U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : R.j. Peskens - Twee Vorstinnen En Een Vorst.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=12725 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3431 woorden.

Titelverklaring:



De titel Twee vorstinnen en een vorst slaat op de ouders van de hoofdpersoon en de Nederlandse koningin Wilhelmina, en is ontleend aan het langste verhaal uit het eerste

deel van het boek. De titel vorst en vorstin van de ouders is figuurlijk, het geeft aan hoe groots ze zijn. De grootsheid van de vader komt naar voren als hij als

verzetsheld is uitgenodigd bij de koningin, waar hij zich niet onderdanig opstelt, maar vrij zijn mening geeft. Dit toont de kracht van zijn persoonlijkheid.

De grootsheid van de moeder komt in het gehele boek naar voren door haar krachtige en eigenzinnige optreden. Ze komt ook op gelijke hoogte met haar moeder als ze een briefwisseling beginnen. Ook is de moeder volgens de vader even koppig en trots als een koningin.

Er staat op de titelpagina een soort ondertitel, ‘verhalen’. Toch is het boek eerder een roman dan een verhalenbundel.

Er is geen motto en geen opdracht.



personages:

moeder:

Zij is een opmerkelijke vrouw. Gaat volledig haar eigen gang en laat zich door niemand vertellen wat ze wel en niet mag doen en is voor niemand bang. Ze heeft een afkeer van

hooggeplaatste personen. Ze maakt soms een asociale indruk, en vader noemt haar daarom ook primitief. Ze heeft een impulsieve, onredelijke manier van reageren. Tegenspraak duldt ze niet en als iemand iets doet wat haar niet bevalt, kan deze op wraak rekenen. Altijd probeert ze haar wil door te drijven. Een enkele keer lukt het vader om zijn wil door te drijven, maar dit lukt slechts met veel moeite. Ze is haar hele leven een individuele anarchist gebleven. Haar stemming slaat snel over; het ene moment staat het hele huis op zijn kop en is er lekker eten e.d., het andere moment is ze weer kortaf en snel geïrriteerd. Haar zoon is haar oogappel; hij mag mee op haar wraakacties, ook probeert

zij hem te harden. Moeder heeft geen vriendinnen, alleen bij de kermis sluit ze vrienden met wat kermisgasten.

In het tweede deel is er niet veel meer over van deze eigenzinnige, krachtige persoonlijkheid. Ze is een klagende vrouw geworden, en in het begin heeft ze nog wel een

scherpe tong, maar die verdwijnt langzamerhand. Ze begint te dementeren en op het eind van haar leven is ze een sterk vermagerd, zielig hoopje mens. Ze is een round character.



zoon:

de zoon koestert tegenstrijdige gevoelens voor zijn moeder. Aan de ene kant maakt haar rare gedrag hem bang, onzeker en gespannen, aan de andere kant bewondert hij haar. Ook als

zij korte metten maakt met een tegenstander, voelt hij zich veilig bij haar. Bij alles wat hij doet, vraagt hij zich af of zijn moeder het zou goedkeuren.

Net als zijn moeder is de zoon een eenling, hij heeft geen vriendjes of vriendinnetjes.

In het tweede deel heeft hij wel last van haar gezeur, en zegt daar ook wat van, maar hij houdt een zwak voor haar en behandelt haar liefdevol. De zoon is de hoofdpersoon, hij

vertelt het verhaal, en is (dus) ook een round-character.



vader:

De vader blijft in het eerste deel op de achtergrond. Hij laat zijn vrouw haar gang gaan en lost alleen de door haar veroorzaakte moeilijkheden op. Slechts een enkele keer

zet hij zijn wil door, waardoor de moeder meteen een hele tijd dwars ligt. Wel bewondert hij haar doortastende optreden.

Vader streeft naar harmonie en heeft een hekel aan ruzies. Ondanks de woede van zijn vrouw maakt hij een ontwikkeling door van anarchist naar sociaal-democraat.

Pas in het titelverhaal komt de nadruk op vader te liggen, waarna hij de centrale figuur is. Hij blijkt heel belangrijk te zijn geweest in de politiek, in de vakbeweging en bij de emancipatie van de arbeider. Thuis merkte men daar niets van, omdat zijn vrouw niets van

politiek wilde weten.

Ondanks de scherpe en bitse opmerkingen van zijn vrouw houdt de vader erg van zijn vrouw. Ook is hij trots, en zelfs een beetje ijdel. Hij vertelt graag over wat hij allemaal heeft bereikt voor de arbeiders en vindt het heerlijk om in de belangstelling te staan. Hieruit

blijkt zijn sociale isolement. Een trieste gebeurtenis is, als hij op zijn zestigjarig jubileum een toespraak wil houden over zijn rol voor de arbeiders, maar zolang wacht tot de zaal vol zit, dat iedereen opeens weggaat. Niet lang daarna wordt hij ernstig ziek, en hoewel het steeds lijkt of hij zal sterven, komt hij er steeds bovenop. De vader is een round character.



kolenboer Daalhuyzen:

Deze verkoopt kolen aan de hele buurt. De meeste mensen kopen op de pof. Dit wordt bijgehouden op een bord in zijn kantoor. De hoofdpersoon moet van zijn moeder altijd kolen

halen voor hij naar school gaat. Soms is de schuld te hoog en dan krijgt hij geen kolen mee. Hij durft dan niet naar huis, bang voor de reactie van zijn moeder. De kolenboer is

een flat character.



huisbaas Cyvat:

Deze verhuurt het huis aan de familie. Ze kunnen niet altijd betalen. Op een gegeven moment komt hij zijn geld ophalen, maar moeder gooit hem van de trap af. Hiervoor moet ze naar de gevangenis.



de gymleraar:

Deze heeft het op de ikpersoon gemunt, waardoor deze zich niet erg gelukkig voelt onder de gymlessen. Zijn moeder kan dit niet hebben, en slaat hem in elkaar.



koningin Wilhelmina:

Dit is de koningin van Nederland. De vader komt bij haar op bezoek waar hij frank en vrij vertelt over wat hij van het koningshuis vindt. Dit waardeert ze heel erg, waarna ze

samen gaan wandelen. Op een gegeven moment komt de koningin langs bij de familie, waarna ze ook nog een briefwisseling onderhoudt met de moeder.



thema:

In het eerste deel staat de armoede van het gezin centraal, en hoe ze daarmee omgaan.

Ook de omgang van de familie met elkaar is heel belangrijk.

In het tweede deel staat de aftakeling centraal. Het belangrijkste is hier dat de vader en moeder steeds ouder worden, en steeds minder zijn van wat ze vroeger waren.

Zo ver ik weet heeft R.J.Peskens geen andere boeken met dit thema geschreven, maar op zich is het best wel mogelijk dat dit toch wel het geval is, gezien de vertelwijze waaruit je zou kunnen opmaken dat de schrijver het een best wel emotioneel onderwerp vindt.



Tijd:

De gebeurtenissen spelen zich in drie perioden af: de jaren '20, rond de Tweede Wereldoorlog en de periode 1959-1972. De eerste acht verhalen van het eerste deel zijn

gesitueerd rond de jaren '20 van deze eeuw, want de jongen is geboren in 1908 of 1909 (op pagina 217 is hij 64 jaar op het moment dat moeder in 1972 overlijdt) en in die verhalen

is hij tussen de 10 en 12 jaar.



Het laatste verhaal van deel één speelt grotendeels aan het eind van de Tweede Wereldoorlog en kort daarna.

De verhalen uit het tweede deel spelen tussen 1959 en 1972.

Er zijn dus ontzettend veel tijdsprongen, en over de tussenliggende tijd komen we weinig te weten.

Elk verhaal omvat enkele dagen tot enkele weken.

Ook vinden er enkele flash-backs plaats. Voor de rest is het verhaal chronologisch verteld.



plaats:

De gebeurtenissen in het eerste deel spelen zich af in een verpauperde wijk van een 'havenplaats', waarmee Vlissingen wordt bedoeld. Veel vindt plaats in de bovenwoning van

de familie, maar ook op straat gebeurt er veel, bij de kolenboer, in de tuin van Daalhuyzen, op de hbs, in het zwembad, bij de burgemeester, bij de werkgeefster van de moeder, in de kazerne, op de kermis en in het huis van de koningin. In het tweede deel wonen de ouders nog in dezelfde stad, maar op een gegeven moment komen ze in een verpleeghuis te wonen.

Daarna zijn er nog gebeurtenissen bij de receptie, op een begraafplaats en in het ziekenhuis.



genre:

Ook al staat op de titelpagina 'verhalen', het is toch aannemelijker dat het boek een roman is, omdat het boek een samenhangend geheel is. Men kan aannemen dat de personen

in het gehele boek hetzelfde zijn gebleven. Van het karakter van de vader, moeder en zoon kom je veel te weten. Dat duidt ook op een roman. Ook het aantal bladzijdes duidt erop.

Alleen het aantal personen dat erin voorkomt is klein, maar daar tegenover staat wel weer dat de hoofdpersoon een soort karakterontwikkeling doormaakt. Niet dat de lezer daar

altijd bij aanwezig is, maar we komen hem wel op verschillende leeftijden tegen.



Er zijn echter ook argumenten die voor de verhalenbundel pleiten. De schrijver is niet zo kieskeurig met details omgesprongen. Zo heeft de hoofdpersoon in het eerste deel alleen twee zusjes, in het tweede deel heeft hij ook een jongere broer.



taalgebruik:

De schrijver gebruikt gewoon Nederlands in zijn boek. Dit is niet altijd correct gebruikt, hij gebruikt erg weinig leestekens. Wat de personen zeggen, is niet duidelijk

aangegeven. Verder gebruikt de schrijver geen moeilijke woorden.



fabel:



IN VOLLE BLOEI



De kolenboer.

De ik-persoon, een lagere-schooljongen van een jaar of tien, vertelt over de armoedige omstandigheden bij hem thuis. Er wordt veel op de pof gekocht en de huur kan vaak niet betaald worden. Vlak voor kerstmis moet hij bij de handelaar Daalhuyzen kolen halen. Omdat ze bij hem flinke schulden hebben, wil hij niets meegeven. De jongen schaamt zich diep en gaat met lege handen naar huis, waar moeder hem verbeten aankijkt en de lege emmers kwaad de gang in slingert. Later barst hij op school in tranen uit. Als hij thuiskomt, staan er volle emmers naast de kachel. De volgende nacht haalt moeder de jongen uit bed. Ze gaan

naar het huis van Daalhuyzen en moeder zaagt in de tuin alle fruitboompjes om. Twee dagen na kerstmis moet de jongen weer kolen halen. Hij valt flauw van angst als de handelaar opnieuw geen kolen wil geven. Moeder wordt erbij gehaald en zij schept brutaalweg twee emmers vol zonder te betalen. In de avondkrant staat een berichtje over het vernielen van de boompjes. Het wordt uitgeknipt en boven de schoorsteen gehangen.



De huisbaas.

Op een dag komt de huisbaas Cyvat informeren wanneer de achterstallige huur nu eens betaald wordt. Moeder gooit hem de trap af. Hierbij raakt Cyvat zwaar gewond. Het wordt

een politiezaak en moeder krijgt een maand hechtenis. Als ze is teruggekeerd, haalt ze op een avond de jongen uit bed. Samen gaan ze naar het huis van Cyvat. De jongen moet het paard uit de stal in veiligheid brengen, waarna moeder het huis in brand steekt.



De leraar.

De jongen gaat naar de hbs, zeer tegen de zin van moeder. Vader houdt echter vol. De jongen wordt vanaf de eerste dag gepest, want hij draagt klompen en verstelde kleding, zijn tas is armoedig, zijn boeken krijgt hij in bruikleen en bij gymnastiek heeft hij niet de juiste spullen. De gymnastiekleraar zit de jongen steeds dwars en moeder wordt daar woedend om. Op een dag gaat de klas tijdens het gymnastiekuur zwemmen in zee. De leerlingen moeten een kaartje kopen, maar de jongen heeft geen geld. De leraar geeft hem met een minachtend gebaar een dubbeltje. Moeder raakt volkomen over haar toeren als ze dit hoort. Enkele dagen later wacht ze de leraar na een les op en gaat hem te lijf. Hoewel hij behoorlijk wordt toegetakeld doet hij geen aangifte bij de politie.



De wasmachine.

Moeder is al een paar dagen humeurig en moeilijk. Het is duidelijk dat ze met een probleem zit. Al gauw blijkt dat ze het gezeur van de vrouw bij wie ze als werkster in dienst is niet langer kan verdragen. Ze vraagt de jongen haar af te halen bij haar werkhuis. Als hij daar aankomt, is moeder bezig met de was. Ze geeft hem te eten. Direct

daarna begint de vrouw bij wie moeder in dienst is te zeuren over de natte boel en over het feit dat moeder de jongen zonder toestemming eten heeft gegeven. Moeder wordt kwaad en trekt de stop uit de wasmachine, waarna de hele keuken blank komt te staan. Moeder en zoon gaan naar huis. Moeder gaat een poosje op bed liggen. Hierdoor knapt ze snel op en ze maken er nog een gezellige avond van met pinda's en bier.



De bomvrije.

Op een avond neemt moeder de jongen mee naar de kazerne in de buurt. Ze vraagt de twee dienstweigeraars te spreken. Als ze alleen met hen is, praten ze wat en ze geeft de mannen eten. In de dagen erna gaat ze elke dag naar de twee rnannen om hen moed in te spreken. Moeder is namelijk een fel tegenstandster van het militarisme en ze zegt tegen de jongen dat hij later het voorbeeld van deze jongemannen moet volgen. De jongen ontdekt dat bij de kazerne elke avond eten wordt uitgedeeld. Op de dag dat hij 's morgens met zijn moeder de twee dienstweigeraars heeft uitgezwaaid - ze gaan per trein naar de gevangenis in Scheveningen -, haalt hij bij de kazerne een pan erwtensoep. Als hij daarmee thuiskomt, wordt moeder razend. "Wat denk je." roept ze woedend. " dat we van die schoften willen vreten?" Ze geeft de jongen een draai om zijn oren en stuurt hem naar

bed.



Het varken.

Moeder zegt plotseling op een zaterdagavond dat ze trek heeft in iets hartigs. Ze gaat de deur uit en komt een tijd later terug met een half varken dat ze bij de slager

gestolen heeft. Vader is boos, maar helpt toch met het in stukken snijden van het dier. Dat gaat heel moeizaam. Het blijkt zoveel vlees te zijn, dat ze het nooit alleen kunnen

opeten. Moeder stuurt de kinderen erop uit om een deel van het vlees bij kennissen rond te brengen. Die avond eten ze vlees en spek tot ze erbij neervallen. De zaterdag erop moet de jongen op zijn wekelijkse ronde met het pofboekje ook langs de slager. Vader heeft een regeling met die man getroffen om te voorkomen dat moeder voor de zoveelste keer in moeilijkheden zou raken.



Het pannetje.

Vader heeft longontsteking en pleuris, waardoor hij zo zwaar ziek is, dat voor zijn leven wordt gevreesd. Elke nacht wordt bij hem gewaakt. Na tien dagen is hij de crisis te boven. De dokter schrijft versterkend voedsel voor. Dat kan de jongen elke avond bij de burgemeester halen, zeer tegen de zin van moeder. Op een dag komt de burgemeester op

bezoek en vader bedankt hem voor het eten. Moeder reageert fel als ze dat hoort. Wanneer vader voldoende opgeknapt is en geen extra voedzame maaltijden meer nodig heeft, brengt moeder het lege pannetje bij de burgemeester terug. Ze smijt het woedend door de gang.



De kermis.

Het is kermis in de stad en dat brengt bij moeder een speciaal gevoel teweeg. Ze is de hele dag van huis en helpt bij het opbouwen van de attracties. Tijdens de feestelijkheden gaat het hele gezin naar de kermis, maar na verloop van tijd raken ze elkaar telkens kwijt. Op de kermis sluit moeder vriendschap met de dwerg Markus, die ook een keer bij hen thuis komt eten. Na afloop van de slotavond van de kermis gaat moeder terug om afscheid te

nemen van wat vrienden. Vader reageert kribbig. Moeder komt die nacht niet thuis en ook de volgende dagen verschijnt ze niet. Als ze na zeven dagen terugkomt, is vader nog flink

kwaad op haar. Hij laat duidelijk merken dat hij veel van haar kan accepteren, maar dit niet.



Twee vorstinnen en een vorst.

De verteller is nu een volwassen man. Hij beschrijft in grote lijnen het leven van zijn vader en moeder Hun anarchistische achtergrond, de overgang van vader naar de

sociaal-democratie, zijn vele werkzaamheden in de akbeweging, de tegenstellingen tussen vader en moeder. Daarna komt de nadruk te liggen op de periode net na de oorlog. Aan het eind van de oorlog wordt vader uitgenodigd door de koningin. Daarover krijgt hij met zijn vrouw enorme ruzie, omdat zij dat als verraad beschouwt aan hun socialistisch-anarchistische opvattingen. Het Oranjehuis is altijd op de hand van de rijken en machtigen en dat zijn hun natuurlijke vijanden. Na de oorlog komt de koningin naar de stad om het eerste jaar van de bevrijding te herdenken. Zij wil kennismaken met moeder, maar die weigert. Als de koningin toch bij vader op bezoek komt, stapt zij op moeder af. Ze raken in gesprek en daaruit vloeit een correspondentie voort, die een jaar heeft geduurd. De brieven van de koningin hebben daarna jarenlang in de linnenkast gelegen. Noch de vader, noch de zoon hebben ze ooit gelezen. Op een dag zegt moeder dat de brieven verbrand moeten worden als ze dood is. Wanneer vader en moeder ernstig ziek worden, vraagt de zoon zich af wat hij met de brieven moet doen. Zijn twijfels blijken uiteindelijk overbodig, want vlak voordat vader overlijdt, zijn de brieven uit de kast verdwenen.



HET VERVAL



Een verjaardag.

De zoon gaat op verjaarsvisite bij zijn vader die nu hoogbejaard is. Hij ziet ertegenop omdat die verjaardagen de laatste jaren altijd op dezelfde manier verlopen. Zijn moeder is lichamelijk sterk afgetakeld en klaagt voortdurend. Ook maakt ze steeds scherpe en bitse

opmerkingen over de visite. Vooral als de burgemeester komt, doet ze of ze de man niet ziet. Vader blijft opgewekt en probeert steeds sussend op te treden. De zoon worstelt zich door de avond heen en moet verhalen aanhoren die hij al vele keren gehoord heeft. Na het avondeten blijft hij nog even en keert daarna naar Amsterdam terug.



De receptie.

Vader en moeder zijn zestig jaar getrouwd. Hoewel vader zegt er geen groot feest van te willen maken, zorgt hij ervoor dat zoveel mensen op de hoogte zijn, dat een receptie

noodzakelijk is. De zoon verzet zich er lang tegen, maar geeft uiteindelijk toe. Zijn zuster regelt alles. Vader vindt het heerlijk om zo in de belangstelling te staan. Het

enige trieste aan de dag is, dat vader zijn toespraak over zijn jeugd en de strijd in de arbeidersbeweging niet kan houden, omdat hij dat ogenblik te lang uitstelt. Plotseling

vertrekken de meeste mensen en kort daarop is de receptie ineens voorbij. Moeder heeft er de hele middag versuft bij gezeten. Ze gaat nu ook geestelijk hard achteruit.



De begrafenis.

Vader gaat naar de begrafenis van zijn jongste broer Toon. Hoewel hij nauwelijks contact met hem had, raakt hij een beetje in de war. Hij denkt na over zijn andere broers

en zussen, van wie alleen Anna nog leeft. Ze woont in Australië. Als hij terugkeert naar huis, heeft hij het vreselijk koud en hij voelt zich niet lekker. Hij verzorgt zijn vrouw, die nu hele dagen op bed ligt en regelmatig geestelijk flink in de war is. Daarna zakt hij in elkaar op een stoel voor de kachel. Zelfs de vierde keer is geen scheepsrecht.Vader ligt in het ziekenhuis. Hij is 88 jaar. Het lijkt erop dat hij binnenkort zal sterven. De zoon huurt een hotelkamer in de stad en zit elke dag naast vaders bed. Al drie keer eerder is de familie opgetrommeld,

omdat men dacht dat de man zou sterven. Ook nu knapt de uitgemergelde man weer op en de zoon keert terug naar Amsterdam.



De ontruiming.

Als vader ten slotte sterft, gaan de zoon en zijn jongste broer de bejaardenwoning ontruimen. Moeder leeft nog, maar is opgenomen op de ziekenafdeling, die ze nooit meer zal

verlaten. Het kost de broers veel moeite om de kamers leeg te maken; de jongste moet af en toe een flinke borrel nemen en regelmatig krijgt hij tranen in zijn ogen. Veel spullen

roepen dierbare herinneringen op.De ontruiming duurt dan ook veel langer dan ze verwacht hadden. Ze bellen die dag ook nog met neef Kees en zijn vrouw Annie om te vragen of ze nog enkele spullen kunnen gebruiken. De hebberigheid van die twee kunnen de broers maar moeilijk verdragen.



Het gewichtloze ringetje.

Moeder begint steeds meer te dementeren. Ze heeft nog slechts af en toe haar heldere momenten. Hoewel de dokter zegt dat moeder niet lijdt, heeft de zoon zo zijn twijfels.

Moeder kan namelijk verrassend heldere opmerkingen maken. In het ziekenzaaltje van het bejaardentehuis wordt ze negentig. De zoon zoekt haar die dag op en voert haar een

advocaatje. Drie maanden later overlijdt ze. Onder haar spullen bevindt zich haar trouwring, die in de loop der jaren heel dun en smal is geworden. Het ringetje weegt haast

niet meer. De zoon neemt het mee als herinnering aan zijn moeder.



verhaalopbouw

Het gehele boek bestaat uit twee delen, ‘In volle bloei’ (negen verhalen), en ‘Het verval’ (zes verhalen). Deze slaan op de toestand van de ouders. In het eerste deel zijn zij in de kracht van hun leven, in het tweede zijn zij bejaard.

Het verhaal is opgebouwd uit verschillende hoofdstukken, die ook als aparte verhalen beschouwd kunnen worden. Deze verhalen hebben ieder een eigen titel. Deze hoofdstukken

zijn ook nog onder verdeeld in paragrafen, deze hebben slechts een cijfer. Er is verder geen epiloog of proloog.

De titels van de hoofdstukken slaan op iets wat een belangrijke rol speelt in het verhaal. Zo slaan de titels van de eerste drie verhalen op mensen met wie moeder ruzie

krijgt. In ‘Het verval’ slaan de titels vooral op gebeurtenissen die de schrijver beschrijft, zoals ‘De begrafenis’, ‘De receptie’ en ‘Een verjaardag’.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen