U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : -- - Karel Ende Elegast.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=12960 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 4376 woorden.

Voorwoord



Voor het lezen van Karel ende Elegast heb ik twee boeken gebruikt;

Karel ende Elegast, ingeleid en verklaard door Dr. W. van den Ent (gelezen 4e druk uit 1964, 1e druk uit 1954) voor het Middelnederlands en Karel en Elegast (Tekst in Context), samengesteld door Hubert Slings (gelezen 1e druk uit 1997) voor de hedendaagse vertaling.

Voor het maken van het verslag heb ik van het eerste boek de inleiding gebruikt en van het tweede de overige informatie die in het boek staat. Uit het eerste boek komen ook de citaten in dit verslag.

Ook heb ik Op niveau literair van Drs. B. Jager (1e druk uit 1995) gebruikt.

Inhoudsopgave



Gebeurtenissen 3



Achtergronden en symboliek 4



Genre 5



Thema en motieven 5



Motto 5



Personages 6



Ruimte 7



Opbouw 7



Taalgebruik 7



Tekstbeleving 8

Gebeurtenissen



Karel de Grote1 wordt, op de avond voor de dag dat er een hofdag2 zal plaatsvinden, uit zijn slaap gewekt door een engel, die hem beveelt te gaan stelen. Hij twijfelt, maar als de engel het hem voor de derde keer beveelt en zegt dat hij zal sterven als hij niet gehoorzaamt, besluit Karel God te gehoorzamen.3

Met de hulp van God verlaat Karel het burcht en terwijl hij op zijn paard het woud inrijdt denkt hij aan Elegast, een vroegere dienaar van Karel, die hij echter wegens een klein vergrijp had verbannen en die nu een roofridder is geworden. Karel denkt eraan hoe het zou zijn met hém deze nacht uit stelen te gaan.

Opeens verschijnt er een ridder tussen de bomen, helemaal in het zwart gekleed en op een zwart paard. Karel is bang dat er onheil boven zijn hoofd hangt4 en bid tot God voor bescherming.

Karel en de in het zwart geklede ridder rijden elkaar zonder iets te zeggen voorbij, maar de ridder rijdt achter Karel aan en vraagt hem wie hij is5 en wat hij in het woud aan het doen is. Karel wil het echter niet vertellen6 en daagt de ridder uit tot een gevecht.

Ze zijn aan elkaar gewaagd en zijn al een poos aan het vechten als het zwaard van de ridder breekt.7 Karel zegt tegen de ridder dat als hij zijn naam zegt, dat hij hem dan met rust zal laten. De ridder vertelt dat hij Elegast heet en dat hij nu, omdat hij is verbannen door koning Karel, als een roofridder leeft om zijn twaalf8 volgelingen te onderhouden. Karel is zeer blij dat Elegast voor hem staat, maar laat dat niet merken.

Als Elegast vervolgens vraagt hoe Karel heet en waarom hij ’s nachts door het woud rijdt, zegt Karel dat hij Adelbrecht is en dat hij ook roofridder is. Hij schept op door te zeggen dat hij niet alleen van de rijken, maar ook van de armen en zelfs uit kerken en bij kluizenaars steelt.9

Karel stelt Elegast voor samen te gaan stelen bij de koning, maar Elegast weigert dat omdat Karel zijn rechtmatige heer is, ook al heeft hij hem verdreven. Elegast stelt Karel voor in te breken bij Eggerik van Eggermonde, de zwager van de koning. Karel stemt hiermee in, omdat hij niet verwacht dat zijn zus hem laat ophangen als ze hen mocht betrappen.

Aangekomen bij de burcht van Eggerik maken Karel en Elegast een gat in de muur. Karel doet dat echter zo onhandig dat Elegast begint te twijfelen of hij wel een echte roofridder is. Door middel van een toverkruid10 krijgt Elegast van een haan en een hond te horen dat de koning in de buurt is. Karel gelooft dit niet en krijgt ook toverkruid. Hij hoort het ook, maar verwijt Elegast dat hij bang is. Elegast vraagt het kruid terug, maar Karel kan het niet vinden omdat hij het uit zijn mond heeft gestolen. Nu weet Elegast wel zeker dat Karel niet zo’n goede dief is als hij zichzelf voordoet.

Elegast gaat alleen de burcht binnen en bereikt met behulp van zijn toverkunsten de schatkamer. Daar neemt hij van alles mee dat hij naar Karel brengt die buiten de burcht op hem staat te wachten.

Karel wil wegrijden, maar Elegast wil eerst nog het zadel van Eggerik uit zijn slaapkamer gaan stelen. Als Elegast het zadel met honderd roodgouden bellen steelt, worden Eggerik en zijn vrouw wakker van het gerinkel.

Eggerik vermoedt dat iemand zijn zadel steelt en trekt zijn zwaard, maar zijn vrouw, de zus van Karel, weerhoudt hem en vraagt waarom hij de laatste tijd zo onrustig is. Eggerik vertelt dat hij samenzweert tegen de koning en dat hij hem binnenkort zal gaan vermoorden. Als zijn vrouw zegt dat ze dat niet zal toestaan, slaat hij haar op haar gezicht. Het bloed dat uit haar neus en mond druppelt vangt Elegast als bewijs op in zijn rechterhandschoen.

Elegast zorgt ervoor dat Eggerik en zijn vrouw in slap vallen en hij gaat naar Karel, aan wie hij alles vertelt. Karel stelt voor dat Elegast naar de koning gaat om alles te vertellen, maar dat durft hij niet, omdat de koning hem vijandig gezind is. Karel zegt dat hij de koning wel op de hoogte zal stellen van het verraad, Elegast moet zich verbergen in het woud en de buit bij zich houden.

Karel rijdt terug naar zijn burcht en net als hij zijn wapenrusting aflegt wordt de nieuwe dag aangekondigd.

Karel roept zijn geheime raad bij elkaar en hij vertelt van de samenzwering. Ze besluiten Eggerik op te vangen in de voorburcht.11

Zodra Eggerik en zijn mannen de voorburcht zijn in gereden, worden de deuren gesloten. Onder hun kleren blijken ze allemaal een harnas aan te hebben en wapens te dragen. Eggerik ontkent echter dat hij samenzweert tegen Karel.

Karel laat Elegast halen. Die komt graag om het hele verhaal te vertellen. Hij daagt Eggerik uit om, als hij blijft ontkennen, het tegen hem in een tweegevecht12 op te nemen. Eggerik weigert eerst te vechten tegen een verbannen dief, maar als Elegast zegt dat hij, net als Eggerik, een hertog is en Karel Eggerik dreigt met ophanging als hij niet vecht, besluit hij het tegen Elegast op te nemen.

Elegast komt het eerst het strijdperk in en bid uitvoerig tot God om de overwinning en sluit een kruis. Dan komt ook Eggerik het strijdperk in. Hij bid niet en slaat geen kruis, maar gaat meteen tot de aanval over.

Elegast stoot Eggerik van zijn paard, maar hij vindt het oneervol Eggerik te voet te doden. Hij staat Eggerik toe weer in het zadel te klimmen en verder te vechten. Het gevecht duurt een hele tijd, tot de koning tot God bidt om een einde te maken aan het gevecht en ervoor te zorgen dat Elegast overwint.

Elegast brengt Eggerik zo’n harde slag toe dat hij onthoofd wordt. Vervolgens wordt hij, net als de andere verraders, aan de galg gehangen.13

Elegast wordt door Karel in ere hersteld en Karel schenkt hem zijn zus, Eggeriks vrouw.





Achtergronden en symboliek



1) Karel de Grote (742-814) werd in 768 gekroond tot koning der Franken en in 800 tot keizer. Ook na zijn dood in 814 bleef Karel nog populair, niet alleen omdat hij een zeer machtige vorst was, maar ook omdat zijn geestelijke verdiensten zeer indrukwekkend waren. Daarvoor werd hij in 1165 heilig verklaard door de aartsbisschop van Keulen. Aken, de stad waar hij is begraven, werd een veelbezocht pelgrimsoort.



2) In die tijd kende men het feodale stelsel; men ging er vanuit dat de hele wereld van God was en dat Hij aan de koningen een stuk land te leen gaf. Omdat hij het hele land niet alleen kon besturen, verdeelde de koning zijn land in stukken en gaf dat te leen aan hertogen en graven. Zij verdeelden hun land op hun beurt weer onder een aantal vazallen.

Om de macht goed te kunnen uitoefenen had de koning vele verschillende burchten, hij trok dan ook voortdurend van de één naar de ander. Één van die burchten is Ingelheim, waar Karel zich bevindt om een hofdag te houden. Op zo’n hofdag kwamen de vazallen de eed van trouw afleggen, nam Karel het beleid door en sprak hij recht in grote misdrijven en ruzies onder de adel. Het doel van een hofdag was zijn positie te bevestigen en te versterken. (Ende waande op den andren dag / Krone dragen ende houden hof / Omme te meernen zinen lof. (vs. 12-14)).



3) De eerste keer dat de engel hem de opdracht geeft te gaan stelen, denkt Karel dat hij het gedroomd heeft. (Hi waande ’t slapende hebben gehoord (vs. 39)). De tweede keer is Karel bang dat de opdracht van de duivel komt, twee was immers het getal van de duivel. (Ees ’t alfsgedrocht, dat mi kwelt (vs. 53)). Pas als de engel voor de derde keer de opdracht geeft te gaan stelen, besluit Karel dit te doen. Drie was het getal van God (Goddelijke Drie-eenheid: Vader, Zoon en Heilige Geest), het is hem nu duidelijk dat de opdracht van God is, en die moet hij wel gehoorzamen. (Gods gebod ende zine woorde / En wil ik niet laten achter, (vs. 100-101)).



4) Zwart was de kleur van de duivel. (Nochtan weet ik te voren wel, / ’t Es die duvel ende niemen el. / waar hi van Gods halven iet. / Hi en ware zo zwart niet. (vs. 295-298)).



5) Om herkend te kunnen worden hadden de ridders allemaal een eigen wapen op hun schild. Als ze echter liever onherkenbaar wilden zijn, trokken ze een lap over hun schild. Karel heeft dit gedaan, omdat hij tijdens het stelen niet herkend wil worden en, als ze het wapen zien, iedereen weet dat hij de koning is. ( Des koninks schild was overtrekt, / Hi en wilde ’s niet voeren ontdekt, / Om ’t teiken dat er ane stoed. / Hi en wilde niet, dat men ware vroed, / Datti ware die konink. (vs. 379-384)).



6) De adel leefde in een cultuur van eer en schande. Dat was anders dan bij de geestelijkheid, die in termen van genade en zonde dacht. Als je het goede deed, maakte het niet uit wat anderen van je dachten, God wist immers toch wel dat je onschuldig was.

Bij de adel ging het er echter om wat anderen van je dachten, niets was erger dan dat je naam besmeurd zou worden. Zo was het bijvoorbeeld oneervol om een weerloos tegenstander te verslaan (Doe pensdi: “’t En is niet gewroken, / Die enen wille slaan oft deren, / Die hem niet en kan geweren.” (vs 446-448) en Ik wil u niet te voete slaan, / Ik wille prijs an u begaan, / Al zoud’s mi zijn te wors. (vs. 1351-1353)).

Ook was het oneervol zomaar vragen te beantwoorden van een onbekend iemand. (Ik hebbe liever dat wi vechten / Dan ik ’t u seide bi bedwange. / Zo had ik geleefd vele te lange, / Dat mi een man dwingen zoude / Van dingen, die ik niet en woude / Berechten, ten ware mi lief (vs. 370-375)). Hieruit komt ook duidelijk naar voren dat een ridder in zo’n geval nog liever sterft dan dat hij zich oneervol gedraagt.



7) Elegast verliest dan wel van Karel, maar dat komt alleen maar omdat zijn zwaard breekt. Hij kan er dus eigenlijk niets aan doen en zijn eer is hij dan ook niet verloren.



8) Twaalf is ook een getal van God. Vergelijk dit met Jezus en zijn twaalf discipelen.



9) Elegast is dan wel een roofridder, maar hij steelt alleen van de rijken en van bisschoppen, kanunniken, abten, monniken, dekens en priesters. Omdat men veel kritiek had op hen en vond dat zij hun bezittingen niet rechtmatig hadden verworven, was het geen grote schande hun te bestelen.

Karel zegt echter dat hij van armen steelt en zelfs uit kerken en bij kluizenaars. (Ende plege te stelene over recht / In kerken ende in kluzen / Ende ook in allen godshuzen. (vs. 570-572)). Dat was wel een grote schande, omdat kerken heilige plaatsen waren en kluizenaars zich juist verzetten tegen de misstanden van de geestelijkheid.



10) Elegast maakt in het verhaal nogal eens gebruik van zijn magie. Hij hoort wat de dieren zeggen wanneer hij een toverkruid in zijn mond stopt (Hi trak een kruud uut ene vate / Ende dede ’t binnen zinen monde. / Die zulk een hadde, hi verstonde / Wat hanen kraaien ende honde bilen. (vs 766-769)), hij zorgt ervoor dat mensen in slaap vallen (Nochtan konsti behendighede, / Daar hi alle diegene mede / Slapen dede van den zale, (vs. 837-839) en Hi sprak zine woorde met trouwen, / Dat zi sliepen herde vast. (vs. 926-927)) en hij opent gesloten deuren (Ende ontsloot dan altemale / Slote, die men met slotelen sloot, / Waren zi klene ofte groot, (vs 840-842)).

Ondanks het geloof in God (God helpt Karel bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat iedereen in zijn kasteel vast slaapt als hij erop uit trekt) was er dus ook wel plaats voor magie.



11) Karel maakt hier gebruik van het feit dat de Middeleeuwse burchten vaak tweeledig waren gebouw; ze bestonden uit een voorburcht en een hoofdburcht.

De deuren van de voor- én de hoofdburcht staan open, maar zodra Eggerik met zijn gevolg de voorburcht in komt rijden, worden alle deuren gesloten. Zo zijn ze als het ware opgesloten in de voorburcht, vluchten is niet meer mogelijk.



12) Een tweegevecht werd een gezien als een godsgericht. Karel is blij dat Elegast Eggerik uitdaagt, omdat hij er vanuit gaat dat Elegast wel zal winnen. God zal er namelijk altijd voor zorgen dat degene die onschuldig is, in dit geval dus Elegast, de schuldige zal overwinnen.



13) In de Middeleeuwen stond op hoogverraad dood door ophanging. Pas als die straf was uitgevoerd, had je voor je misdaad geboet. Daarom wordt Eggerik, hoewel hij al door Elegast is gedood, alsnog aan de galg gehangen.





Genre



Het verhaal Karel ende Elegast behoort tot de Karelepiek, het genre waarin Karel de Grote en zijn vazallen centraal staan. Er zijn wel wat verschillen tussen Karel ende Elegast en de andere verhalen binnen dit genre.

Ten eerste is het een oorspronkelijk verhaal, terwijl veel andere verhalen teruggaan op het chanson de geste uit de Oudfranse literatuur, opgeschreven rond 1100. In het chansons de geste waren de strijd tegen de heidenen en de spanningen binnen het feodale systeem, veroorzaakt door opstandige vazallen de twee belangrijkste thema’s. Vele chansons zijn later omgewerkt tot Middeleeuwse Karelromans.

De chansons de geste en de Karelepiek gaan vaak terug op een historische gebeurtenis, maar ze zijn niet allemaal helemaal betrouwbaar. Dat komt doordat historische feiten van verschillende personen werden toegeschreven aan één persoon. Dit verschijnsel wordt epische concentratie genoemd.

Ten tweede is in Karel ende Elegast Karel de hoofdpersoon, in andere verhalen zijn dat meestal zijn vazallen.

Ten derde is het verhaal veel korter dan de rest van de verhalen binnen de Karelepiek.





Thema en motieven



Het thema van Karel ende Elegast is de tegenstelling tussen riddereer en trouw (Elegast) en ontrouw en verraad (Eggerik). Elegast blijft, ondanks het feit dat hij door Karel verbannen is, trouw aan zijn vroegere leenheer. Eggerik, die een goed leven leidt en dus helemaal geen reden heeft in opstand te komen tegen Karel, pleegt echter hoogverraad door tegen Karel samen te zweren.

Het hoofdmotief is de ontdekking van de samenzwering. Doordat Karel God gehoorzaamt en uit stelen gaat, ontmoet hij Elegast en komt hij erachter dat Eggerik het op zijn leven gemunt heeft.

Met de hulp van God, aan wie hij trouw blijft, verslaat hij Eggerik. Dat God je helpt als je in Hem blijft vertrouwen is dus een belangrijk bijmotief.

Een tweede belangrijk bijmotief is de zegeviering van het recht. Uiteindelijk zal het goede het slechte altijd overwinnen, dat zie je in het tweegevecht tussen Elegast en Eggerik.





Motto



Het motto van Karel ende Elegast is dat trouw door God beloond wordt.







Personages



Karel is de hoofdpersoon van het verhaal, híj krijgt van God de opdracht te gaan stelen. Hoewel dat zeer tegen zijn principes ingaat (Ik zal dief zijn, al ees ’t lachter (vs.102)), besluit hij het toch te doen omdat hij God wil gehoorzamen (Gods gebod ende zine woorde / En wil ik niet laten achter (vs. 100-101)). Karel heeft gewoon geen keuze, hij moet wel gaan stelen (Varen stelen oft God verwerken (vs.117)).

Ook verder in het verhaal kun je zien dat hij het helemaal niet leuk vindt te gaan stelen en dat het ook niet zijn dagelijkse bezigheid is, Karel is namelijk zeer onhandig. (Al was hi groot ende sterk, / Hi en konste niet zulk werk. (vs. 749-750) en Gi en weet van stelen niet een haar. (vs. 831))

Ook verder in het verhaal blijkt Karel zeer vroom te zijn, steeds als hijzelf of Elegast voor hem moet vechten, bidt hij tot God voor de overwinning. (God, alzo gewaarlijke / Also gi mogende zijt, / Zo moeti korten deze strijd / Ende dit lange gevechte / Na redene ende na rechte. (vs.1378-1382)).



Karel is een ridderlijke koning, hij geeft veel om zijn eer. Dat laat hij bijvoorbeeld zien als hij besluit Elegast niet te doden wanneer zijn zwaard breekt en als hij bang is dat men ziet dat hij uit stelen gaat. Bij het gevecht tussen Elegast en Eggerik hoopt hij echter zo dat Elegast wint, dat hij vergeet dat het een schande is een weerloze tegenstander te verslaan. (Dit was den konink Karel leed, / Dat Elegast zo lange meed (vs. 1359-1360)).



Hij is wel een strenge koning en dat weet hij ook van zichzelf. Als hij zelf ervaart hoe het is als een roofridder

’s nachts in het woud rond te zwerven, heeft hij er dan ook spijt van dat hij Elegast om een kleinigheid heeft verbannen. (Nu mag ik hem wel geloven, / Die leven bi der aventuren (vs. 208-209) en Ik hebbe Elegast verdreven / Om kleine zake uut minen lande, (vs. 218-219)). Hij neemt zich dan ook voor niemand meer vanwege een kleinigheid te laten sterven.



Tijdens het verhaal leert Karel niet alleen op zijn eerste indrukken af te gaan. Hij komt er zo achter dat de verbannen roofridder Elegast heel trouw aan hem is gebleven, terwijl zijn zwager, die niets van hem te vrezen had, ontrouw aan hem is en verraad pleegt.



De andere twee belangrijke personages zijn Elegast en Eggerik. Zij zijn in alles elkaars tegengestelde, Elegast staat voor het goede en Eggerik voor het slechte. Voor ons lijken de tegenstellingen misschien nogal zwart-wit, maar in de Middeleeuwen was het gewoon dat de personages niet te gecompliceerd waren.



Elegast is hét voorbeeld van een trouwe ridder. Karel heeft hem dan wel verbannen, maar toch is hij bereid alles voor zijn koning te geven. Als Karel Elegast voorstelt bij hem in te breken, weigert Elegast dat, hij wil zijn leenheer geen schade toebrengen. (Al heefti mi bi kwaden rade / Mijn land genomen ende verdreven, / Ik zal hem wezen al mijn leven / Gestade vriend na mine macht. (vs. 622-626)). En als Karel, om Elegast op de proef te stellen, zegt dat het niet zoveel uitmaakt als de koning sterft, wordt Elegast zo boos dat hij zegt dat hij hem zeker had gedood als hij niet zijn makker was geweest.

Eggerik daarentegen is helemaal niet trouw aan Karel, terwijl je dat van hem toch wel zou mogen verwachten, omdat hij een goed leven heeft én de zwager van Karel is. Maar juist hij maakt zich schuldig aan de grootste misdaad, hoogverraad.



Elegast is zeer ridderlijk, Eggerik niet. In eerste instantie weigert Eggerik tegen Elegast te vechten, omdat hij maar een verbannen dief zou zijn. (Die lachter en mag mi niet geschien; / Ten zal ook niemen wezen lief, / Dat ik jegen een verbannen dief / Minen hals zoude aventuren. / Hi zoude bet kampen met geburen / Dan hi jegen mi zoude. (vs. 1236-1241)). Als Eggerik van zijn paard valt, probeert hij Elegast te dwingen ook van zijn paard af te stijgen, terwijl Elegast hem de gelegenheid geeft weer op te stijgen, het was immers een schande een weerloze tegenstander te doden.

Ook mishandelt Eggerik zijn eigen vrouw. (Eggerik sloeg alzo houde / Die vrouwe voor naze ende mond / Dat haar ’t bloed terzelver stond / Ter naze enten monde uutbrak. (vs. 911-913)).



Als Elegast en Eggerik aan hun tweegevecht beginnen, bidt Elegast uitvoerig tot God voor de overwinning en slaat hij een kruis. Eggerik komt echter het strijdveld binnengereden en begint meteen als een heiden te vechten, zonder te bidden en een kruis te slaan. (Ende Eggerik kwam met groter gere / Ten krite waart, gewapend wel, / Die zere was in ’t herte fel. / Hi en zeindem noch en dede / Te Gode waart negene bede. (vs. 1324-1328)).

Eggerik is dus zeker geen vrome ridder, terwijl Elegast dat wel is.









Ruimte



Het verhaal speelt zich af in en in de buurt van Ingelheim, één van de vele burchten van Karel, in het Frankische gebied. De plaatsen waar het verhaal zich afspeelt worden niet uitvoerig beschreven.

Het verhaal begint in het slaapvertrek van Karel, waar een engel hem namens God oproept te gaan stelen. Vervolgens trekt Karel het, donkere, woud in, wat een mooie plaats is om een zwarte ridder te ontmoeten. Ook het weer wordt beschreven (Die mane scheen overklaar, / Die sterren lichtten an den trone, / ’t Weder was klaar ende schone. (vs.200-202)).Vroeger duidde mooi weer vaak op een positieve wending in het verhaal. Hier zou het dus kunnen duiden op de ontmoeting met Elegast.

Vervolgens komen Karel en Elegast aan bij de burcht van Eggerik, die ook maar kort wordt omschreven. (Doen zi kwamen vor die veste, / Die de schoonste was entie beste, / Die iewaart stoed opten Rijn, / Sprak Elegast: ”Hier wil ik zijn. (vs. 695-698)). De beschrijving heeft hier wel een functie. Eggerik heeft de mooiste burcht die er aan de Rijn te vinden is, hij is dus zelfs mooier dan die van de koning. Hij heeft dus geen enkele reden ontevreden te zijn en hoogverraad te plegen.

Nadat Elegast in het slaapvertrek van Eggerik is geweest en daar heeft vernomen dat Eggerik van plan is Karel te doden, gaat Karel terug naar Ingelheim, waar de rest van het verhaal zich afspeelt.





Opbouw



Het verhaal Karel ende Elegast is chronologisch opgebouwd, het bevat geen vooruit- en terugblikken en er worden geen grote tijdssprongen gemaakt.

Het verhaal begint met een proloog, de verzen 1 tot en met 14, waarin de schrijver zich tot het publiek richt.

Het is een inleiding op het verhaal dat komen gaat; er wordt uitgelegd dat koning Karel in bed ligt en dat er morgen een hofdag zal zijn, maar ook wordt er nadruk op gelegd dat dit verhaal echt gebeurd is. (Fraaie historie ende al waar / Mag ik u tellen, hoort ernaar (vs. 1-2) en Hoort hier wonder ende waarhede (vs.8)). Dit wordt gedaan om duidelijk te maken dat men er een voorbeeld aan moet nemen.

Het eigenlijke verhaal begint met vers 15 met de opdracht van God dat Karel moet gaan stelen. Hij zal wel gevolg moeten geven aan die Goddelijke opdracht, maar dan overtreedt Karel wel zijn eigen wetten. Hij staat dus voor een moelijke keuze. Dit is dan ook het motorisch moment, vanaf nu volgen de gebeurtenissen elkaar op. Het eigenlijke verhaal eindigt met vers 1402.

Vervolgens richt de schrijver zich in een epiloog, vers 1403 tot en met 1414, nog een keer tot het publiek; hij vertelt in het kort de afloop van het verhaal (Nu wil ik korten deze dink. (vs. 1402)) en sluit af met de wens dat God iedereen zal helpen. (Dus moete God al onze zaken / Voor onze dood te goede maken! / Des gonne ons die Hemelse Vader! / Nu zeget Amen allegader. (vs. 1411-1414)).

Het centrale probleem is aan het einde van het verhaal opgelost, het verhaal heeft dus een gesloten einde.

Er is een goede samenhang van de onderdelen. Alle motieven, de ontdekking van de samenzwering, het feit dat God je helpt als je in Hem blijft vertouwen en het zegevieren van het recht verwijzen naar het thema, de tegenstelling tussen riddereer en trouw en ontrouw en verraad.





Taalgebruik en stijl



In de Middeleeuwen waren boeken erg kostbaar en dus werden verhalen vaak niet opgeschreven en gelezen, maar doorverteld. Om het makkelijker te maken de verhalen te onthouden, werden ze in dichtvorm geschreven. Zo had men bij het navertellen enig houvast.

Het verhaal Karel ende Elegast is in gepaard rijm geschreven, dat wil zeggen dat de verzen twee aan twee rijmen (aabbcc enz.). Het komt echter zelden voor dat er, alleen maar om alles juist te laten rijmen, een paar overbodige woorden of zelfs een heel overbodig vers is ingevoegd.

De verzen zelf zijn vrij kort, maar de zinnen hebben verschillende lengtes. Sommige zinnen beslaan maar één vers, anderen een aantal. Hoewel de langere zinnen wat ingewikkelder opgebouwd zijn en de tekst oorspronkelijk in het Middelnederlands is geschreven (de versie die ik heb gebruikt is aangepast aan de hedendaagse spelling), is alles over het algemeen wel goed te begrijpen.

De beschrijving van de gebeurtenissen wordt goed afgewisseld met dialogen en gedachten. Ook bevat het verhaal een aantal gebeden. Het Christelijk taalgebruik in die gebeden slaat terug op de thematiek.











Tekstbeleving



Het onderwerp van Karel ende Elegast, riddereer en trouw tegen ontrouw en verraad, was in de Middelleeuwen geen origineel onderwerp. Het ging dan ook niet om de originaliteit, maar om het didactisch en moraliserende karakter van een tekst.

Tegenwoordig komt dit thema nog zelden voor, maar juist doordat het buiten mijn belevingswereld ligt, spreekt het onderwerp mij wel aan.

De gebeurtenissen zijn wel wat ongeloofwaardig. Dat komt doordat gebeurtenissen die niet te verklaren zijn vroeger vaak aan God werden toegeschreven, wat natuurlijk ook samenhangt met het moraliserende karakter van de tekst.

Tijdens het lezen krijg je een goed beeld van de personages. Het verschil tussen Eggerik en Elegast is misschien wel wat zwart-wit, maar in de Middeleeuwen waren de karakters niet zo gecompliceerd. Hierdoor is het wel duidelijk hoe de personages in elkaar zitten en zijn hun reacties op de gebeurtenissen voorspelbaar.



Het verhaal begint meteen interessant, doordat Karel een opdracht krijgt die men niet verwacht. In plaats van de orde te handhaven, moet hij de orde gaan verstoren. Door de belangrijke keuze die Karel moet maken (gaan stelen of Gods bevel negeren), ben je direct benieuwd wat zijn reactie, en dus het vervolg van het verhaal, zal zijn.

Het slot is wel bevredigend, de samenzwering is immers verijdeld, de ‘goede’ wordt beloond en de ‘slechte’ wordt gestraft. Ik bleef echter nog wel met één vraag zitten. Er wordt namelijk niet verteld of Karel aan Elegast vertelt dat híj Adelbrecht was.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen