprichting van een groot aantal rijksscholen (Wet-Collard, 1955). Dit leidde tot de schoolstrijd, de strijd over de vraag of het onderwijs – aanvankelijk vrijwel alleen het lager onderwijs – een neutraal karakter moest hebben ten aanzien van de feitelijke religieuze differentiatie.


Op 20 november 1958 ondertekenden de toenmalige drie nationale partijen het zogenaamde Schoolpact, een overeenkomst inzake de uitbreiding en erkenning van het officieel en het vrij onderwijs, en dit pact maakte een einde aan de schoolstrijd.


Op 12-3-1950 trokken alle meerderjarigen naar de stembus om mee te stemmen over het koningschap van Leopold III. Het koningschap van de koning werd in vraag getrokken (de koningskwestie) door vermoedens omtrent collaboratie en door zijn huwelijk met prinses Liliane. Ook het beleid van Leopold in Kongo riep bij sommigen vragen op.




· Nieuw spellingsbesluit




In 1954 kwam er een nieuwe spelling na jaren van studie en gediscussieer


in de gemengde commissie van Vlaamse en Nederlandse taalkundigen . In de pers werd het een rommeltje met het lukraak door elkaar gebruiken van conservatieve en progressieve spellingen. Het in overeenstemming brengen van het taalgebruik tussen Noord en Zuid was niet eenvoudig omdat er voornamelijk in Nederland een behoorlijk verschil was gegroeid tussen spreek- en schrijftaal.




· Economisch




Na de W.O.II kwam er een periode van economische heropbloei. Dit ging niet zo gemakkelijk, want er volgde eerst een herstelperiode. De mensen waren blij dat de oorlog voorbij was maar toch bleef de schrik er nog in zitten. Dit kwam vooral tot uiting in ’50 bij het begin van de Koreaoorlog toen veel mensen opnieuw begonnen te hamsteren. Er kwamen nieuwe producten op de markt zoals de jeansbroek, de deodorants, de auto, enz.




· Sociaal




De “rijkdom” was niet voor iedereen weggelegd. Velen spraken van een burgerlijk-verzuilde maatschappij, waarin men een duidelijk onderscheid kon maken tussen de grote burgerhuizen die al voorzien waren van badkamers (wat nieuw was voor die tijd) en de overbevolkte arbeidershuisjes.


De groei van de economie was namelijk gepaard gegaan met een toename van de bevolking . Door de financiële situatie en het tekort aan huizen bleef men bij de ouders en grootouders inwonen en waren er veel overbevolkte huizen.




· Techniek en Wetenschap




Vele mensen gingen buiten de stad gaan werken. Om hun transport te vergemakkelijken verbeterde de staat de verkeersinfrastructuur. Aalst werd net zoals vele andere steden een slaapstad.


Hoewel vele boeren nog met paard en kar het land bewerkten, kwamen er langzaamaan toch al nieuwe ontwikkelingen in de landbouw.


Ook de televisie deed zijn intrede in het Belgenland en de NIR zou al vlug uitgroeien tot één van de grootste Vlaamse televisiezenders.


In juni ’51 werd er bekendheid gegeven aan UNIVAC . Het was de eerste commerciële computer die al 7.200 tekens per seconde kon lezen.


Op 1 november 1952 werd er een klein eiland bij het ringvormige koraaleiland Eniwetok van de kaart geveegd als gevolg van een test met een nucleaire explosie door de VS. Er werd vermoedelijk gebruik gemaakt van de H-bom .


In april 1953 ontdekten de wetenschappers Crick en Watson de sleutel tot het leven: ze ontdekten de structuur van het DNA.




· Cultureel




Expo ’58


In 1958 was België gedurende zes maanden het centrum van de wereld dankzij de Wereldtentoonstelling in Brussel, de eerste grote expositie na de oorlog. Het was de negende keer dat ons land gastheer was van een Wereldtentoonstelling en daarmee was het ook wereldrecordhouder.


Ruim 41 miljoen bezoekers van over de hele wereld brachten een bezoek aan de Expo. Het cijfer zou zelfs 45 miljoen kunnen zijn omdat naar schatting 4 miljoen mensen rechtstreeks via een achterpoortje binnenglipten zonder te betalen. De plechtige opening was op 17 april en die eer was uiteraard voorbehouden aan koning Boudewijn. Op net dezelfde plek had de vorst de eerste steen van het gebouw gelegd in 1956. Twee jaar lang was er gewerkt om al de paviljoenen en attracties op te trekken op het stuk land van 200 hectare dat men de Heizel ging noemen.


Ook de televisie en de radio zorgden voor heel wat meer cultuur. Voor dat zij bestonden kon de muziek in het bijzonder niet zo goed verspreid worden.


Op litterair vlak mogen we Louis Paul Boon niet vergeten te vermelden, zeker niet wanneer we het over Aalst en omstreken hebben. Boon werd in het begin niet echt geapprecieerd omdat hij brak met de traditionele roman. Zijn bekendste boek is wellicht ‘De Kapellekensbaan’.


Het standbeeld van Priester Daens aan de Werf kwam er in 1957 door Marc De Bruyn.
















































































Bespreking




Wonen.




1) Wie


De gezinnen in de jaren ’50 bestonden meestal uit vader, moeder en kinderen, maar vaak woonden er nog anderen in huis. Het was niet zeldzaam dat de kinderen na hun huwelijk bij de ouders van vrouw- of manlief gingen inwonen. Ook na de dood van een van de ouders, gebeurde het wel dat de weduwe(naar) terug bij zijn/haar kinderen ging wonen. Mindervaliden werden niet gauw in een instelling ondergebracht, maar werden zo goed men kon thuis verzorgd.




2) Huizentekort?


De mensen die wij interviewden herinnerden zich niets over een huizentekort. Zij woonden allemaal nogal in landelijke gebieden, misschien geeft dat een foutief beeld, maar het is een feit dat de verstedelijking enorm is toegenomen tegenover toen. Zoals een van onze geïnterviewden antwoordde: “er is nog plek genoeg”, men kon nog bijbouwen.




3) Comfort


Het comfort van toen is niet te vergelijken met wat het nu is. Men had eigenlijk wel wat men nodig had, maar alles is veel luxueuzer geworden. Men kon zich wel wassen, maar de omstandigheden waarin dat wassen gebeurde, zijn niet meer te vergelijken met de huidige sanitaire voorzieningen. Zo had men nog geen echt bad. De meesten hadden een soort kuip die ze met emmers water vulden. Die kuip stond wat verloren in het huis. In een hoek in de woonkamer achter een ‘paravent’ moest men zich wassen. In vele gezinnen gebruikten de kinderen hetzelfde badwater . De hygiëne was minder dan nu, er werd nog niet courant gebruik gemaakt van parfum, deodorant,…


De WC zat in een veranderingsperiode: van een plank met een gat in naar een porseleinen pot zonder doorspoelsysteem naar de moderne WC. Om hygiënische redenen was dit kleine kamertje buiten gelegen. Voor het geval men dan ’s nachts moest gaan, was er een emmer/pot voorzien, met een deksel erop.




4) Noodweer ’53


Door een enorme storm in ’53 leden heel wat huizen enorme schade. Vermoedelijk was dit probleem meer in Nederland gesitueerd. Hier meenden slechts 2 van de 12 ondervraagden dat ze schade hadden. Zeker de mensen die rond de Schelde woonden kunnen de problematiek beamen, de Schelde trad uit zijn oevers. Het is dus heel waarschijnlijk dat er nog rivieren uit hun oevers traden.






Werken.




1) Werkloosheid


Tussen 1950 en 1954 werd 10% van de actieve bevolking werkloos. Onze streek heeft daar waarschijnlijk minder onder geleden daar geen van de geïnterviewden zich enorme problemen op dit vlak kan herinneren.


Integendeel, ze herinneren zich wel het aantrekken van vreemden om onder andere in de mijnen te komen werken. Vooral de Italianen vielen hierbij op. Vooral in Brussel en Wallonië dus kwamen er immigranten.




2) Vervoer


Om zich van huis naar de dagtaak te begeven maakten velen gebruik van de trein. Dit ging vaak niet zo vlot omdat de aansluitingen tussen de treinen nog niet zo goed was als nu. Er was ook nog geen controle op de trein. Wanneer het om kleine afstanden ging, ging men natuurlijk te voet of met de fiets. De eerst brommertjes verschenen en om langere afstanden te overbruggen maakte men dus gebruik van de trein, of ander openbaar vervoer zoals bussen en trams . In Aalst denken we bijvoorbeeld aan de Leirekensroute, de oude trambaan die nu een leuk fietspad is geworden.


Een niet te vergeten vervoermiddel is de auto. Het was in de vijftiger jaren dat men zich een auto begon aan te schaffen. Een wagen kostte toen zo’n 60.000 à 90.000 Bef., al naargelang het model. Men ging deze wagens gebruiken voor beroepsdoeleinden, maar ook voor het plezier, om zich eens verder te kunnen begeven dan de (vertrouwde) omgeving. Enkele merken: Plymouth, Dodge, Mercedes, Renault, Scoda Octavia,…




Voeding en lichaamshygiëne.




Na WOII veranderde er voor de niet-landbouwer het een en ander: de keuze was gevarieerder. De landbouwers konden sowieso in hun behoeften voorzien. Zij die dit niet konden gingen meestal naar de buurtwinkel. De jaren ’50 was wel de periode waarin er grootwarenhuizen opkwamen, dit vooral in de grotere steden.


Het Expobrood kwam er naar aanleiding van het cultureel evenement, maar dit was meer dan een zeer tijdelijk verschijnsel. Dit brood, dat vierkant van vorm was, lekker van smaak en in een typische blauwe zak verpakt werd, zou nog geruime tijd na de tentoonstelling verkocht worden.


Andere soorten brood kon men - natuurlijk - bij de bakker halen, maar brood werd ook aan huis gebracht, evenals vis, bier, melk, soep, groenten en soms zelfs huishoudgerief.


Door het alsmaar verschijnen van elektrische apparaten zag de mens van toen zijn energieverbruik stijgen. Ook de koelkast kwam toen op, hoewel er nog maar weinigen waren die hiervan gebruik maakten. Het gevolg was dat er geen grote hoeveelheden vers voedsel gekocht werden, omwille van de bederfbaarheid.




Cultuur.




1) Radio en televisie.


De radio en ook de latere jukebox kenden in de jaren ’50 heel wat succes. Men beschouwde de radio als een soort van meubelstuk. Vele mensen luisterden vooral naar de radio voor het nieuws en het weerbericht, anderen luisterden enkel naar muziekprogramma’s zoals bijvoorbeeld “Bonte avonden met Vlaamse muziek.”


Naar het einde van de jaren ’50 toe schaften meer en meer mensen zich een televisietoestel aan. Zij die er nog geen hadden gingen bij de buren kijken. Naarmate de televisie populairder werd ging men meer en meer gaan cocoonen. Bekende tv-sterren waren Armand Pien, Tony Corsari, Bob Davids, …Naast het nieuws waren er ook al populaire tv-series zoals “Schipper naast Mathilde.” De NIR (Nationaal Instituut Radio) was de grootste Vlaamse omroep.




2) Ontspanning.


In het weekend gingen de meeste mensen een glaasje drinken in één van de dorpscafés. Vele dorpen hadden ook een toneelgezelschap en een fanfare die nu en dan voor wat amusement zorgden. In lokale zaaltjes werd soms een film vertoond en ook de pastoor zorgde af en toe voor een klein filmforum. Wie echter al over een auto beschikte, trok gemakkelijker naar de bioscoop in de stad.


Door de invoering van de 5-dagenwerkweek en de betaalde vakantie begonnen meer en meer mensen, zelfstandig of met de ziekenbond, uitstappen en korte reizen te maken. Naar het buitenland trok men toen nog niet, de zee en de Ardennen daarentegen behoorden tot de favoriete vakantiebestemmingen. In ’58 maakten veel mensen een uitstap naar de Expotentoonstelling. De nieuwigheden die er te zien waren lieten ook veel buitenlanders (tot zelfs Amerikanen en Chinezen) naar ons land afzakken. De Expo was gunstig voor de economie, niet enkel door de werkgelegenheid maar ook door de nieuwe producten zoals het Expobrood en het Expoblok . Dankzij de tentoonstelling werd ook de aanleg van snelwegen naar Brussel bespoedigd.




3) Mode.


De mannen droegen in de jaren ’50 ondanks de opkomst van de jeansbroek meestal nog pofbroeken. Nu en dan zag je ook een vrouw in een broek verschijnen alhoewel de meesten het hielden bij een lange rok met daaronder verschillende gesteven onderrokken. Voor vrouwen met lange haren was het in om hun haar op te steken zodat het leek alsof ze een suikerspin op hun hoofd droegen.




4) Film en muziek.


Film werd meer en meer beschouwd als een nieuw kunstmedium.


Grote sterren op het witte doek waren Marylin Monroe, Clark Gable, Greta Garbo, Brigitte Bardot, …


In de muziekwereld ging eind jaren’50 hier en daar al een zonderling met computermuziek experimenteren. Het grote publiek viel echter voor de chansons van Sinatra, de swingende hits van Elvis, …In Vlaanderen hadden ook Vlaamse schlagerzangers zoals Tony Corsari heel wat succes.




5) Kunst en litteratuur.


In’54 onderging de litteratuur een grondige verandering met de komst van een nieuw spellingsbesluit. De bedoeling was een uniforme spelling op te stellen voor Nederland en België. De “ Woordenlijst van de Nederlandse taal” werd uiteindelijk een mengelmoes van conservatieve en progressieve spelling. Sommige auteurs namen echter een loopje met deze nieuwe spelling. De Erembodegemse Louis Paul Boon bijvoorbeeld die een opleiding had genoten aan de academie van Aalst ging later nog vaak in het Aalsterse dialect schrijven. Zijn bekendst werken zijn de roman “De Kapellekensbaan”(’53) en het vervolg daarop,“Zomer te Ter-muren”(’56) .


Een ander bekend schrijver die in die periode zijn carrière begon is Hugo Claus. Claus zou later ook nog toneelstukken en films regisseren en schilderen. In ’50 sloot hij zich aan bij de Cobrabeweging die mede door de Belg Dotremont gesticht was. De stijl van de beweging was te vergelijken met het abstract expressionisme. De aanhangers wensten zich af te zetten tegen het surrealisme en zochten naar een spontane, experimentele schilderwijze.




Landbouw




Door de motorisering van de landbouw omstreeks de jaren vijftig werd het belang van het kwalitatieve groter binnen het productieproces: het begin van de groei naar een andere landbouw. Een betere landbouw misschien, maar de vooruitgang bracht ook met zich mee dat er veel minder mensen moesten worden ingezet. De jaren vijftig blijken van cruciaal belang te zijn geweest voor de verdere ontwikkeling van de landbouw. Wat herinnert men er zich nog van?




Er tekenen zich meteen drie soorten antwoorden af bij de vraag of de landbouw tijdens de W.O.II veel geleden had: enerzijds zijn er de mensen die resoluut neen antwoorden, anderzijds de mensen die ja zeggen. De derde groep blijft eerder neutraal in zijn antwoord. Het valt op dat die soorten van antwoorden ook nauw samenhangen met het beroep/de positie/de woonplaats van de geïnterviewde. Zo zijn het vooral de arbeiders en stadsbewoners die een eerder pejoratief beeld geven over de landbouwers: volgens hen waren de boeren zelfs beter uit de W.O.II gekomen, misschien wel ten koste van anderen. Een totaal andere visie krijgen we dan van de landbouwers zelf, al is die misschien ook niet helemaal objectief. “De waarheid zal wel ergens tussenin liggen”, is hier wellicht een goed motto. De mensen die zich afzijdig houden zijn in dat opzicht het minst bevooroordeeld. De meeste geïnterviewden denken ook dat het een goede periode was voor de landbouw, wat boeren dan weer tegenspreken: ze klagen niet, maar willen toch aantonen dat het niet zo rooskleurig was als men elders dacht.


Over het aantal bedrijven en het type landbouw zijn de meeste geïnterviewden het wel eens. In die periode had een groot deel van de bevolking een boerderij, die vooral instond voor eigen consumptie. Vooral de dorpen waren nog heel landelijk. Waarschijnlijk was dit fenomeen een gevolg van de oorlog, men had schrik voor de hongersnood en zelf instaan voor de productie van zijn eten leek waarschijnlijk één van de zekerste oplossingen. We moeten er ook rekening mee houden dat deze omgeving op dat moment nog niet zo verstedelijkt en geïndustrialiseerd was, de vele kleine bedrijfjes zijn daar getuige van. Ook de gemengde landbouw is gemakkelijk te verklaren: als men een bedrijf had dat vooral gericht was op de zelfvoorziening, was het logisch dat men een veelzijdige boerderij wou, waar men zoveel mogelijk met eigen producten kon werken. Het ging er op dat moment ook nog helemaal niet zo professioneel aan toe als in de huidige (grote) landbouwbedrijven, de productiviteit lag veel lager door de beperkte middelen en de ‘ouderwetse’ visie op de landbouw. Het is pas later dat eerst de Benelux en later de EEG praktische stappen hebben gezet in de richting van meer in – en export en specialisatie.


Omtrent dat overkoepelend beleid van de Benelux zijn de antwoorden ook nogal gelijkvormig. De meeste mensen hebben er geen idee van, omdat ze er zelf niet nauw bij betrokken waren. Enkelen denken dat er toen nog niet veel inmenging was van de staat in de landbouw, en dat de landbouwers er bijgevolg niet veel van merkten dat België samen met Nederland en Luxemburg een soort van gelijke landbouwaanpak wilde opstarten. Dat is ook logisch, veel feiten worden wel vermeld in geschiedenisboeken, maar zijn niet echt geweten bij de bevolking , omdat ze pas later effectief tot uiting kwamen, dit was ook zo bij de landbouw binnen de Benelux. Wel wordt er door een paar geïnterviewden vermeld dat ze vermoeden dat de boeren hier niet zo tevreden mee zullen geweest zijn, omdat ze zo snel hun zelfstandigheid zouden verliezen. Tot dan toe was “boeren” een zeer autonoom beroep en dat wilden de landbouwers vermoedelijk ook zo houden. Bij deze mensen is misschien wel sprake van enige subjectiviteit, want de betrokken geïnterviewden minimaliseren de vernieuwing eerder, omdat ze er volgens hen pas later echt iets van merkten. Of alles daardoor verbeterde, betwijfelen zij maar al te zeer, alhoewel de grotere staatsinmenging van vandaag zeker ook grote voordelen heeft.


De technische aspecten van de landbouw kunnen de meeste geïnterviewden zich dan wel weer herinneren. Uit de antwoorden blijken de tractor en de pikdorser de belangrijkste vernieuwingen te zijn geweest. Ook pikbinders, aardappelrooimachines en zaaimachines worden vermeld. De ervaring leert echter dat het er bij veel boeren toen nog net zoals vroeger aan toe ging: met paard en kar.


Over de inenting tegen Mond en Klauwzeer herinnert het merendeel van de geïnterviewden zich niets meer. Vooral de mensen van het platteland vermelden toch nog dat ze het goed vonden dat die inenting in 1953 verplicht werd, tenslotte hing het hele inkomen van een boer voornamelijk van de veestapel af. Als hier iets mis mee ging, had dat vaak rampzalige gevolgen. Een van de personen geeft bovendien aan dat men in die periode helemaal niet zo zwaar tilde aan MKZ als men dat vandaag doet. Veel mensen waren niet genoeg op de hoogte van de ziekte, men had er tevoren zelfs nog niet van gehoord. Van bepaalde ziektes schatte men de ernst nog niet genoeg in. De persoon in kwestie stelt zich er evenwel wel vragen bij of men vandaag de dag dan wel gepast reageert.




Algemeen valt dus op dat de afkomst en het beroep van de geïnterviewde een grote rol speelt in dit onderdeel. Bij eenduidige vragen antwoorden de meesten vrij objectief. Wanneer je daarentegen een vraag stelt waarin de persoonlijke appreciatie (vaak latent) een rol speelt, variëren de antwoorden van eerder objectief tot heel subjectief. De antwoorden zijn dan ook heel uiteenlopend en soms, zelfs zonder dat de geïnterviewde wil of bedoelt, kan je er dan sporen van vaste denkpatronen – al dan niet clichématig – in terugvinden. Het is dus heel belangrijk hiermee rekening te houden. Wanneer je een eenzijdige bron apart bekijkt, kom je vaak tot een vertekend beeld, dat wel eens heel ver van de waarheid zou kunnen staan.




Religie.




Alhoewel in de jaren ’50 het socialisme in Vlaanderen opkwam was de meerderheid van de Vlaamse bevolking toch pro-CVP. Noem het de katholieke geaardheid van de mensen of misschien gewoon vriendjespolitiek? Voor sommigen was hun geloof in God namelijk afgezwakt na de oorlog, anderen daarentegen waren even sterk blijven geloven uit vrees voor de Koude Oorlog. In de praktijk gingen de meeste mensen toch nog elke zondag naar de mis. Het waren tijden waarin de pastoor nog een zekere macht had.




In het dagelijkse leven viel maar weinig te bespeuren van de kloof tussen socialisten en katholieken. Ze gingen soms wel naar andere scholen, jeugdbewegingen, … maar het draaide eigenlijk vooral om het principe van katholiek of socialistisch te zijn.




Politiek




In de jaren ’50 bestonden er drie nationale partijen: de CVP (Christelijke Volkspartij), de BSP (Belgische Socialistische Partij) en de PVV (Partij voor Vrijheid en Vooruitgang, liberaal). Tot de beginjaren was de CVP aan de macht en zetelde ze in de regering. Vooral Vlaanderen was christelijk gezind, de Walen waren eerder socialistisch, waardoor er toch een sterke tegenstelling of concurrentie was tussen noordelijk en zuidelijk België. De liberale partij was eerder neutraler opgesteld en de meningen binnenin waren meer verdeeld naargelang het onderwerp. Uit de interviews kan je afleiden dat toch in de meeste gemeenten de CVP aan de macht was, op enkele uitzonderingen na zoals Pollare. Men had in Vlaanderen toch ergens wel schrik voor de opkomst van het socialisme, gelinkt met het communisme. In de kleine dorpjes en gemeenten wist men wel dat er een Koude Oorlog was maar men ondervond geen invloed. Vooral in de steden ging men hamsteren uit schrik voor het communisme dat zou kunnen aanslaan vanuit de Korea-oorlog.


De tegenstelling tussen de christelijke regering en de socialistische oppositie kwam vooral tot uiting in de tweede schoolstrijd vanaf 1950. De CVP ging de vrije secundaire scholen subsidies geven omdat ze in geldnood zaten en ze waren gekant tegen de hoge schoolgelden die de vrijheid van schoolkeuze in de weg stonden. De oppositie nam dit als een bedreiging op dat er een te grote bemoeiing zou komen van het Christelijk geloof in het rijksonderwijs. In 1954 kwam er een liberaal-socialistische coalitie aan de macht die de subsidies verminderde en meer rijksscholen opbouwde. Uit de interviews is op te merken dat het van streek tot streek afhing of er al dan niet een rijksschool was, bij sommige was er enkel een katholieke school, ergens anders allebei, en in enkele gemeenten werden zelfs de katholieke scholen vervangen door een rijksscholen. Deze strijd is zeer streekgebonden. Uiteindelijk had Marc Eyskens (CVP) in 1958 een Nationale Schoolcommissie opgericht die een Schoolpact opstelde voor een overeenkomst tussen de drie nationale partijen en een einde zou maken aan de tweede Schoolstrijd. Een negatief gevolg was dat er meer verschillende onderwijsinstellingen opgericht werden, alhoewel dat in begin niet zo op te merken was uit de interviews.




De concurrentie tussen de BSP en de CVP werd onder meer ook duidelijk gemaakt in de Koningskwestie. Leopold III kreeg na zijn terugkeer uit Zwitserland veel kritiek omdat hij onder andere sympathie zou gehad hebben voor onze Duitse vijand Hitler en door zijn huwelijk met Liliane . De kritiek kwam vooral langs de kant van de Walen, die meer socialistisch gezind waren en voor de aftreding van de koning pleitten. Het merendeel van de Vlamingen echter wou dat hij op de troon bleef zitten omdat anders ook zijn zoon, de jonge prins Boudewijn, hem zou moeten opvolgen en daarvoor was hij toch iets te jong.


Uit de interviews van inwoners die allemaal uit Vlaanderen komen blijkt het te kloppen dat ze in het Noorden van het land de vorst verdedigden en in het Zuiden tegen hem waren. Bij de liberale partij waren de meningen sterk uiteenlopend en door deze kwestie onstond er een nationaliteitenconflict in België. In maart 1950 hield men een referendum die de doorslag gaf dat de koning ons land mocht blijven regeren. Er kwam een reactie van de socialisten en de communisten die stakingen organiseerden en opstanden veroorzaakten. Men dreigde zelfs met de onafhankelijkheid uit te roepen van Wallonië en om een revolutie te vermijden treed Leopold III af op 16 juli 1951. Een dag later legde zijn jonge opvolger Boudewijn de grondwettelijke eed af als vijfde koning van de Belgen.




In de jaren ’50 was er vooral een politieke inmenging vanuit de Verenigde Staten door het Marshall-plan die ervoor zorgde dat onze economie zich kon herstellen na WO II door een grote financiële steun te geven aan Europa. In de landelijke gemeenten was men zelf bezig met de eigen landbouw en voorzieningen zodanig dat men niets tekort had en men geen invloed had van de Koude Oorlog in de rest van de wereld. Er bestond wel al een soort communistische partij maar die was niet zo populair. Racistische partijen bestonden toen nog niet, alhoewel men toch een negatief idee had van de Duitsers.


De emancipatie van de vrouw stond nog in haar kinderschoenen in de jaren ’50 want in sommige gemeenten stond er geen enkele vrouw op de kiezerslijst en was dat ergens anders wel het geval dan was het een uitzondering dat men op haar stemde. Bij de landelijke bevolking was er ergens toch nog het ouderwetse idee van de man die het brood verdient en de vrouw die voor haar kroost zorgt. Wel waren er al vrouwenbonden opgericht zoals de KAV en de KVLV waardoor de vrouwen toch ook nog een moment van ontspanning hadden en uitstapjes mee konden maken.


De mensen woonden heel graag in hun gemeenten maar vinden dat het dorpsgevoel van toen nu aan het verdwijnen is door de migratie en de staatsinterventie.




De politieke tegenstelling is vandaag de dag nog steeds te merken, hoewel men soms niet meer weet wie bij welke partij hoort door de vele partijsplitsingen en de –overloop.











































Besluit






Bij het maken van dit werk ondervond ieder van ons al snel dat geschiedenis er in vele vormen is. Naast de gekende ‘boekengeschiedenis’ ontdekten we op onze zoektocht doorheen de jaren vijftig vooral de kleurrijker visies van gewone mensen op die periode, de herinneringen en de eigen accenten. Elk interview zag er ondanks de eenvormigheid toch heel anders uit, al naargelang de afkomst en de woonplaats van de bevraagden varieerden de antwoorden. We merkten ook dat de gevoelswaarde van sommige interviews sterk afhing van het beroep en de leeftijd van de geïnterviewde. Ondanks deze verschillen, of misschien juist dankzij de verschillen, kwamen we tot soms verrassende resultaten, zowel in de kritiek op de eigen interviews als bij de vergelijking binnen bepaalde thema’s. Dit werk heeft vooral de bedoeling daarop te wijzen en de rijkdom van de geschiedenis in de herinneringen van ooggetuigen te benadrukken.


























































Bibliografie






Internet:




http://jaren50.homestead.com/index.html (nu niet meer in gebruik)


http://www.ned.univie.ac.at/non/landeskunde/be/h12/politikegesch.htm


http://www.amerika.nl/politiek/html/achtergronden/fifties.htm


http://www.oost-vlaanderen.be/economie/gom/algemeen/historiek/index.cfm


http://www.ccecrb.fgov.be/crb/text/doc8.html


http://www.studentsonly.nl/uittreksels/boekverslag.asp?BvID=23




Boeken:




BUELENS, H., Landbouwstructuren voor de Mens, Belgische Boerenbond - Leuven, 1971




DE VOS, LUC Van het Ijzeren Gordijn tot het fundamentalisme, Davidsfonds/Leuven




IN ’t VELT, CHRIS, jong in de jaren ’50 – tijdsbeeld van een generatie- Antwerpen, 1994




VAN LIERDE, J.,Europese landbouwproblemen en Europese landbouwpolitiek, Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij, 1967




VERBERCKMOES, NORBERT, Wichelen: Verleden en Heden, V.U. Norbert Verberckmoes, 1991






Naslagwerken:




Kroniek van onze eeuw: 1950-1959, Standaard uitgeverij, 1998


Bibliotheeknummer:927.3




Standaard geschiedenis van de 20ste eeuw Deel 6:1951-1965, Standaard uitgeverij, 1969


bibliotheeknummer:927.3




Standaard Uitgeverij, Encyclopedie van de 20ste eeuw, Antwerpen, 1998




CD-rom:




Encarta ’98 Encyclopedy Winkler Prins Editie, koningskwestie, Microsoft Corporation/Elsevier, 1993-1997




Encarta ’98 Encyclopedy Winkler Prins Editie, schoolstrijd [België], Microsoft Corporation/ Elsevier, 1993-1997






Documentatiemappen:




Openbare Bibliotheek Aalst, ‘Alostana’, documentatiemappen ‘Boon, Louis Paul’ Map 1 Oost-Vlaanderen nr. 938.1




Openbare Bibliotheek Aalst, ‘Alostana’, documentatiemappen ‘Daens, Adolf’ Nr. 937.5




Openbare Bibliotheek Aalst, ‘Alostana’ documentatiemappen, ‘De bruggen in Aalst’ nr 718.3

Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen