U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Gerard Reve - De Avonden.
Deze versie komt van http://www.studentsonly.nl/uittreksels/bv.asp?BvID=199 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3747 woorden.

Bibliografie
Ondertitel: Een winterverhaal

Eerste druk was in: 1947

Gelezen druk: 37ste druk 1989


Samenvatting
De avonden beschrijft de belevenissen en gedachten van de 23-jarige Frits van Egters gedurende de laatste tien dagen van het jaar 1946. Deze dagen worden beschreven in tien hoofdstukken. Elk hoofdstuk één dag.

Frits is een nogal neurotische jongen, die bij zijn ouders met wie hij op gespannen voet leeft. Overdag slijt hij zijn tijd 'op kantoor', waarover we niet verder worden ingelicht dan dat hij er kaarten uit een bak haalt en ze er later weer in zet. De avonden en zijn verdere vrije tijd vult hij veelal met het bezoeken van vrienden. Deze vrienden zijn, zo blijkt uit allerlei gemeenschappelijke herinneringen, voor het grootste deel voormalige schoolvrienden. Frits heeft het gymnasium bezocht maar niet afgemaakt, en bij herhaling blijkt dat hem dat behoorlijk dwars zit. Wat hij daarna gedaan heeft, is even onduidelijk als zijn kantoorbezigheden. Zo slecht als we over Frits' werk worden geïnformeerd, zo nauwkeurig licht de roman ons in over zijn vrijetijdsbestedingen - en aangezien 22 tot en met 31 december onder meer twee weekenden, twee kerstdagen en oudejaarsdag omvat, is er nogal wat vrije tijd te vullen. Thuis is Frits overwegend om te slapen of te eten. Veel andere redenen om daar te zijn, heeft hij overigens niet: gezelligheid is een schaars artikel in huize van Egters; zelfs de kerstdagen moeten het zonder de traditionele aankleding van een kerstboom of een speciale maaltijd doen. (De maaltijd op eerste kerstdag wordt, in tegenstelling tot die van de overige dagen, niet eens genoemd.) Regelmatig zijn zijn ouders uit, soms samen, soms ook gescheiden, klaarblijkelijk met ruzie. In het algemeen is de stemming weinig bemoedigend, al draagt Frits daar zelf zijn steentje aan bij. Als hij uitgaat, is dat, zoals hij zelf uitdrukt in hoofdstuk VIII, niet omdat hij ergens heen maar omdat hij ergens vandaan moet. Het contact met zijn vrienden verloopt via gesprekken die grotendeels bestaan uit 'sick jokes' en cliché opmerkingen. Favoriet is het onderwerp 'gruwelijke ziekten', meer in het algemeen 'lichamelijk verval', waarbij van Frits' kant vooral kaalhoofdigheid hoog genoteerd staat. Geleidelijk aan wordt duidelijk dat dit een soort 'fluiten in het donker'-tactiek is: stilte beklemt en zolang er gepraat wordt, ook al is het nauwelijks communicatief of informatief, valt er geen stilte. Evenzo wordt het des te duidelijker dat Frits zijn eigen angsten op deze wijze van zich af probeert te praten, door ze anderen aan te praten. Tot in het tiende hoofdstuk lijkt er weinig verandering in deze situatie te komen, maar het slot laat een duidelijke wending ten goede zien. Bij grondige lezing blijkt die wending trouwens door allerlei details voorbereid te zijn. Frits, die toch niet geheel onontvankelijk is voor de schone kanten van het leven, en die zich al een aantal malen 'gelukkig' heeft gevoeld (onder andere na het horen van muziek van Bach en na het zien van de film 'De groene weiden'), is gedurende de laatste dagen van het jaar steeds milder gestemd geraakt. Nadat hij op de zevende dag in kennelijke staat is thuisgekomen, laat hij zich positief uit tegenover zijn ouders ('Weinigen waarderen jullie goedheid. Ik zie het'). Aan het slot van het laatste hoofdstuk is Frits, nu nuchter, andermaal verzoeningsgezind. Ook zichzelf beschouwt hij dan blijkbaar niet meer als 'de mislukte'. Wanneer hij tenslotte in een diepe slaap valt, heeft hij zichzelf als vooruitzicht gesteld dat hij lééft, wat voor rampen en verschrikkingen er ook mogen komen. Als houvast voor het vervolg vat ik de tien hoofdstukken in het kort nog eens samen.

I. 'De lege uren, mompelde hij.'
Zondag 22 december 1946. Frits is om kwart voor zes wakker geworden, maar slaapt weer in. Een nare droom over een dode in huis achtervolgt hem.Uiteindelijk staat hij even over half acht op, dan 'wordt het geen bedorven dag', maar hij brengt de dag toch grotendeels in verveling door. Zijn broer Joop, die even langs komt, wordt meteen over zijn kaalheid geattaqueerd. 's Avonds bezoekt hij zijn vriend Louis Spanjaard, met wie hij gekke verhalen uitwisselt. Om kwart over negen gaat hij weer naar huis, om bij zichzelf te constateren dat de dag volledig mislukt is. In zijn slaap heeft hij weer een angstdroom, waarin hij concludeert dat er geen uitkomst is.

II. 'Jongere broer van Joop van Egters. De mislukte.'
Maandag 23 december. Frits blijkt overdag op een kantoor te werken, maar over zijn bezigheden of belevenissen aldaar worden wij niet ingelicht. Na het eten gaat hij bij zijn broer Joop en diens vrouw Ina op bezoek, om gedrieën naar een reünie van het Berendsgymnasium te gaan: een gegarandeerd mislukte avond. Frits blijkt de school na de vierde klas te hebben verlaten, wat hem nog steeds dwarszit. Thuisgekomen zet hij, letterlijk, zijn tanden in een Latijns leerboek, misschien wel uit woede omdat hij dat een paar jaar eerder niet figuurlijk heeft gedaan. Hij valt in slaap, droomt weer, maar kan zich, als hij even wakker wordt, daar weinig meer van herinneren.

III. 'Het is voor Pim, dus het beste is nog maar net goed genoeg.'
Dinsdag 24 december. De enige keer dat we iets over kantoor vernemen. In de middagpauze koopt Frits een cadeautje voor het zoontje van Jaap en Joosje Elderer, en terloops chocolade voor Pim, een dame van kantoor. Na het avondeten gaat hij naar Jaap, die pas laat op de avond thuiskomt. Zowel voor als na diens komst trakteert Frits het gezelschap op praatjes over allerlei ziekten; Jaap staat hem daarin overigens dapper terzijde. Bij thuiskomst gaat Frits direct naar bed, maar hij wordt wakker door een zenuwaanval van zijn moeder. Nadat hij weer is gaan slapen, droomt hij, zoals wel vaker, dat hij achtervolgd wordt.

IV. 'Hij stierf op Golgotha, wiedewiedewiet sjieng boem.'
Woensdag 25 december, eerste kerstdag. Frits staat pas na half elf op. Zijn ouders gaan op kerstvisite, en Frits krijgt een bezoek van een zekere Lande, die zijn nood komt klagen over Maurits Duivenis, een vriend die er blijkbaar misdadige praktijken op na houdt. Daarna komt Louis Spanjaard langs. Samen gaan ze 's middags naar een film, die echter tegenvalt. Ze eten bij Frits' ouders, maar de maaltijd is niet eens de moeite van het vermelden waard. Louis merkt later evenwel op dat hij over het menu niet te klagen heeft. 's Avonds gaat Frits op bezoek bij Walter Graafse, die op een spinet een partitia van Bach speelt, waar Frits verrukt van is. Hij gaat vroeg terug naar huis, en hoort vanuit zijn kamer zijn ouders ruzie maken. Daarna gaat hij naar bed, en droomt tot vroeg in de morgen.

V. 'De kleine zenuwlijder, handvat tot een fatsoenlijk leven.'
Donderdag 26 december, tweede kerstdag. Frits staat even voor half tien op. Bij het ontbijt is er al een ruzieachtige sfeer. De beide ouders verlaten apart het huis. Frits hoort een cantate van Bach op de radio, en voelt zich gelukkig. Daarna gaat hij wandelen, en komt hij Maurits Duivenis tegen, die ter verantwoording geroepen wordt. 's Avonds gaat hij bij Viktor Poort langs, die klassieke talen studeert, en bij Herman en Lidia inwoont. De avond wordt deels op Viktors kamer, deels bij Herman en Lidia doorgebracht. Bij het vertrek geeft Viktor Frits een boekje te leen, dat zeker zal bevallen. Thuis valt hij snel in slaap. 's Morgens om zes uur droomt hij van Lidia.

VI. 'Ik ben een kegel. Of een trechter, al naar je maar wilt.'
Vrijdag 27 december. Frits wil 's avonds naar de film, maar vindt geen van zijn vrienden bereid mee te gaan. Bij de bioscoop treft hij toevallig
Maurits, zodat hij toch gezelschap heeft, al is het dan niet het meest
gewenste. Na afloop gaat hij met Maurits mee naar diens kamer. Frits weet hem daar, in een van zijn treitergesprekken, nogal sadistische bekentenissen te ontlokken. Thuis leest hij in het boekje dat Viktor hem heeft meegegeven. Pas tegen half twee gaat hij slapen; hij droomt van een auto-ongeluk.

VII. 'Tocht is wind in huis.'
Zaterdag 28 december. 's Middags uit kantoor. Frits treft zijn ouders niet thuis. Met het oog op een wellicht late afloop van de avond legt hij zich even ten ruste, en gaat prompt dromen. 's Avonds bezoekt hij met Jaap, Joosje en Viktor een kroeg, waar hij het nut der wetenschap bediscussieert, en zich tegenover Viktor nogmaals over zijn mislukte schoolcarrière uitlaat. Danig aangeschoten komt hij thuis, waar hij tegenover zijn behulpzame ouders uiterst mild gestemd is. Hij slaapt zij roes uit zonder te dromen.

VIII. 'Ik voel me goed. Ik voel me beter. O wat voel ik me al beter.'
Zondag 29 december. Bij het opstaan wordt hem zijn dronkenschap alsnog ingepeperd, wat Frits de opmerking ontlokt dat hij weg wil, niet omdat hij ergens heen moet, maar omdat hij ergens vandaan moet. 's Middags maakt hij een wandelingetje naar de schoonouders van zijn broer Joop. In de avond bezoekt hij Bep Spanjaard, de zus van Louis, die hij allerlei angsten probeert aan te praten omdat ze alleen woont. Ook een eczeem aan haar been is een mooi aanknopingspunt voor verhalen over kwakzalvers. Bep nodigt hem uit voor de film 'De groene weiden', en geeft hem een wollen konijn te leen. Vóór negenen gaat hij weer naar huis; hij gaat vroeg naar bed, eb droomt dat hij zal verdrinken.

IX. 'Tanden poetsen is niet nodig; het is een avond van verzoening.'
Maandag 30 december. Frits is sinds hij het konijn heeft opmerkelijk verzoeningsgezind. Weliswaar wordt ene Eduard Hoogkamp, die hij bij Bep ontmoet, zonder omwegen 'een grote zak' genoemd en worden, zeer tegen de zin van Bep en Joosje, weer allerlei gruwelijke ziekten besproken, maar na het zien van de film 'De groene weiden' is Frits oprecht ontroerd. 's Nachts droomt hij, net als de eerste dag, van een dode die bij hem thuisbezorgd wordt.

X. 'Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.'
Dinsdag 31 december, oudejaarsdag. Uit kantoor ontmoet Frits Maurits, die hij de vraag voorlegt waarom een vrouw bang is voor een muis. Thuis legt hij zich even ten ruste, valt in slaap en droomt. Na het avondeten gaat hij nog even langs bij Louis, waar op de valreep nog eens sterke verhalen worden uitgewisseld. Vanaf acht uur blijft hij thuis, maar direct na twaalf uur gaat hij bij zijn vrienden langs, die hij echter geen van allen thuis treft. Onderweg naar huis roept hij, in een soort gebed, vergeving af over zijn ouders. Ook ten opzichte van zichzelf is hij, met behulp van het konijn, vergevingsgezind: hij komt tot de conclusie dat het leven niet zinloos is, en valt uiteindelijk in een diepe slaap. Op de laatste bladzijde ziet Frits pas in dat zijn angsten niet zo veel voorstellen. Althans hij bedenkt dat die angsten niet het belangrijkste zijn in het leven. Ik citeer een aantal regels: 'Ik leef,' fluisterde hij, 'ik adem. En ik beweeg. Ik adem, ik beweeg, dus ik leef. Wat kan er nog gebeuren? Er kunnen rampen komen, pijnen, verschrikkingen. Maar ik leef. Ik kan opgesloten zijn, of door gruwelijke ziekten worden bezocht. Maar steeds adem ik, en beweeg ik. En ik leef.'
'Alles is voorbij,' fluisterde hij, 'het is overgegaan. Het jaar is er niet meer. Konijn, ik ben levend. Is dat duidelijk? Welke beproevingen ook komen, ik leef.' Hij zoog de borst vol adem en stapte in bed. 'Het is gezien,' mompelde hij, 'het is niet onopgemerkt gebleven.' Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap.

Het is een gesloten slot. Na zoveel zieligheid van Frits, gaf het slot mij het gevoel alsof het vanaf dit moment beter zou gaan met Frits. Passen bij de rest van het boek doet het zeker.



PERSONAGES

De hoofdpersoon van De avonden is de 23-jarige Frits van Egters. Hij woont bij zijn ouders met wie hij op gespannen voet leeft. Hij is op het gymnasium geweest, maar heeft zijn studie niet voltooid: hij heeft nu een kantoorbaantje. Frits heeft een bijna neurotische belangstelling voor het lichamelijk verval - speciaal voor haaruitval - en laat dit vaak tot vervelens toe in gesprekken merken. Graag vertelt hij allerlei sadistische verhalen. Hij is wanhopig aan het proberen grip te krijgen op zijn eigen leven.

De vader van Frits is een nogal zwijgzame figuur die ook enigszins doof is. Toch is hij overgevoelig voor ieder geluid wat uit de radio komt.

De moeder van Frits is spraakzamer, maar echt contact heeft hij met haar ook niet.



TIJD

Het verhaal is geheel in de verleden tijd geschreven. De volgorde van de tijd van de hoofdstukken is gelijk aan het aantal dagen dat het verhaal zich afspeelt. Er zijn tien hoofdstukken, die elk een dag vertegenwoordigen. De vertelde tijd is dus ook tien dagen. De gebeurtenissen volgen elkaar chronologisch op met hier en daar een terugblik naar een droom of naar iets wat op een bepaalde dag eerder gebeurd is.



PERSPECTIEF

Frits' handelingen, gedachten en obsessies worden uitvoerig, men kan wel zeggen: tot vervelens toe, beschreven. Dit gebeurt vanuit het personaal perspectief.



RUIMTE

De handelingen spelen zich af in een aantal verschillende ruimtes. Het meest in het huis van de familie van Egters. Verder wandelt Frits nog een aantal keer langs de grachten en zit hij in huizen van vrienden. Eén keer gaat hij naar zijn oude school voor een reünie en twee keer naar een voorstelling of film. Al deze verschillende ruimten benadrukken volgens mij nog meer de leegte en de eenzaamheid van het leven van Frits ook al zijn het niet echt ruimten die een hele nadrukkelijke rol spelen in het verhaal.



TAAL EN STIJL

Ongeveer 80% van het boek bestaat uit hetzij dialoog tussen Frits en zijn vrienden hetzij monologue intérieur van Frits. Reve zelf heeft zo'n beetje een eigen taalwereld (als je hem hoort spreken in bijvoorbeeld een interview). Het is deze zelfde vaak geheten 'stadhuistaal' die Frits van Egters samen met zijn vrienden hanteert en aangezien 80% van het boek daaruit bestaat, bepaalt dit taalgebruik het boek in hoge mate. Reve zal dit niet zomaar gedaan hebben. Je merkt bijvoorbeeld dat het een groepstaal is, het is een taal die bindt en scheidt. Frits'ouders vallen er buiten, ze begrijpen hun zoon vaak ook niet. Eigenlijk kan hij net zo goed wartaal praten, en dat doet hij dan ook soms:

'Abadiba didonkolo bolde netsowan intedus, vader,' zei hij, 'igatedo bewank dedestel.' 'Wat?' vroeg de man, zich naar hem toe buigend. 'Vader,' vroeg Frits, 'hoe oud was je, toen je naar de fabriek ging?' (blz. 156).

De vrienden spreken elkaars taal, waar de vrouwen (Bep, Joosje) zich van tijd tot tijd aan ergeren, omdat ze zich buitengesloten voelen.

Zoals ik al heb uitgelegd past de stijl van Gerard Reve in De avonden in de Cobra-richting. Het is geen moeilijk leesbaar boek. Qua zinsbouw is het gemakkelijk toegankelijk. Reve heeft geen mooie zinnen nodig om je het boek bij te blijven. Het boek in zijn totaliteit zal indruk maken. Mede door de hoge graad van realisme



GENRE

De avonden is een autobiografie. Reve zelf is de eerste geweest om toe te geven dat er in het boek geen woord gelogen is. Als er één woord gelogen is dan is dat wel het laatste woord van de zin voorin de roman: 'Elke gelijkenis van figuren of voorvallen in dit verhaal met werkelijke personen of gebeurtenissen is toevallig.' De kracht van het boek is niet zozeer dat het daarin beschrevene zoveel gemeen heeft met een aantal werkelijke gebeurtenissen uit Amsterdam in 1946, maar dat er zoveel lezers zijn die er hún 'gelijkenis in figuren en voorvallen' in herkennen. Dit is te verklaren, omdat Reve in het boek eigenlijk zijn geest blootgeeft. Hij heeft De avonden geschreven op aanraden van zijn psychiater. Je zou het mentaal exhibitionisme kunnen noemen.



ACHTERGROND

Ik weet niet precies wat met deze vraag bedoeld wordt. De stijl van Reve past in de kunst stromin Cobra. Het boek behoort tot de na-oorlogse literatuur.



THEMA

Volgens mij is de kwestie die in het hele boek bij Frits speelt: angst.
Frits'angsten zijn die van de adolescent die op het punt staat de jeugd
achter zich te laten. Hij staat alleen in zijn sprong naar volwassenheid. En ook bij de gedachte aan het nut van het bestaan overvalt hem een grote angst. Hij probeert zijn angsten te bestrijden en te verbergen door er voortdurend over te praten. Want alles is beter dan zwijgen. Daarbij projecteert hij zijn angstgevoelens op anderen om ze daarmee van zich af te zetten. Hij vertelt zo luchtig mogelijk over bijvoorbeeld kaalheid, omdat hij zijn angsten niet durft bloot te geven. In het volgende citaat komt dit duidelijk naar voren.

'Je begint aardig kaal te worden,' zei Frits. Hij bekeek bij Joop voor op de schedel de haargrens, die aan beide zijden boven het voorhoofd een flink stuk was achteruitgedrongen. 'Dat mag je graag met een zekere triomf zeggen, merk ik,' zei Joop. (blz. 17 en 18)

Zijn angsten voor kaalheid en volwassenheid gaan gepaard met angsten voor lichamelijk verval en de dood. Hij uit dit in het vertellen van 'sick jokes' oftewel sadistische verhalen.



MOTIEVEN

De motieven in De Avonden zijn nauw verbonden met het thema. Het zijn eigenlijk termen van angst. Als belangrijkste motieven wil ik
onderscheiden:

1 Frits' angst voor geleerdheid en wetenschap. Clichés zoals 'De moderne wetenschap staat voor niets' (blz. 95) en 'Denk je eens in, dat ze met al hun wetenschap nog niet eens een doodgewone zandkorrel kunnen maken' (blz. 119) zijn dodelijk. Dit motief is positiever te formuleren als Frits' hang naar religie; uitspraken als 'God zal je leiden' en 'Gods werken zijn groot' (respectievelijk blz. 78 en 88) klinken minder ironisch.

2 Frits'angst voor wanorde en slordigheid. Dit uit zich in een haast neurotisch reinheidscomplex. Tanden worden secuur gepoetst, kleren netjes over de stoelleuning gehangen, vrienden en ouders worden voortdurend op kleding, eetgewoonten en dergelijke beoordeeld. Het is een ordeningsmanie van iemand die zo zijn wereld overzichtelijk probeert te maken.

3 Frits' angst voor de spiegel. Kijkend in de spiegel staat hij immers oog in oog met zijn eigen sterfelijkheid en verval. In feite fungeert de roman
voor de lezer zoals de spiegel voor Frits: als een 'spiegel van het menselijk bedrijf'.

4 Frits' angstdromen, die veelal een nachtelijke afspiegeling zijn van zijn
angsten overdag. Niet voor niets wordt hij steevast badend in het zweet wakker. Hij droomt en spreekt meer dan eens over eenzaam achtergelaten worden (bijvoorbeeld aan het eind van hoofdstuk VII, in de droom over de zandschuit, en in hoofdstuk IX, vlak voor het bezoek aan de film 'De groene weiden', over het achterblijven op een leeg station).

5 Frits' angst voor leegte en stilte. De roman beschrijft de leegheid van Frits' vrijetijdsbestedingen en, hoe kort ook (maar des te pijnlijker), van zijn kantoorbestaan. Het toont hoe vol het bestaan is van leegheid, bijvoorbeeld door de aaneenschakeling van 'nutteloze gesprekken' en door de obsederende aandacht voor het verstrijken van de tijd ('De lege uren, mompelde hij'). Er wordt weinig gezwegen, want stilte leidt tot bezinning, maar tegelijk veel verzwegen: zo is de seksualiteit in stilte aanwezig in Frits' pesterijtjes over ziekten, en in het bekijken en betasten van het eigen lichaam.

6 Frits' angst voor lichamelijk verval, waarvan kaalheid kennelijk een vreesaanjagend voorbeeld is. In zijn angst voor volwassenheid, en daarmee voor de dood, stelt hij voortdurend de dood aan de orde, of diens voorboden. Zoals hij zich krampachtig vastklampt aan zijn vrienden (die niet zelden vrolijk meedoen, en dus ook niet geheel vrij van zijn angsten), zo zet hij zich omgekeerd af tegen zijn ouders, die de belichaming zijn van zijn volwassenheid, eenzaamheid en verval, kortom voor al datgene waarvoor hij zo bevreesd is.



TITEL

De avonden is een titel die ik echt bij het boek vind passen. 's Avonds komen Frits' eenzaamheid en wanhoop het meest naar buiten. Hij vindt het belangrijk dat de avond 'slaagt'. Bijna iedere avond bezoekt hij een vriend. Als hij een avond niets doet of het is niet gezellig met zijn vrienden, komt hij chagrijnig thuis. Het is geen geslaagde avond geweest. Bovendien worden grotendeels de belevenissen 's avonds van Frits beschreven. Wat hij overdag op kantoor meemaakt (het zal niet veel zijn) wordt achterwege gelaten.

De ondertitel Een winterverhaal lijkt me duidelijk. De gebeurtenissen spelen zich af in de winter van 1946.



WERELDBEELD

De mens in De avonden is (uitgaande van Frits) eenzaam en angstig. Het geloof speelde volgens mij in het algemeen toen een grotere rol dan het nu speelt. Men had meer vertrouwen in god dan in de mens en de wetenschap. De Tweede Wereldoorlog zal daar wel toe hebben bijgedragen.

Frits kijkt zeer negatief aan tegen de dood. Hij is bang voor de dood. Maar weet ook niet waarom hij leeft. Pas op de laatste bladzijde ontdekt hij echt dat het er niet zozeer om gaat waarom hij leeft, maar dát hij leeft. Eerder in het boek krijgt de lezer kleine hints die op een ommekeer zullen duiden. Zoals bijvoorbeeld het konijn, waardoor Frits iets gelukkiger wordt. Ik neem aan dat de ideeën van Frits over leven en dood ook aan de mens in het algemeen toegekend kunnen worden. Misschien wel in iets mider hevige mate. Aangezien Frits echte angsten heeft.



EIGEN MENING

De avonden was voor mij geen boek om in een ruk uit te lezen. De manier waarop Frits over de zin van het leven nadenkt is voor mij denk ik iets te zwaar. Ik heb niet dat gevoel van Frits dat ik grip wil krijgen op mijn leven. Ik bevindt me niet in leegte en wanhoop. De dagelijkse realiteit herken ik wel. Niet alleen vanuit mijn leven, maar ook vanuit dat van anderen. Maar me echt identificeren met Frits kan ik niet. Misschien dat ik daarom niet zo van het boek genoten heb als bijvoorbeeld meneer Leeman die zich er tijdens de les over uitliet dat hij het zo'n prachtig boek vond. En het al meerdere keren gelezen had.

Het verhaal zelf interesseerde mij ook niet echt. Er gebeurt niks. Er is geen sprake van een spannende verhaallijn zoals bijvoorbeeld in het boek De aanslag van Harry Mulisch. Dat weet je echt alle bladzijden geboeid te houden. Ik zal niet zeggen dat het een slecht boek is. Integendeel. Ik kan best wat punten verzinnen die ik toch wel leuk vond aan het boek. Zoals bijvoorbeeld bepaalde zinnetjes van Frits en zijn vrienden. De gebruikte taal is opmerkelijk. 'Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven,' of 'Wat een drukte, de bel staat gewoonweg geen ogenblik stil.' Dit soort uitspraken kan ik wel waarderen. Ook kan ik begrijpen dat ander mensen het boek prachtig vinden. Misschien dat ik als ik het over een paar jaar herlees er wel hetzelfde over denk, maar op het moment ben ik meer in voor een avontuurlijker boek.


Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen