U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Hieronymus Van Alphen - Proeve Van Kleine Gedigten Voor Kinderen.
Deze versie komt van http://scholieren.samenvattingen.com/documenten/show/8430472/ en is laatst upgedate op 21/08/2001.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2413 woorden.


1. Zakelijke Gegevens


De gedichtenbundel is geschreven door Hiëronymus van Alphen. De eerste druk is in 1779 uitgegeven in Utrecht door Uitgeverij Jan van Terveen en zoon. Hij heeft van 1778-1782 aan de bundel gewerkt. Mijn bundel is bezorgd door P.J. Buijnsters, 1998.




2. Eerste Reactie


In de lessen van geschiedenis hadden we het over de opvoeding van kinderen in de Middeleeuwen. Bij dit onderwerp wist Meneer Vermeulen ons verschillende kindergedichtjes te noemen die met opvoeding te maken hadden. Deze gedichtjes kwamen voor uit de gedichtenbundel van Hiëronymus van Alphen. Toen we voor SLO een gedichtenbundel moesten lezen, leek het me wel leuk om die bundel te nemen.


De gedichten die in deze bundel staan zijn wel grappig. Je kunt aan de gedichten goed zien hoe de mensen in die tijd dachten over opvoeding en godsdienst. Hij weet de normen en waarden op een hele leuke manier te verwoorden. Doordat de gedichten eindrijm bevatten zijn ze makkelijk te onthouden.




3. Verdieping


De gedichtenbundel bevat 66 gedichten. De gedichten zijn in drie delen verdeeld. Het eerste deel, Proeve van kleine gedigten voor kinderen, is geschreven begin 1778 en bevatte 24 gedichten. Deze gedichten werden zonder auteursnaam uitgegeven door de Utrechtse uitgever Van Terveen. Nog in hetzelfde jaar verscheen een tweede deel, Vervolg der kleine gedigten voor kinderen, die wel een auteursnaam bevatte. Deze bundel bevatte 22 gedichten. Ruim drie jaar later, in 1782, verscheen het derde deel: Tweede vervolg der kleine gedigten voor kinderen. Vanaf 1787 zijn de drie delen alleen nog verzameld verschenen in de bundel met de titel Kleine gedigten voor kinderen.


De gedichten zijn verdeeld in de drie delen die hierboven al vermeld zijn. Daarnaast kunnen de gedichten worden ingedeeld naar 6 onderwerpen die in de bundel veel aandacht krijgen:


- De verhouding mens en God.


God heeft het kind lief ("Het kinderlijk geluk"), laat mooie bloemen groeien ("De godsdienstigheid") en is wijs en goed ("Verstandig Antwoord")


Daarom moet het kind God loven, Hem dankbaar zijn en vrezen. Jezus wordt gezien als kindervriend die zonden en gebreken vergeeft ("Jezus: een zangstukje").


- De relatie tussen ouders en kinderen.


In deze relatie weerspiegelt men de relatie mens en God. Er moet geen sprake zijn strengheid of angst, maar van genegenheid. Het kind beschouwt zijn vader als zijn beste vriend ("Kinderliefde") en heeft ook zijn moeder lief ("Het tederhartige kind"). Door nadenken en overpeinzing wordt het kind tot gehoorzaamheid gebracht ("De pruimenboom"). De verhouding tussen kinderen onderling moet vreedzaam zijn.


- De verhouding tot de mens in het algemeen.


Naastenliefde, barmhartigheid en liefdadigheid zijn belangrijke deugden. Rijkdom is maar betrekkelijk ("De ware rijkdom")


- De verhouding tot de natuur.


De natuur wordt gezien als een leerzaam boek waaruit een kind veel kan leren. Meestal vertolken dieren de moraal, maar een enkele keer doet de mens dat. ("Het vogelnestjen").


- Lichamelijke zaken.


Hoewel de dichter ziekte beschouwt als een gevolg van de zonde, komt die overtuiging niet in de gedichtjes naar voren. Lichaamspijn moet het gevoel van dankbaarheid tegenover God versterken ("Het zieke kind").


- Goede eigenschappen.


Al van jongs af aan moet het kind wijsheid inprenten, want dit zal leiden tevredenheid en geluk. Speelgoed moet plaats maken voor boeken om het kind wijsheid en deugden bij te brengen. Het kind moet vertrouwd raken met de dood, maar ook met de hemelse zaligheid.


De gedichten zijn allemaal traditionele gedichten. Alle gedichten bevatten eindrijm. De gedichten zijn bijna allemaal verschillend in strofelengte. In gedichten die wat langer zijn wordt meestal een verhaaltje verteld. In andere gedichten die wat korter zijn wordt meestal een duidelijke boodschap doorgegeven. De gedichten bevatten ook thematiek.


Het belangrijkste thema in deze gedichtenbundel is: opvoeding van de kinderen tot gelukkige en deugdzame mensen door middel van verstandelijk inzicht.


Twee hoofddeugden staan centraal: ijver om kennis en deugd te verwerven en dankbaarheid aan God. Van Alphen kende de denkbeelden over opvoeding van J. Locke en J.J. Rousseau: het kind moet zuivere ervaringen opdoen en zijn verstand moet zo ontwikkeld worden, dat het onderscheid leert maken tussen goed en kwaad; verder moet zijn geloofsleven tot het beoefenen van de deugd leiden. Voor zonde, genade, en kerkelijke dogma's is bij hem geen plaats: God is de almachtige wijze, barmhartige rechter en vriendelijke vader; Jezus is de kindervriend. In de natuur moeten de kinderen Gods wijsheid, almacht en liefde leren zien.


Nu zal ik vijf verschillende gedichten uit deze bundel stuk voor stuk ontrafelen. Het eerste gedicht is het titelgedicht:




Aan Twee Lieve Kleine Jongens


Zie daar, lieve wigtjes!


Een bundel gedigtjes,


Vermaakt er u meê


En springt naar u wooning,


Maar… eerst ter belooning


Een kusjes of twee




Door liefde gedrongen


Heb ik ze gezongen,


En wilt gij er meer,


Gij moogt er om vragen.


Wanneer ze u behagen


Komt huppelend weêr.




Dit is het titelgedicht van de bundel. Van Alphen kondigt zijn gedichten aan. Het gedicht bestaat uit twee sextetten. Het rijmschema is: a-a-b-c-c-b. Er is sprake van eindrijm. Het eindrijm kan als volrijm worden beschouwd. In de laatste vier regels van het sextet is er sprake van omarmend rijm. Het gedicht behoort duidelijk tot de traditionele gedichten, omdat de strofes telkens op dezelfde manier zijn ingedeeld, de regels van gelijke lengte zijn en er gebruik wordt gemaakt van leestekens.


Het taalgebruik van dit gedicht is eenvoudig. Aan twee kleine jongetjes wordt deze bundel met gedichten gegeven en ze moeten er plezier mee hebben. Als ze nog meer gedichten willen moet ze het aan de schrijver vragen.




De Pruimeboom


Eene vertelling


Jantje zag eens pruimen hangen,


o! als eieren zo groot.


't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,


schoon zijn vader 't hem verbood.


Hier is, zei hij, noch mijn vader,


noch de tuinman, die het ziet:


Aan een boom, zo vol geladen,


mist men vijf zes pruimen niet.


Maar ik wil gehoorzaam wezen,


en niet plukken: ik loop heen.


Zou ik, om een hand vol pruimen,


ongehoorzaam wezen? Neen.


Voord ging Jantje: maar zijn vader,


die hem beluisterd had,


Kwam hem in het loopen tegen


voor aan op het middelpad.


Kom mijn Jantje, zei de vader,


kom mijn kleine hartedief!


Nu zal ik u pruimen plukken;


nu heeft vader Jantje lief.


Daar op ging Papa aan 't schudden,


Jantje raapte schielijk op;


Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen,


en liep heen op een galop




Het thema van dit gedicht is dat gehoorzaamheid wordt beloond. Het gedicht zou je niet een in een bepaalde soort kunnen indelen. Het is gewoon een verhaal in gedichtvorm. Je zou het gedicht in het rijmschema a-b-a-b kunnen indelen. Ook dit gedicht behoort tot de traditionele gedichten volgens dezelfde kenmerken als eerder genoemd. In dit gedicht wordt duidelijk eindrijm in samenwerking met volrijm gebruikt. De plaatsing van het rijm is gekruist rijm.


In dit gedicht ziet Jantje een pruimenboom met daarin heerlijke pruimen. Hij zou ze graag op willen eten, maar hij denkt dat het niet van zijn vader mag, dus pakt hij geen pruimen. Zijn vader, die op een afstandje heeft staan toekijken, komt naar Jantje toe en geeft hem een paar pruimen, omdat hij zo gehoorzaam geweest is.




Het geduld


Geduld is zulk een schone zaak


Om in een moeielijke taak


Zijn oogwit uittevoeren;


Dit zag ik laatst in onze kat,


Die uuren lang gedoken zat,


Om op een rat te loeren.


Zijn ging heen voor zijn de rat,


Gevangen, in haar klauwen had.




Het thema van dit gedicht zou je kunnen omschrijven als dat geduld beloond wordt. Het rijmschema van dit gedicht is a-a-b-c-c-b-c-c. Er wordt weer eindrijm gebruikt in samenwerking met volrijm en dit gedicht is ook weer traditioneel volgens de als eerste genoemde kenmerken. Het is een octaaf, 8 versregels.


In dit gedicht wordt aan de hand van een voorbeeld van een kat aan de kinderen getoond dat geduld loont. De kat wacht uren totdat hij het juiste moment ziet om de rat te pakken. Als je maar lang genoeg wacht, zal je geduld beloond worden.




De liefde tot het vaderland


Al ben ik maar een kind


Tog wordt mijn Vaderland van mij op 't hoogst bemind;


Ik werd er in geboren;


Ik heb er drank en spijs;


Ik mag er 't onderwijs


Van wijze meesters hooren.


Ik heb er ouders, vrienden in,


Die ik met al mijn hart bemin;


Ik kan er veilig woonen;


Dies zal ik dankbaar mij betoonen;


En, worde ik eens een man,


Zo nuttig zijn voor 't land, als ik maar wezen kan.




In dit gedicht wordt aan de lezers geleerd dat ze hun vaderland lief moeten hebben, omdat zij daar in opgroeien. Dit gedicht zou je traditioneel kunnen noemen, omdat er gewoon gebruik wordt gemaakt van leestekens, maar ook weer modern omdat de regels niet op dezelfde manier zijn opgebouwd. Het rijmschema zou je kunnen omschrijven als a-a-b-c-c-b. Het gedicht bevat weer eindrijm met volrijm. Ook bevat dit gedicht een enjambement, een regel loopt door in de volgende regel, nl. in regel 5 en 6.




Het vrolijk leeren


Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen,


En waarom zou mij dan het leeren verveelen?


Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak.


Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken;


Ik wil in mijn prenten mijn tijdverblijf zoeken,


't Is wijsheid, 't zijn deugden, naar welken ik haak.




In dit gedicht wordt de kinderen erop aangedrongen dat ze hun tijd volmaken met nuttige dingen. Ze moeten hun speelapparaten weghalen om die te verruilen voor schoolboeken e.d. Dit gedicht is weer duidelijk traditioneel. De regellengte is telkens hetzelfde, daarnaast is de strofe op dezelfde manier opgebouwd en worden de leestekens op dezelfde manier als bij proza toegepast. Dit gedicht is een sextet gebaseerd op eindrijm. De woorden die rijmen zijn meestal volrijm en het rijmschema van dit gedicht is a-a-b.




Als geheel zou je kunnen concluderen dat al de gedichten traditioneel zijn. Ze dienen allemaal tot de opvoeding van de kinderen. Door deze gedichten probeert Van Alphen de kinderen eigenlijk een beetje op te voeden. In deze gedichten worden de kinderen aangedrongen tot ijver en deugd om kennis te verwerven. Deze gedichten passen dus duidelijk in het tijdvak waarin ze geschreven zijn.




De bundel is zoals hierboven al vermeld gepubliceerd in 1779 te Utrecht. Aanvankelijk had Hiëronymus niet zulke hoge verwachtingen van zijn gedichten. Hij schrijft dan ook in zijn voorwoord van het eerste deel: “Zie daar eenige kleine gedigten, ten behoeve van kinderen opgesteld. De maker weet zeer wel, dat hij, als digter, daar door zeer weinig roem behalen kan, maar dat is zijn oogmerk niet.” Met die roem bleek het echter wel mee te vallen. Het boek was zo’n succes dat de uitgever besloot om bij herdrukken geen aantal meer te vermelden om roofdrukkers niet op lucratieve ideeën te brengen. Vele andere dichters gingen na het succes van Van Alphen ook kindergedichtjes maken.


De gedichtenbundel is een bundel didactisch-moraliserende kinderpoëzie uit de vroege christelijke romantiek of 'gevoelige Verlichting'. Deze stroming, van ong. 1780 – 1880, vormt de overgangsfase tussen rationalisme, Verlichting en de Romantiek. De rede wordt langzamerhand verdrongen door het gevoel, de emotie. Geliefde thema's van de Verlichting zijn o.a. de dood, onsterfelijkheid, godsdienst, deugd en liefde. Voor Van Alphens kindergedichten bestonden er wel speciale boekjes voor de jeugd, maar dat waren leerboekjes en bewerkingen van volksverhalen en ridderromans.


Hieronymus van Alphen werd geboren te Gouda op 8 augustus 1746. Hij stierf te Den Haag op 2 april 1803. Hij was Nederlands dichter en kunsttheoreticus, achtereenvolgens advocaat en procureur-generaal van het Hof in Utrecht, pensionaris van Leiden en thesaurier-generaal van de Unie (1793). In 1795, bij de komst van de Fransen, legde hij als overtuigd aanhanger van de Oranjepartij zijn functie neer. Met zijn piëtistisch getinte, orthodox-christelijke levensvisie en stellingname tegen de geest van de eeuw werd Van Alphen een voorloper van het Réveil. Hij schreef stichtelijke poëzie, w.o. cantaten (Doggersbank; De starrenhemel) en kunsttheoretische en religieus-wijsgerige beschouwingen.


Hij verzette zich tegen de rederijkerskunst, pleitte voor een wijsgerig gefundeerde poëziebeoefening en poëziekritiek en waarschuwde tegen overschatting van de nationale poëzie. Van belang zijn in dit verband zijn Digtkundige verhandelingen (1782) en zijn bewerking (uit het Duits) van F.J. Riedels Theorie der schoone kunsten en wetenschappen (1778–1780). Grote bekendheid kreeg en behield hij door zijn aanvankelijk anoniem uitgegeven Proeve van kleine gedigten voor kinderen (3 bundels, 1778–1782), die in diverse talen werden vertaald.


Werk: (o.a.): Proeve van stigtelijke mengelpoëzy (1771; vervolgbundels: 1772, 1782); Mengelingen in proza en poëzie (1783); De waare volksverligting met opzigt tot godsdienst en staatkunde beschouwd (1793); Kleine bijdragen tot bevordering van wetenschap en deugd (1796); Predikt het evangelium aan alle creaturen (1801).


Het taalgebruik van de gedichten is eenvoudig en natuurlijk, maar wat de woordkeus betreft zeker niet altijd kinderlijk; zie bijvoorbeeld 'De ware Rijkdom'. Het eenvoudige taalgebruik van Van Alphen is typerend voor hem, omdat hij alleen gedichten voor kinderen maakte. Wanneer je het taalgebruik dan te moeilijk is, begrijpen de kinderen het niet meer.




4. Eigen Mening


Er zijn in deze bundel een aantal gedichten die ik wel leuk vond, ze hadden voor mij een positieve werking. Dat waren de gedichten: ‘De pruimeboom’, ‘Het vrolijk leeren’ en ‘De onbedagtsaamheid’. Deze gedichten vond ik vooral heel grappig, ik kon er wel om lachen. De eerste twee gedichten riepen bij mij ook nog leuke herinneringen aan de lessen geschiedenis waarin dhr. Vermeulen deze gedichten op leuke wijze voordroeg en ook nog een verband wist te leggen met het onderwerp waar we mee bezig waren. Ook is het best wel prettig dat de dichter in deze gedichten eindrijm gebruikt, wat makkelijk lezen is en waardoor je de gedichten beter onthoudt.


In deze gedichtenbundel stonden ook gedichten die me niet zo aanstonden. Dat was o.a. het gedicht ‘Klaasje en Pietje’, ik snapte in dit gedicht niet wat de zwarte man inhield, waardoor ik de gehele strekking van het gedicht niet begreep en ik het gedicht dus niet leuk vond. Ook het gedicht ‘Claartje bij de schilderij van hare overledene moeder’ vond ik niet zo leuk. Ik vond het gedicht gewoon te langgerekt.


Het gedicht van de pruimeboom sprak me toch het meeste aan. Ik had natuurlijk weleens van dit gedicht gehoord en vond het dus leuk om te zien in welke bundel dit gedicht stond. Verder vind ik dat er een leuk idee achter zit en dat de dichter dat idee op een leuke manier weet te verwoorden, zodat het op de doelgroep, kinderen uit de Verlichting, goed overkomt.


Ik vind dat de thematiek van deze gedichten goed is gekozen. Kinderen mochten in die tijd eigenlijk helemaal niks, ze werden heel streng opgevoed, ze mochten niet aan tafel praten, hun ouders nooit tegenspreken en ga zomaar door. In de Verlichting veranderde dit omdat men er van uit ging dat de mens in wezen goed is, maar door de maatschappij wordt bedorven. Kinderen hebben nog maar weinig met de maatschappij te maken gehad, dus zij waren nog niet bedorven, daarom zei van Alphen, kun je kinderen beter zo lang mogelijk in hun kinderwereld houden. Juist omdat Van Alphen brak met dit idee vind ik zijn thematiek zo goed. Ik zou anderen aanraden om deze gedichtenbundel te lezen, omdat de gedichten niet zo moeilijk zijn en soms best wel grappig.




Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen