U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Johan Fabricius - De Heilige Paarden.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/1280 en is laatst upgedate op 03/10/1999.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3871 woorden.

Titel

De heilige paarden



Auteur

Johan Fabricius



1Ste druk

1959



Onderwerp

Verzet van de Soembanese inboorlingen tegen het nieuwe Hollandse gezag



Thema

Eenzaamheid, eer, trouw, nationalisme, wraak, conservatisme



Verhaal

Op een dag komt een van Oemboe Karai's (het stamhoofd van een bepaalde soembanese stam) erachter dat de heilige paarden, bedoeld om met het stamhoofd mee het graf in te gaan, gestolen zijn. Als Oemboe Karai het te horen krijgt, besluit hij gelijk om een vergeldingsactie op te zetten tegen de waarschijnlijke dieven, de Kodinezen, een buur stam. Hij geeft de leiding aan Oemboe Pomboe, een van zijn dorpshoofden. Pomboe gaat er op uit met een groep van 100 krijgers, en vermoordt iedereen in het stamdorp van de Kodinezen, maar Oemboe-nai-Landoe, het stamhoofd van de Kodiniezen, ontkomt. Pomboe eist een van de geroofde slavinen, Maja, voor zich zelf op, omdat hij verliefd is op haar.



Het volk van Pomboe viert feest, maar de ontkomen Oemboe-nai-Landoe, vlucht naar de Hollandse nederzetting, en gaat beklag doen bij de Heer Die De Vlag Bewaakt, de gouverneur dus. Die stuurt een bode naar Oemboe Karai en Pomboe, die de bode uitlachen en vernederen, omdat ze weten dat de gouverneur toch geen soldaten heeft. Het gewone leven gaat rustig door, totdat er op een gegeven moment een groep soldaten over komt. Er wordt weer een bode gestuurd, maar alweer zonder effect, dus gaat de groep soldaten er op uit, om de leiders van de stam op te pakken. Die gaan echter naar het oorspronkelijk, al lang verlaten stamdorp in de bergen, omdat daar hun beschermgeest zou zijn, die de Hollandse soldaten wel aan zou kunnen. Pomboe neemt zijn oudste zoon, Hamboe , ook mee de bergen in. De priester, Habokoe, roept iedereen op om niks te doen als de soldaten komen, de beschermgeest rekent immers wel met de soldaten af. De soldaten hebben echter 'verdragende geweren' bij zich, en de geest komt niet opdagen. Als de ene helft van de groep soldaten de heuvel, waar het dorp op staat, blijft de andere helft beneden achter om rugdekking te geven. Pomboe en de zijnen vergeten echter helemaal de 2e groep, en concentreren zich helemaal op de groep oprukkende soldaten. Pomboe beveelt om geen speer te werpen voordat hij dat doet, maar Hamboe, zijn zoon, kan de verleiding niet weerstaan, en wil graag indruk maken op zijn vader, en werpt zijn speer, naar Luitenant Berends, de leider. Diens hoornblazer duwt Berends net op tijd weg, zodat niemand geraakt wordt. De groep beneden echter, opent hierop het vuur, en Hamboe valt neer. Pomboe gooit daarop zijn speer naar Berends, maar bedenkt zich op het allerlaatst, en mikt op de hoornblazer. De hoornblazer, Berends' lieveling, sterft terplekke. Pomboe vlucht weg met het lijk van zijn zoon, en ziet nog net hoe de rest van zijn troep zich overgeeft. Beneden staat Anakami, zijn lijfslaaf, met een paard op hem te wachten. Pomboe stuurt Anakami met het lijk van Hamboe naar diens moeder, om hem te begraven. Zelf gaat hij naar een tuinhuis, diep verborgen in het woud, waar hij Maja van te voren had verborgen. Samen met Maja, en de inmiddels teruggekeerde Anakami, vlucht hij de bergen in, waar hij zich verschuilt in de verschillende bergdorpen, waar men heb als een held ontvangt. Hier is waar het eigenlijk verhaal begint. Van spionnen komt Pomboe te weten, dat de andere stamhoofden zich hebben overgegeven, en een boete hebben betaald aan Omboe-nai-Landoe. Pomboe is te trotst om zich over te geven, dus besluit hij om in de bergen te blijven.



Habokoe, de priester, was gewond geraakt tijdens het gevecht, en is door de blanken meegenomen en verzorgt. Zij hebben zijn been afgezaagd , en er een houten been op gezet. Habokoe is erg onder de indruk van de blanken, vooral van Wierdsma, de arts/missionaris.



Maandenlang trekt hij samen met Maja en Anakami van dorp naar dorp, en de groep soldaten onder leiding van Berends, blijft hem maar achtervolgen en zoeken. Dat heeft niet echt veel effect, omdat men Pomboe als een held beschouwd, en liever sterft dan de schuilplaats van Pomboe te verraden. Op een gegeven moment wordt Berends ernstig ziek, en vertrekt weer naar Java, de leiding overlatend op een 'rosharige sergeant' en een luitenant. De groep onder leiding van de luitenant blijft op de loer liggen bij Pomboe's thuis dorp, terwijl de andere groep actief op jacht gaat naar Pomboe. Het lange alleenzijn doet Pomboe echter geen goed, hij gaat zich eenzaam voelen, en besluit om het erop te wagen, en een bezoekje aan zijn eigen dorp te wagen. Hij wordt daar als een held ontvangen. Hij kwam eigenlijk om Pati, zijn lievelingszoon, van zijn lievelingsvrouw Dahi Waha, op te halen, maar om Dahi Waha een plezier te doen, bedenkt hij zich. De volgende ochtend vroeg vertrekt hij meteen. Later hoort hij dat direct nadat hij vertrokken was de rosharige sergeant het dorp binnengetrokken was en op wrede manier de mensen ondervroeg.



Op een gegeven moment weet hij niet meer of hij zich moet overgeven of zich blijven verbergen, dus besluit hij zijn leider, Oemboe Karai, op te zoeken in het stamdorp. Daar wordt hij weer met een groot feest ontvangen, men ziet hem nog steeds als held. Het gesprek met Oemboe Karai wel echter wil niet echt opschieten, en als die dan eindelijk over de kwestie begint, laat hij doorschemeren dat hij eigenlijk vindt dat hij zich zou moeten overgeven. Pomboe is erg teleurgesteld in zijn leider, die hem niet steunt. Pomboe keert terug naar de bergen, waar hij alles verteld aan Anakami en Maja. Anakami komt ineens op het idee dat de Heer Der Medicijnen (Wierdsma), Pomboe misschien zou kunnen helpen. Hij kan de gedachte niet wegzetten en vraagt aan Pomboe toestemming om naar zijn dorp te mogen, om zogenaamd zijn vrouw terug te zien. Pomboe vindt dat wel vermakelijk en keurt het goed. Anakami gaat echter helemaal niet naar het dorp, maar galoppeert rechtstreeks naar dr. Wierdsma. Die stelt voor om Pomboe zelf te laten komen, maar dat zou die toch nooit willen. Ze stemmen erin toe om een afspraak te maken ergens op een anonieme plek. Anakami keert daarna terug naar zijn meester, en verteld hem dat hij niet naar huis is geweest, maar naar De Heer Der Medicijnen. Pomboe's wordt daarop zo kwaad dat hij probeert Anakami te wurgen, maar Maja weet hem tot rede te praten, en daarop luistert hij naar wat Anakami te vertellen heeft.



" 'Ik wilde U alleen maar helpen, heer! U kunt toch niet uw ganse leven blijven rondzwerven, van het ene bergdorp naar het andere, steeds ver van huis? De Heer Der Medicijnen is bereid u hier te bezoeken, zonder dat de rosharige sergeant of de Harahá ervan vernemen!' 'Mij hier te bezoeken…! Heb je hem dan gezegd waar ik ben, rampzalige?' 'Neen, heer, hij vroeg er zelfs niet naar! Als u hem wilde ontvangen, zou hij zich door mij hierheen laten brengen, zonder er met wie dan ook over te spreken!'

'Misschien weet de Heer Der Medicijnen raad…'zei Maja. "
p(170)



Uiteindelijk besluit Pomboe op het voorstel in te gaan, en stuurt Anakami terug naar Wierdsma. Na een vermoeiende reis ontmoetten ze elkaar uiteindelijk in een totaal verborgen dorpje in de bergen. Pomboe verschijnt met een groepje krijgers in de poort, en het feest begint. De volgende dag beginnen de onderhandelingen.



" Hij zou misschien wel bereid zijn naar Waingapoe te gaan en daar zijn duim op het papier te drukken, mits hij tevoren precies wist waar hij aan toe was. Vast stond dat de soldaten hem nooit zouden vinden; slechts zijn vrijwillige overgave kon een eind aan al hun vermoeienis maken; hij meende daarom zijn voorwaarden te kunnen stellen. Hoe zou zijn straf uitvallen? Zou de Heer Van De Vlag genoegen nemen met een schadevergoeding, zoals hoofden die betaald hadden? " (p 194)



Wierdsma vertelt hem hierop dat hij daarover niet kan beslissen, en dan komt de kwestie Maja ter sprake : zei is eigenlijk het rechtmatig eigendom van Oemboe-nai-Landoe, van wie Pomboe haar geroofd had. Pomboe stelt voor om voor haar te betalen, ze is immers een slavin. Pomboe en Wierdsma kunnen het niet eens worden, Wierdsma oppert dat hij wellicht ooit nog eens verraden zou kunnen worden door zijn eigen mensen, waarop Pomboe gelijk naar zijn zwaard grijpt, maar weer tot rede gebracht wordt.



" Na een lange zelfstrijd zei Pomboe: 'Aan u zou ik mij desnoods willen onderwerpen.' 'Aan mij?' Wierdsma kon een lach niet onderdrukken. 'Maar ik ben toch je vriend! Aan mij behoef je je niet te onderwerpen! Deze zaak gaat tussen jou en de Witte Heer die hier de Vlag van de Kompenie bewaakt. Meld je bij hem. Hij zal niet anders spreken dan ik.' 'Als ik mij zou onderwerpen, dàn slechts aan u, ' hield Pomboe halsstarrig vol. 'De Heer te Waingapoe heb ik nooit gezien. De rosharige sergeant heeft een zo koude blik dat men de adem er bij verliest'. " (p 200)



Uiteindelijk besluiten ze dat Wierdsma terug zal gaan, om te overleggen met de Harahá, waarna Anakami naar Wierdsma zal gaan om de Harahá's antwoord over te brengen. Wierdsma oppert nog even om Pati, Pomboe's zoon en troonopvolger, bij hem in de leer te laten gaan om het te leren lezen en schrijven. Dat zou wellicht vanpas kunnen komen als hij later zijn vader moest opvolgen, wat volgens de oude Soembanese adat (traditie) pas gebeurd nadat de vader is overleden. Die nacht krijgt Pomboe de vreemde droom dat iemand anders op zijn plaats zit…



Na afloop van de onderhandelingen keert Pomboe met zijn krijgers nog een keer terug naar zijn dorp, waar ze met gejuich worden ontvangen. Als Pomboe de volgende dag weer bij zonsopgang vertrekt, komen niet lang daarna de sergeant en diens soldaten naar het dorp, om iedereen te 'ondervragen'. Dahi Waha had dat al voorzien en had zich samen met Pati verborgen buiten het dorp. In het dorp antwoord men de sergeant dat Pomboe Pati heeft meegenomen.



Op een dag komt Dahi Waha bij Wierdsma aan de deur om Pati bij hem af te leveren om hem te leren lezen en schrijven. Als het nieuws Pomboe bereikt beschuldigt de jaloerse Maja Dahi Waha ervan zijn zoon te hebben verraden aan de blanken. Pomboe gaat daar maar verder niet op in. Na een poosje trekt ook Dahi Waha zelf bij Wierdsma in.



Op een dag besluit de Heer Van De Vlag dat er wegen moeten komen in Soemba. Iedereen moet daaraan verplicht meewerken, of als je slaven had, je slaven sturen. Men probeerde natuurlijk zoveel mogelijk aan die plicht te ontkomen door te zeggen dat ze ziek waren, of dat de slaven ongehoorzaam zijn. De Heer stelde dus maar een boete in: voor elke gemiste arbeidsplek moest men 1 buffel of 1 paard betalen. Hij verkocht het vee, en huurde van het geld de Savoenezen in, 'geboefte dat al blij was eten te krijgen'. Die Savoenezen stalen echter veelvuldig paarden en buffels uit de kudden van de Oemboes. Die lieten dat niet op zich zitten, en namen wraak op de Savoenezen door hen te vermoorden. Dat werd echter weer streng afgestraft door de blanken. Dus gingen de Savoenezen weer door met stelen. De andere dorpen schoven de schuld op Poemboe, "want droeg Pomboe -door zijn verzet tegen de Kompenie- dan soms niet de schuld van alle ellende? En behoefde men zijn toorn nog te vrezen, zoals eens? Misschien keerde hij wel nooit meer terug uit die bergen, waarin hij nu al zolang rondzwierf! " (p227) De andere stammen eisten schadevergoeding van de kudden van Pakaloeng, Pomboe's dorp. Totdat het de inwoners van Pakaloeng te veel werd, en ze besloten om Pomboe vragen terug te komen, zodat men zijn toorn weer zou vrezen, en wel zou uitkijken, van zijn kuddes te stelen! Twee oude mannen vertrekken daarop richting bergen, om Pomboe te zoeken. Die luistert dan naar hun smeekbede om terug te komen, maar het deed hem pijn dat ze niet kwamen vragen om bloedwraak te nemen op de Savoenezen, maar om zich over te geven! Hij antwoord dat hij ook wel graag terug wil komen, maar hij wil eerst weten wat voor straf hij zal krijgen, en dat er nog over moet nadenken. Op de terugweg worden de twee echter onderschept door de sergeant, die hen mishandelt, maar de twee laten niets los.



" Op een dag kwam er een boodschap van Oemboe Karai, die hem voor een bespreking bij zich wenste. Pomboe behoefde niets te vrezen: men zou alle nodige veiligheidsmaatregelen nemen. Pomboe voelde geen vrees. Hij was blij met de afleiding. Wat wilde zijn vorst van hem? Dat hij zich zou onderwerpen? " (p234) " hij kon niet geloven dat Oemboe-nai-Landoe er nog prijs op zou stellen Maja terug te krijgen nu zij- zoals zij hem, Pomboe, dezer dagen had toevertrouwd- zwanger was. " (p234)

Pomboe vertrekt naar Oemboe Karai, maar dit keer wordt hij niet met gejuich ontvangen. Oemboe Karai probeerde Pomboe ervan te overtuigen zich over te geven, hij was zelfs gemachtigd aan Pomboe vrije aftocht te waarborgen, zo deze zich naar Waingapoe begaf om de voorwaarden voor zijn overgave te vernemen. (p235)



" na een halve nacht praten stelde hij van zijn kant voor dat men de Witte Heer door een boodschapper zou laten vragen welke zijn voorwaarden waren. Inziende dat er met Pomboe verder niets te bereiken viel, legde Oemboe Karai zich bij deze schikking neer, al verheelde hij zijn vrees niet dat de Witte Heer, gekwetst door een duidelijk gebrek aan vertrouwen in zijn gegeven woord, alleen nog maar strengere voorwaarden zou stellen. " p(235)



Als de boodschapper terugkomt, samen met de Politie -oppasser Loekas, dezelfde die toentertijd voor schut werd gezet toen hij eiste dat de Oemboes zich kwamen melden bij de Witte Heer. Ze besluiten om de Witte Heer als teken van onderhandeling, een geschenk mee te geven. Ze geven Loekas Pomboe's mooiste paard mee, plus 10 oude gouden munten. Loekas kan de verleiding niet weerstaan, en wil het paard voor zichzelf houden. Hij verbergt het paard, en geeft alleen de gouden munten aan de Witte Heer, die dit echter als poging tot omkoping beschouwd. Loekas durft niet te vertellen dat het geen omkoping is, maar een geschenk, omdat dan uit zou kunnen komen dat er ook een paard was. Hij gaat dus weer terug naar Pomboe en Karai, en verteld daar dat de Witte Heer beledigd was met de tien ducaten, maar het paard wel gehouden had. Loekas oppert dat hij misschien tien munten te weinig vond, en dat ze het met wat meer moesten proberen, zodat hij stiekem zelf wat munten kan achterhouden. Hij vertelt ook dat de Witte Heer Pomboe vijf dagen heeft gegeven, om zich bij hem te komen melden. Daarna zou hij zijn soldaten sturen. Ze overleggen en overleggen, en de vijfde dag verstrijkt. 'ach, een dag kan toch niet zoveel uitmaken? ' denken ze. Totdat op een dag plotsklaps de sergeant met zijn soldaten het dorp komt binnenvallen. Pomboe vlucht overhaast een hut in, terwijl Maja buiten histerisch staat te gillen. De soldaten beschieten de hut waar Pomboe in verscholen zit. Ze sturen Loekas naar de hut, om hem tot overgave te dwingen. Zodra hij in de deuropening verschijnt, gooit Pomboe zijn speer naar hem, omdat hij denkt dat Loekas hen allemaal heeft bedrogen. Loekas sterft terplekke. Daarop schieten de soldaten de hut in brand. Als ze de afgebrande hut gaan onderzoeken, vinden ze echter alleen het gespietste lijk van Loekas. Pomboe zelf is alweer ontkomen! De soldaten nemen echter wel Maja mee, en leveren haar uit aan Oemboe-nai-Landoe. Deze laat haar uit wraak doodknuppelen. Anakami, die de soldaten stiekem was gevolgd, brengt verslag uit bij Pomboe. Hij besluit een wraakactie op te zetten tegen Oemboe-nai-Landoe. Hij verzameld overal om zich heen krijgers en trekt er op uit. Nai-Landoe heeft echter bescherming gevraagd bij de Witte Heer, en de sergeant staat met zijn soldaten bij nai-Landoes dorp op wacht. Op dat moment komt ook Luitenant Berends weer terug uit het ziekenhuis op Java. Hij verzint een slimme list, die slaagt: Een aantal van Pomboe's krijgers sneuvelen, de rest vlucht halsoverkop weg, en Pomboe zelf raakt ook ernstig gewond. Oemboe-nai-Landoe, al een oude man, was echter van de schrik gestikt, toen hij de schoten hoorde. Pomboe is nu helemaal gebroken: hij is Maja kwijt en heeft ook nog eens geen wraak kunnen nemen op haar moordenaar. Daarna stuurt hij Anakami naar huis, en trekt zelf in zijn eentje rond in de bergen. Er gaan geruchten dat hij zich in 'spookdorpen' ophoud: dorpen, gebouwd door geesten, met de bedoeling levenden in de val te lokken.



Op een dag keert Dahi Waha weer terug naar Pakaloeng. Zij verteld dat de Kompenie besloten had dat het beter zou zijn als Pati de nieuwe Oemboe van Pakaloeng zou worden. Dit gaat hen echter toch te ver, en men stuurt weer dezelfde twee oude mannen erop uit, om Pomboe te zoeken. Als ze Pomboe treffen, is hij totaal veranderd: een lege blik in zijn ogen, sterk vermagerd, etc.



" 'Hij (Pati) moet wel zeer veranderd zijn sinds ik hem voor het laatst zag. Hij zal een man zijn geworden.'

' Daar gaat het juist om, heer, ' zei Babang Mata, blij dat hij de gelegenheid kreeg om op ongedwongen wijze de zaak aan te snijden waarvoor hij en Kaka Dongga hier waren. 'Uw zoon heeft de jaren des mans bereikt! En de Heer Van De Vlag is bij ons gekomen met een voorstel…hij zou willen dat Pati uw plaats innam in het Grote Huis!' Bevreesd voor Pomboe's toorn, drong de oude man meteen hartstochtelijk aan: ' Kom bij ons terug, heer! Dan kunnen wij de Harahá te Waingapoe gaan zeggen: Oemboe Pomboe wil vrede met de Kompenie sluiten en in ons midden weerkeren, zodat alles weer zal zijn als vroeger. ' " .… " 'Ik kan dit niet doen,' zei Pomboe na long overpeinzen'".. " ' en waarom kunt gij dit niet, heer? Gij zult zien dat de Harahá zich grootmoedig toont en u slechts een boete laat betalen, zoals de anderen. ' " …" 'Heer', zei Babang Mata, ' wij zullen nu naar Waingapoe gaan en het woord van de Harahá vragen: dag gij als Oemboe in ons midden moogt terugkeren zodra gij u zult hebben onderworpen en uw boete betaald. Laat ons afspreken dat wij hier opnieuw samenkomen, op de avond dat de maan weer vol is, om u zijn antwoord te brengen. ' "
(p305-306)



Babang Mata en Kaka Dongga krijgen van de Witte Heer te horen dat er geen sprake van is, Pomboe weer dorpshoofd te laten worden, en dat het al vaststaat dat Pati dorpshoofd word. Na een maand gaan de twee weer op weg, maar ditmaal samen met Wierdsma, en Pati. Op de pagina's 314-326 wordt uitgebreid beschreven hoe ook deze poging tot een verdrag weer op niks uitloopt.



Uiteindelijk wordt Pati dus dorpshoofd, en keert de rust weer terug in Pakaloeng. Pati blijft echter steun zoeken bij Wierdsma, en zijn moeder Dahi Waha. Na nog vele maanden rond te hebben gezworven, keert Pomboe, compleet immuun voor alle vernedering geworden, door de vele maanden in het spookdorp, terug in het dorp, geeft zich over, en betaald de boete. Thuis is hij echter gelukkig: hij is niet langer hartelijk welkom: men heeft zelfs een apart huis gebouwd voor Pati, die inmiddels is getrouwd, en z'n moeder, de jaloerse Dahi Waha. Nog steeds worden er echter paarden en buffels gestolen door de Savoenezen. Pomboe besluit daarop echter om weer volgens de oude adat te handelen, en met een groep krijgers de eerstvolgende veedief te vermoorden. Als er dan tenslotte weer een geval van veediefstal gemeld wordt, stookt hij zijn dorp op, en er wordt alvast van te voren feestgevierd, op de goede oude adat, en dat ze straks als overwinnaars weer terugkeren. Om middernacht trekken ze dan eindelijk, halfdronken en moe, uit. Echter, nog voordat ze de poort uit zijn, komt Luitenant Berends hen tegemoet treden.



" En toen doken uit het geboomte buiten de poort soldaten op. Ze moesten daar verborgen hebben gelegen, wachtend op dit ogenblik. Voorop de Litina, kalm en zonder woorden. De maagden stoven krijsend uiteen; de trommen en gongs verstomden bij één slag; verstrard van schrik hielden de mannen hun paarden in. 'Waarheen? ' vroeg de Litina.

'Laat ons door!' bulderde Pomboe, zich hoog oprichtend.

'Waarheen? ' herhaalde de Litina. En de soldaten brachten dreigend hun geweren in de aanslag. Pomboe wierp een blik achterom. Wat waren zij waard, zijn mannen? Als hij nu zijn hengst aandreef en onder de oude aanvalskreet naar voren stoof recht op de Litina in…zouden zij hem volgen? Hij was er nièt zeker van. En terwijl hij nog aarzelde, werd hij afgeleid. Uit het nieuwe huis aan de andere zijde van het plein kwam Pati aangelopen, En achter hem, een vrouw: Dahi Waha. In de taal der blanken, door geen Soembanees verstaan, riep Pati de Litina iets toe; het klonk als een smeking. En daarna wendde hij zich tot de mannen van Pakaloeng, bezwoer hun: 'Geef dit op! Het is zinloos; jullie komt hier nooit door! Wees verstandig en keer om! Gehoorzaam niet aan mijn vader! ' Een vreselijk toorn rees in Pomboe. En tegelijkertijd een verdenking: hier is vals spel gespeeld; Pati heeft de Litina doen waarschuwen. En als het niet Pati geweest is, dàn zijn moeder…Hij keek Dahi Waha aan, zag de uitdrukking van wilde haat in haar ogen, zoals hij in die van Pati schuldbewustzijn las. De mogelijkheid dat de soldaten zich toevallig in de buurt hadden bevonden en door het gebons der trommen waren aangelokt, kwam bij Pomboe niet op; in zijn door argwaan vertroebeld brein was slechts plaats voor de gedachte aan verraad. Zijn eerste impuls volgend en geen andere uitweg meer ziend, hief hij zijn speer. Zijn arm naar achterend brengend, weifelde hij nog even.. wie ging hij doden? Pati, die hem verwarde door hem met een vreemde berusting aan te kijken zonder zich te verroeren - of de aanstichtster van al het kwaad, die hem zijn jongen had afgestolen?

Dahi Waha, onbevreesd om zichzelf, dacht slechts aan het gevaar dat Pati bedreigde, en wilde zich voor haar kind werpen. Dat was niet meer nodig: de Litina hief de hand met de revolver en vuurde drie malen achtereen. Pomboe liet de speer en kabéla vallen, zonk achterover, stortte neer naast zijn verschrikt terzijde springende hengst. 'Vader!' riep Pati en snelde op hem toe, te laat om hem nog in zijn armen op te vangen. Anakami was reeds bij de stervende, die rochelend bloed opgaf. " …
(p380)



Uiteindelijk wordt hij groots begraven, heel Soemba komt opdagen op zijn begrafenis. Jammer genoeg ook de Savoenezen, er werd namelijk veel geofferd, en waar wat te halen viel, daar waren Savoenezen. Nog voordat de offerpaarden geslacht werden, vergrepen zij zich aan een van Pomboe's Marapoe- hengsten (paarden meegegeven in het graf om de dode te begeleiden op zijn reis door het 'Schimmenland'). Pati voelde zich beschaamd dat hij hierover niets zei, en zelfs zijn moeder treurde.



Einde
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen