U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Maarten 't Hart - De Aansprekers.
Deze versie komt van http://huiswerk.leerlingen.com/boekverslag/21567/ en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1657 woorden.

De Aansprekers.

Roman van vader en zoon.

Maarten 't Hart , De aansprekers , ondertitel : Roman van vader en zoon , De Arbeiderspers Amsterdam , eerste druk ' 79.



Pagina's : 205 pagina's



Thema :



Het boek gaat over de onvermijdelijke dood.



Vertelwijze :



Het verhaal is geheel autobiografisch geschreven. De verteller, in dit geval Maarten vertelt wat hij heeft meegemaakt. De lezer kan het verhaal door de ogen van Maarten zien gebeuren.





Titel en motto :



De titel "De aansprekers" duid erop dat in het boek ergens iemand aan een ander moet gaan vertellen dat er een familielid is gestorven. In dit geval moet Maarten zijn moeder gaan vertellen dat haar man is overleden. Er is een motto aanwezig in de vorm van een kort gedicht. De herkomst van het gedicht wordt niet genoemd.



Opbouw :



Er zijn 12 hoofdstukken die die allemaal een ander titel hebben, deze luiden :



1. De havenkade



2. Het bezoekuur



3. De gestreepte paden



4. De donkere avonden



5. In het baarhuis



6. Het incident en de droom



7. Het hemels magazijn



8. De helikopter



9. De ontruiming



10. De vlucht voor drie oktober



11. Henoch



12. De monitor





Personages :



Hoewel er meer personages in het verhaal meespelen, is De aansprekers toch hoofdzakelijk een roman over de verhouding tussen een vader en zijn zoon.



Vader : Pau 't Hart is 57 als hij overlijdt. Hij is een man van uitersten: soms keihard, soms kinderlijk sentimenteel. Hij heeft zijn zoon een Spartaanse opvoeding gegeven, omdat hij niet wilde dat er een slap ventje uit hem zou opgroeien. In feite heeft hij nooit afgerekend met de vernederingen die hij zelf in zijn jeugd heeft ondergaan.



Zoon : Maarten is de enige zoon van zijn vader. Hij houdt van literatuur en klassieke muziek. Hij werkte aan de Leidse universiteit. Zij vader vindt Maarten maar een slapjanus, 'een echte Tom Pinch'.



Historische tijd :



Het verhaal beschrijft de relatie van Maarten en zijn vader van toen Maarten een kleine jongen was tot de dood van zijn vader op 57 jarige leeftijd.



Ruimte :



Maassluis speelt in het verhaal een belangrijke rol. Daar liggen de jeugdherinneringen van de hoofdpersoon. Verder moeten hier de bergen van Zwitserland worden genoemd.



De immense ruimte geeft de hoofdpersoon de kracht het naderende overlijden van zijn vader te



accepteren.





Perspectief :



De lezer kan het verhaal voortdurend volgen door de ogen van Maarten de hoofdpersoon.





Literaire theorie :



Dit roman is een autobiografisch werk.





Eigen Mening :



Ik vond dit een heel leuk boek om te lezen. Volgens mij omdat ieder hoofdstuk ergens anders over ging, de hoofdstukken hadden niet veel met elkaar te maken daardoor wordt het niet zo'n langdradig verhaal waar je zo moe van wordt als het leest. Het verhaal is wel droevig te noemen maar het sprak me wel aan. Ik vond alleen het hoofdstuk waarin wordt beschreven hoe Maarten als klein kind denkt dat hij wordt achtervolgt door God een beetje eentonig. Aan het begin vond ik het boek een beetje verwarrend omdat ik niet doorhad dat het om een droom ging toen Maarten van de kade afgleed.





Samenvatting :



De ik-figuur Maarten keert een jaar na de dood van zijn vader terug naar Maassluis. Hij wordt gedreven door dromen, tekenen dat hij de dood van zijn vader niet verwerkt heeft, dromen over 'schepen die geluidloos weken van de kade voordat ik aan boord had kunnen gaan'. Het ijzelt, de kade van Maassluis is spekglad. Maarten begint over het hellende plaveisel naar de havenkant te glijden, 'domweg gedoemd' om door 'dit onvermijdelijke glijden' in het water terecht te komen. Gevoelens van paniek wisselen af met gelukzalige helderheid. Tijdens het glijden zoekt Maarten een oplossing om aan de dood in het water te ontkomen. Hij stuurt voorzichtig bij, komt met zijn voeten tegen een meerpaal en laat zich langs die paal naar beneden zakken op een dwarsbalk vlak boven het water. De balk is niet glad dankzij de zoutaanslag van het water. Hij kan zich redden. Daar waar de kade afhelt naar de buizen krabbelt Maarten naar boven. Alles in het stadje is tot stilstand gekomen in een soort dodelijke verstarring. De enige beweging is die van de regendruppels die langs de straatlantaarns naar beneden glijden. Daaruit put hij de kracht om als enige verder te schuifelen, 'onbevreest voor de val'. Na dit vooruitgeschoven hoofdstuk - over de aanvaarding van vaders dood met behulp van de zelfredzaamheid in het eigen leven - volgt het chronologische verhaal over de vader tot aan diens dood een jaar voor de gebeurtenissen in het eerste hoofdstuk. In Drenthe, waar Maarten en zijn vrouw Hanneke met vakantie zijn, krijgen ze een alarmerend telefoontje: vader moet acuut aan zijn maag worden geopereerd. Maarten reist naar het ziekenhuis en hoort diens sterke verhalen aan over de vele flessen bloed die hem zijn toegediend. Naast vader ligt de oude Thijs Loosjes, die al bijna 50 jaar verloofd is en daarom gelooft hij niet dat hij dood zal gaan. Maarten accepteerd niet dat zijn vader zal sterven, maar hij voelt het onheil naderen: er is bij het onderzoek een groot bloedvat gesprongen. De volgende dag gaat Maarten naar de begraafplaats waar zijn vader grafmaker is. Hij zet de motor voor de grongwaterregeling aan en voelt zich weer helemaal in de sfeer van zijn jeugd. Zonder aarzelen vindt hij in de kapel in de bijbel psalm 91: 'De in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, die zal vernachten in de schaduw van de Almachtige'. Hoewel hij niet meer gelovig is, maken de woorden indruk op hem. Na de operatie hoort Maarten van de huisarts dat zijn vader geen maagkwaal heeft, maar kanker aan de alvleesklier, en dat hij nog een half jaar te leven heeft. Maarten kan het niet accepteren, uit verdriet niet, maar ook uit angst niet. 'Zolang hij niet dood was, kon ik niet sterven, maar als hij zou sterven was ik vervolgens aan de beurt'. Somber zit hij in de huiskamer, nu al bezig met de aanstaande rouw. Hij sluipt om het ouderlijk huis en ziet zijn vader en moeder aan tafel zitten bidden . 'Het was toch ondenkbaar dat ze eens zouden ophouden te bestaan. Op de donkere avonden die volden, vindt hij nergens troost, niet bij zijn boeken, niet bij Bach of Mozart of de gedichten van Bloem, omdat die helemaal voor zijn vader niets te betekenen hebben. Op een dag gaat hij naar de begraafplaats van Maassluis, waar zijn vader weer vol levenslust aan het werk is. Als vanouds vertelt hij zijn zoon cruë verhalen over lijken en graven en opeens is hij met hem in een felle discussie gewikkeld over het geloof, vooral over de vraag of Hitler vergeving gekregen zou hebben als hij zich vlak voor zijn dood bekeerd had. In de plaats van de vader, die niet weet wat zijn kwaal is, maakt de zoon en stervensproces door. Na de somberheid van de eerste fase komt de tweede fase: agressie tegen de naderende dood van zijn vader. Hij koelt zijn woede op oude mannen die hij ontmoet en die ouder zijn dan zijn vader ooit worden zal. Om tot rust te komen gaan Maarten en Hanneke op vakantie naar het Zwitserse Binntal. Maar in de droom verlaat het probleem van de dood hem niet. Kleine gebeurtenissen krijgen een doodskarakter. Een doodlopend spoor in de sneeuw herinnert hem aan een spoor dat hij jaren geleden in Maassluis zag doodlopen op de havenkade. Dat spoor is voor hem verbonden met het verhaal van zijn vader over de man die in de winter zelfmoord wilde plegen. De vader wist hem ervan te weerhouden, maar in het voorjaar kwam de man terug en hing zich op. Deze flash-back krijgt in de roman zijn tegenhanger, wanneer in het Binntal een helikopter een dode jongen uit de rivier haalt. Bovendien herinneren de vele mineraalkloppers Maarten onweerstaanbaar aan de grafsteenhouwer uit Maassluis. Dit leidt een tweede flash-back in. Samen met de steenhouwer moet vader een oud graf ruimen. Maarten is nog een jongen, maar hij mag erbij zijn. Vreemd genoeg kunnen de mannen de steen niet van het graf krijgen. Het lukt de jongen wel, met een onverhoedse beweging. Bij het graf vinden ze een botje. Maarten houdt het een moment in zijn hand, het verschrikt hem dodelijk. Ik zou ook eenmaal zo zijn, dat voelde ik opeens. Na de vakantie in Zwitserland treedt bij Maarten de derde fase van het plaatsvervangend stervensproces in. Na de somberheid en de agressie komt tot berusting. Opnieuw gaat hij naar de begraafplaats in Maassluis, nu om zijn vader voorzichtig in te lichten over diens ziekte, maar dat lukt hem niet. Het leven is veel krachtiger. De vader is vrolijk, er zijn jonge steenuiltjes, bezoekers komen storen. En als de vader zelf over de dood begint, ontkent de zoon dat het al gauw zover is. In de derde flash-back vertelt Maarten hoe hij als klein jongetje de dood ontliep toen hij wegvluchte van de begrafenispaarden en naar zijn vader liep die toen nog tuinderknecht was en ver weg op een tuin werkte. Onderweg dacht het jochie na over God. Hij hield veel van God, hij wilde ook graag met God wandelen, net als Henoch, maar hij wilde niet als Henoch weggenomen worden. Zou God de man zijn die hem al een paar keer voorbij gefietst was? Dan moest hij hem ontlopen. Liever ging hij dan mee met de bereboer, die hem dichter bij vader bracht. Wat was vader blij en trots dat Maarten het hele eind naar hem toe was komen lopen. Maar ik wist dat ik had verloren en God niet waardig was want ik hield, daarvan was ik mij bewust, meer, veel meer van mijn vader dan van God'. God werd opeens de dreigende, de vlammende zon, de engel met het scherpe zwaard. Na deze terugblik volgt het laatste hoofdstuk, waarin de vader sterft aan een hartaanval.





Secundaire literatuur :



De aansprekers



Supplement '96/'97



Lexicon van literaire werken

Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen