U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Ferdinand Bordewijk - Karakter.
Deze versie komt van http://huiswerk.leerlingen.com/boekverslag/21460/ en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 7909 woorden.

Over het boek “KARAKTER”



En met als speciale verwerkingsopdracht

een vergelijking met het relatief onbekende voorwerk op het boek



De novelle “Dreverhaven en Katadreuffe”



Allebei de werken geschreven door Ferdinand Bordewijk



Hoofdstuk 1 Primaire gegevens van het gelezen werk.

(§ 3.1 uit Literatuur zonder grenzen VWO)

Geef de primaire gegevens van het gelezen werk in het schema hieronder.



Primaire gegevens van het 1e gelezen werk.



Auteur: Ferdinand J.W.C.K.E. Bordewijk

Titel: Karakter

Ondertitel: Roman van zoon en vader

1e druk verschenen in: 1938 (Periode B)

Bij uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar, ’s Gravenhage

Gelezen druk verschenen in: 1998 (34e druk)

Bij uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

ISBN: 90-388-0296-X

Aantal hoofdstukken: 28

Aantal bladzijdes: 248

Leestijd: 10 uur

Uitgelezen op: 15 april 2001



Primaire gegevens van het 2e gelezen werk.



Auteur: Ferdinand J.W.C.K.E. Bordewijk

Titel: Dreverhaven en Katadreuffe

Ondertitel: Met nawoord van Pierre H. Dubois

1e druk verschenen in: 1928 (in tijdschrift) 1981 (Als novelle) (Periode B)

Bij uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar, ’s Gravenhage

Gelezen druk verschenen in: 1981

Bij uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar, ’s Gravenhage

Aantal hoofdstukken: 0

Aantal bladzijdes: 79

Leestijd: 3 uur

Uitgelezen op: 28 april 2001



Hoofdstuk 2 Samenvatting van de inhoud.

Geef een samenvatting van de inhoud die niet korter mag zijn dan 1 A4’tje of ongeveer 350 woorden.



In de eerste zeven hoofdstukken wordt de jeugd beschreven van Jacob Willem Katadreuffe (in een voetnoot op de eerste pagina wijst de auteur erop dat deze merkwaardige naam op zijn Nederlands dient te worden uitgesproken) tot en met zijn eenentwintigste jaar. Deze tijd wordt later door hem een 'periode van mislukking' genoemd.



Zijn moeder is Joba Katadreuffe, die op achttienjarige leeftijd verkracht is door haar twintig jaar oudere werkgever, Arend Barend Dreverhaven. Ze raakt in verwachting en neemt ontslag. Zij heeft een ijzeren gestel, maar door de bevalling met de keizersnede is ze erg verzwakt. Dreverhaven is een gevreesde, genadeloze deurwaarder, die bekent staat als 'het zwaard zonder genade voor iedere schuldenaar die hem in handen viel'. Tot zes keer toe vraagt hij Joba ten huwelijk, maar ze weigert koppig. Ook de postwissels die hij opstuurt, neemt ze niet aan ('De twaalfde keer schreef ze er dwars overheen: Wordt altijd geweigerd.') (Ook een later huwelijksaanzoek, van de schipper Harm Knol Hein, wijst ze af.) Ze vergeeft het zichzelf niet dat ze voor Dreverhaven is bezweken, 'ze had een sterke wil' en wil op eigen kracht verder in het leven.



Jacob Katadreuffe groeit op in armoedige omstandigheden. Zijn moeder verdient wat geld met de borduurkunst, dat opvalt door origineel kleurgebruik en moderne patronen, en met schoonmaken. Bovendien verhuurt ze een kamer aan de communist Jan Maan, die bevriend raakt met moeder en zoon.



Na de lagere school mag Katadreuffe geen vak leren: Joba vindt dat hij zichzelf maar door de wereld moet slaan, 'zij had ook gemoeten'. Na vele baantjes te hebben gehad, raakt hij op zijn achttiende werkloos. Hij schaft boeken aan om zichzelf wat te leren, onder andere een incompleet Duits lexicon. Op zijn eenentwintigste neemt hij om hogerop te komen een sigarenwinkeltje in Den Haag over. Hij leent daarvoor tegen woekerrente geld bij een duister bankje. Als hij zijn schulden niet meer kan betalen, wordt hij failliet verklaard. In verband hiermee bezoekt hij het advocatenkantoor van Mr. Stroomkoning. Hij ziet de vijf koperen naamborden die naast de deur schitteren in de zon. 'Toen stond er iets in hem op.' Katadreuffe beseft dat de jaren van mislukking voorbij zijn. Hij wil dat zijn naam ook op zo'n 'zon' komt te staan.



Op het kantoor ziet hij voor het eerst zijn vader, die veel zaken voor Stroomkoning doet. Hoewel hij het een 'kerel als een beest' vindt, is hij onder de indruk van zijn imposante verschijning. De curator De Gankelaar vindt Katadreuffe een opmerkelijk iemand en besluit hem te helpen: hij bezorgt hem een baantje als typist en bediende op het advocatenkantoor. Katadreuffe komt er achter dat zijn eigen vader achter zijn faillissement zit.



In de volgende vijf hoofdstukken wordt zijn eerste kantoorjaar beschreven. Hij woont op een kamer bij Graanoogst, conciërge bij Stroomkoning, boven het advocatenkantoor. Katadreuffe is leergierig en werkt keihard. Op kantoor hoort hij verhalen over zijn meedogenloze vader, die door de armste buurten trekt om mensen wegens achterstallige huurschulden op straat te zetten. Bureauchef Rentenstein vertelt hem een huzarenstukje van Dreverhaven: om beslag te leggen op een schip sprong hij hartje winter in het ijskoude zeewater. Katadreuffe is door deze verhalen jaloers en trots op zijn vader.



Langzamerhand krijgt hij het verlangen 'die man op zij te komen, voorbij te streven.' Hij gaat studeren voor zijn staatsexamen om zo zijn uiteindelijke doel te bereiken: advocaat worden. Alles moet daarvoor wijken. 'Katadreuffe zocht liefde, flirt, noch spel.' Hij wijst de toenaderingspogingen van het dienstmeisje Lieske en de typiste Sibculo bruut af. Zelfs geeft hij niet toe aan zijn gevoelens voor Lorna te George, Stroomkoning zijn secretaresse, die verliefd op hem is.



Dan verklaart Dreverhaven voor de tweede keer zijn zoon failliet. Woedend zoekt hij zijn vader op, scheldt hem uit voor 'ploert' en 'afzetter'. Bijna wordt hij het slachtoffer van zijn eigen drift als Dreverhaven zijn zoon een mes aanreikt. Katadreuffe weet zich echter te beheersen en stoot het mes met kracht in het tafelblad. Hij heeft een gesprek met Stroomkoning. Deze zorgt ervoor dat de afwikkeling van het faillissement soepel wordt geregeld.



Dan wil de zoon de vader trotseren, Katadreuffe wil tonen dat hij het tegen zijn vader durft op te nemen. Hij leent tweeduizend gulden van hem voor privé-lessen en laat in het contract opnemen dat de schuld ieder moment opvorderbaar is. Kort voordat Katadreuffe met goed gevolg het staatsexamen aflegt, vraagt zijn vader voor de derde keer zijn faillissement aan. Het verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. Weer heeft hij een gesprek met zijn vader en opnieuw houdt die hem een mes voor. Katadreuffe behoudt zijn kalmte en vertrekt waardig.



Omdat hij voor zijn examen is geslaagd, wordt er op kantoor een feestje gehouden. Lorna te George gaat eerder weg en Katadreuffe laat haar uit. Als ze even tegenover elkaar staan, voelt hij dat dit het machtigste moment van zijn leven is. Hij laat het voorbijgaan. De volgende dag meldt zij zich ziek en neemt ze, ondanks verzet van Stroomkoning, ontslag. Jacob voelt zich ellendig en krijgt een maagbloeding. Dan schudt hij de zorgen van zich af, hij besluit dat hij geen man is voor een huwelijk.



Hij begint in Den Haag aan de rechtenstudie. Intussen gaat het met de gezondheid van zijn moeder steeds slechter. Na vijfentwintig jaar bezoekt Dreverhaven haar en doet haar weer een huwelijksaanzoek. Opnieuw wijst ze het af. Ze vraagt hem waarom hij zijn zoon steeds dwarszit. Zijn antwoord is veelzeggend: 'Ik zal hem wurgen, ik wurg hem voor negen tienden, en dat ene tiende dat ik hem laat, dat kleine beetje asem zal hem groot maken, hij zal groot worden, hij zal, bij God, groot worden!' Ook met Dreverhaven gaat het bergafwaarts. Zijn zaken gaan niet meer zo goed (crisistijd!) en hij voelt zich rusteloos en gedesillusioneerd.



Vlak voor zijn doctoraal examen ontmoet Katadreuffe Lorna te George in een park. Ze is inmiddels getrouwd en heeft een kind. Hij zegt haar nooit met een ander te zullen trouwen en een lafaard te zijn. Als hij zijn moeder over hun vroegere 'verhouding' inlicht, geeft zij een bondige conclusie: 'Zo, dan ben je een grote ezel geweest.'



Nog eenmaal probeert de vader zijn zoon te 'wurgen': hij probeert te voorkomen dat hij als advocaat wordt beëdigd. De bezwaren tegen zijn toelating tot de balie worden echter ongeldig verklaard. Aan de gevel van het kantoor ziet hij vier 'zonnen'. Hij leest: 'Mr. J.W. Katadreuffe, advocaat en procureur.'



Die avond gaat Katadreuffe voor een laatste afrekening naar zijn vader. Die reageert echter anders dan hij verwacht had. Jacob wordt woedend als zijn vader hem een hand wil geven en zegt hem niet te hebben tegengewerkt, maar juist te hebben meegewerkt aan zijn carrière. Zijn tegenwerking heeft Jacob immers alleen maar gestimuleerd? Verward gaat hij naar huis. Daar komt hij tot het inzicht dat zijn ambitie hem noodlottig is geworden, dat hij als mens heeft gefaald zowel tegenover zichzelf, als tegenover vier andere mensen: Maan, Te George, zijn moeder en zijn vader.



Hoofdstuk 3 De verdieping



§ 3.1a Tijd (§ 4.1 uit Literatuur zonder grenzen VWO)

In welke tijd speelt het verhaal zich af? Hoeveel tijd verloopt er ongeveer? Chronologische vertelvolgorde? Zitten er veel flashbacks in het verhaal?



Het verhaal is chronologisch en begint ab ovo. Er is 1 uitzondering en dat is het 7e hoofdstuk. Dit begint met “Aldus was het gegaan”, waarna verteld wordt hoe hij aan zijn baan bij het advocatenkantoor van Stroomkoning terechtkwam. In het 6e hoofdstuk werd namelijk een gesprek weergegeven dat hierop volgde tussen Katadreuffe met zijn moeder en later in dat hoofdstuk tussen Katadreuffe en Jan Maan. De totale verteltijd is gelijk aan de leeftijd van Katadreuffe aan het eind van het boek, want het begint met zijn geboorte en stopt als hij 28 jaar en advocaat geworden is. De vertelde tijd is dus 28 jaar, in een verteltijd van 248 bladzijdes. Deze 28 jaar spelen zich ongeveer af tussen 1904 en 1932. Er worden slechts sporadisch duidelijke tijdsaanduidingen gebruikt. Over het algemeen zijn het termen als: “De volgende winter” of “Tegen de zomer”. “In de lente van het jaar achttien” zit hij in de hoogste klas van de lagere school. Aan het eind van het boek is hij “nog geen dertig” en hij begint met werken bij het kantoor als hij 21 is.



§ 3.1b Ruimte (§ 4.1 uit Literatuur zonder grenzen VWO)

In welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er sprake van plaatswisseling? Beschrijf de relatie tussen plaats(wisseling) en thema.



Het grootste gedeelte van het verhaal speelt zich af in de stad Rotterdam. Een klein deel speelt zich af in Den Haag, waar Katadreuffe korte tijd een sigarenhandel bezit. Dreverhaven houdt kantoor in de binnenstad, dat afgeschilderd wordt als een duister gebied. Zijn donkere kantoor staat in schril contrast met het kantoor van Stroomkoning. Dit is een helder kantoor, wat symbolisch tot uiting komt als Katadreuffe het kantoor binnenstapt en verblind wordt door de zon die weerkaatst in de 5 koperen naamborden naast de deur. Hierop staan de namen van de advocaten. Het bord van Stroomkoning is iets groter dan dat van de anderen en er staat een zon boven. De lichte ruimte wordt gebruikt om carrière van Katadreuffe te symboliseren. De donkere ruimte van het kantoor van Dreverhaven straalt de duisterheid van Dreverhaven en de aard van zijn zaakjes, die niet altijd even ‘schoon’ zijn.



§ 3.2 De wijze van vertellen (§ 4.2 uit Literatuur zonder grenzen VWO)

Geef aan vanuit welk perspectief het boek is geschreven en kies uit:

1. De ik-verteller

2. De hij/zij- of personale verteller

3. De alwetende of auctoriale verteller



Er is sprake van een auctoriale vertelinstantie. Katadreuffe wordt van binnenuit belicht, je ziet dingen zoals hij ze ziet. Dit komt vooral nogal dikwijls voor bij beschrijving van andere personages. In vaktermen wordt dit vision dedans genoemd. De auctoriale vertelinstantie trekt zich dan terug.

Het tijdsperspectief is het zogenaamde vision par derrière, wat wil zeggen dat het boek geschreven is als een soort terugblik. Dit is te zien aan formulerenen als: “Later zou hij beseffen dat […]” en “Hij besefte niet dat hij toen reeds […]”. Dit wordt versterkt omdat de gebruikte werkwoordsvorm de verleden tijd is.



§ 3.3 Thema en motieven (§ 4.4, opdracht 26 & 27 uit Literatuur zonder grenzen VWO)

Opdracht 26: Maak een schema van het thema en de motieven van het door jou gelezen boek.

Opdracht 27: Zoek in secundaire literatuur informatie over thema en motieven in het werk dat je gelezen hebt en voeg er je eigen conclusie aan toe.



Een thema is de relatie tussen de vader en de zoon. Dit thema is meteen in de ondertitel terug te vinden. De flaptekst van de 1e druk: “De strijd tussen zoon en vader, waarbij de zoon eindelijk tot het inzicht komt dat de vader met zijn tegenstand geenszins de bedoeling had de carrière van de zoon te doen mislukken”

Een ander thema is ondergangsbesef. Katadreuffe spreidt een soort van ijzeren zelftucht ten spreid waardoor hij weliswaar hoog op de maatschappelijke ladder terechtkomt, maar in relaties gedoemd is te falen. Aan het einde van het boek komt Katadreuffe tot dit inzicht: “dat er vier mensen in zijn leven waren en het was alles een droefheid.”



De motieven zijn vervreemding, monsterlijkheid, standsverschillen, (zelf)tucht, verwording en verval en haat en liefde.

Vervreemding omdat Katadreuffe zich moeilijk kan uitten en hierdoor nauwelijks in contact komt met anderen. Door zijn koppigheid en trots wilde hij geen hulp van anderen aanvaarde, wat de vervreemding verergerde. Zijn moeder en vader hebben ook last van vervreemding. Joba omdat zij hetzelfde karakter heeft als haar zoon, Dreverhaven door zijn indrukwekkende verschijning en zijn meedogenloze optreden als deurwaarder.

Monsterlijkheid, want de extreme opvattingen van Dreverhaven, Joba en Katadreuffe mogen bewust monsterlijk worden genoemd. Op dit terrein overtreft Katadreuffe zijn vader zelfs.

Standsverschillen, er wordt duidelijk onderscheidt gemaakt tussen de plebs en de hogere stand. Katadreuffe komt van het plebs, maar werkt zich omhoog tot een uitstekend advocaat. Ook wordt Dreverhaven door de verteller “toch een deurwaarder” genoemd.

(Zelf)tucht, waardoor Katadreuffe uiteindelijk advocaat is geworden. Aan het eind van het boek wordt het Katadreuffe echter duidelijk dat hij door zijn zelftucht als advocaat misschien succesvol is, maar als mens volkomen mislukt.

Verwording en verval. Katadreuffe vervalt steeds meer als sociaal mens maar verwordt een advocaat. Ook is er verval te zien is de gezondheid van Joba en Dreverhaven.

Tenslotte haat en liefde. Deze verhoudingen zijn er onder ander tussen vader en zoon en moeder en zoon en zijn eigenlijk vreemd te noemen. Niet alleen in deze relaties, maar ook in de relatie Katadreuffe – Lorna Te George en die van Joba met schipper Harm Hein Knol, die haar tot tweemaal toe een aanzoek doet, is een mengeling van tegenstrijdige gevoelens merkbaar.



§ 3.4 Personages (§ 4.5, opdracht 31 uit Literatuur zonder grenzen VWO)

Opdracht 31: Maak een schema bij het door jou gelezen boek.



Jacob Willem Katadreuffe

Jacob is het kind van Jacoba en Dreverhaven, Dreverhaven is wel de vader, maar hij heeft Jacob als kind nooit gezien, omdat Jacob bij zijn moeder woont. Hij heeft dezelfde sprekende bruin/zwarte ogen als zijn moeder. Hij heeft ook hetzelfde karakter als zijn moeder, daarom kan hij niet zo goed met haar opschieten. Als eigenaar van een sigarenwinkel heeft hij niet veel succes. Bij een advocatenbureau wordt hij kantoorbediende en hij besluit zich boven zijn armoede van zijn jeugd uit te werken en hij gaat studeren. Hij heeft veel tegenslagen, waar zijn vader voor zorgt, maar uiteindelijk weet hij zich op te werken van kantoorbediende tot advocaat. Hij komt erachter dat hij een toekomst van totale eenzaamheid tegemoet gaat. Toen hij ging studeren heeft hij alles voor zijn studie over gehad en hij gunde zichzelf daardoor haast niets. Ook Lorna te George wijst hij af waar hij achteraf toch wel spijt van heeft. Hij vond haar echt leuk. Ook vindt hij dat hij eigenlijk veel beter met zijn moeder had moeten omgaan, maar daar komt hij veel te laat achter. Ze is al jaren ziek, maar nu gaat het nog slechter met haar en ze zal wel snel dood gaan. In de naam Katadreuffe herkennen sommige critici het woord ‘katastrofe’.



Jacoba (Joba) Katadreuffe

Ze is de moeder van Jacob en ze is net zo koppig als hem. Ze wil van niemand hulp aannemen, Dreverhaven wil met haar trouwen, maar dat wil ze niet. Hij geeft haar ook elke maand geld maar dat wil ze ook niet. Ze moet hard werken voor haar geld, maar hoe moeilijk ze het ook heeft, ze wil niet dat Jacob eronder leidt Ze heeft veel voor hem over. Ze is al een tijdje ziek, maar ze zegt nooit hoe ze zich voelt.



A.B. Dreverhaven

Dreverhaven is de vader van Jacob, maar hij is niet de wettige vader van hem. Hij is een machtige, ongenadige, keiharde en angstaanjagende man. Dreverhaven zit Jacob op alle mogelijke manieren dwars, maar daardoor doet Jacob alleen nog maar meer zijn best om zijn vader voorbij te streven. Jacoba was vroeger het dienstmeisje van Dreverhaven en hij liet zich verleiden door haar schoonheid. Hij wilde met haar trouwen omdat hij dat zijn plicht vond. Als hij een kind verwekte moet hij daar ook verantwoordelijk voor zijn, maar dat wilde zij niet.



Jan Maan

Hij heeft een heel ander karakter dan de rest van de personages. Hij heeft veel interesse in meisjes en hij is fel aanhanger van een communistische partij. Hij is een soort tegenpool van Jacob. Hij doet totaal geen moeite om wat te leren of hoger op te komen. De naam “Maan” symboliseert een tegenstelling tot de drie voorgenoemde personages.



Enkele andere personages die een rol spelen zijn:



Lorna Te George, met wie Katadreuffe faalde om een relatie te ontwikkelen

De Gankelaar, verarmde adel die Katadreuffe zijn eerste faillissementsaanvraag

indiende en hem later aannam als persoonlijk kantoorbediende. Verwaand persoon tegenover ‘het volk’ en vindt de advocatenpraktijk niet zo belangrijk en houdt zich liever bezig met antropologische filosofie.

Stroomkoning, hoofd van het advocatenkantoor waar Katadreuffe als kantoorbediende begon en eindigde als advocaat

Rentenstein, hoofd van het kantoorpersoneel bij het kantoor van Stroomkoning. Wordt ontslagen nadat deze gefraudeerd blijkt te hebben om gokschulden, o.a. aan Dreverhaven’ te voldoen. Later wordt hij, onder toezicht van Katadreuffe, die de boekhouding op zich neemt, weer aangenomen.

Graanoogst is de conciërge van het pand waar het kantoor van Stroomkoning gevestigd is. Hij verhuurt een kamer in dit pand war Katadreuffe een lange periode woont.

Harm Knol Hein is de oprechte en ongecompliceerde schipper die tot twee maal toe Joba ten huwelijk vraagt.





Opdracht 38: Verklaar (onder)titel en/of motto (eventueel met behulp van secundaire literatuur).



De titel Karakter slaat op het belangrijkste thema in het boek (zie §3.3) De ondertitel roman van zoon en vader duidt op de belangrijkste relatie in het boek. Die tussen Dreverhaven en Katadreuffe, en is terug te vinden in het motief haat en liefde. Hoewel het gebruikelijker zou zijn geweest roman van vader en zoon te gebruiken, heeft Bordewijk hier terecht voor de andere combinatie gekozen. De zoon, Katadreuffe, is namelijk vele malen belangrijker dan de vader, daar het boek vooral over Katadreuffe handelt.

Het boek is opgedragen aan Nina en Robert, Ferdinand Bordewijk zijn kinderen. “Voor mijn kinderen, Nina en Robert”.

Het bevat ook een motto, in het Engels.

A sadder and a wiser man

He rose the morrow morn

S.T. Coleridge

Dit is geschreven door Samuel Taylor Coleridge in “The rime of the ancient mariner”. In dit verhaal maakt een zeiler een reis. Bij de evenaar wordt hij door een mysterieuze wind richting zuidpool geblazen. Daar heeft hij honger en schiet een albatros aan. Dit had hij nooit mogen doen, want albatrossen zijn de beschermdieren van zeelieden. Hij ging terug naar Engeland, maar zou pas rust vinden als hij iemand het verhaal had verteld. Hij komt op een gegeven ogenblik drie bruiloftsgasten op weg naar een bruiloft. Hij spreekt één van de drie aan en vertelt het verhaal. De volgende dag staat deze gast op en is bedroefd (sadder) omdat hij de bruiloft gemist heeft. Maar hij is ook wijzer (wiser) geworden.

Dit motto is ook op Katadreuffe toepasbaar. Aan het begin is hij een arbeider en moet nog veel leren. Aan het eind van het boek komt hij tot inkeer dat hij een relatie met Lorna had kunnen opbouwen. Hij is bedroefd, maar ook wijzer geworden.



§ 3.6a Relatie tussen tekst en auteur (§ 4.7, opdracht 42 & 43 of 44 uit Literatuur zonder grenzen VWO)

Opdracht 42: Zoek (een) interview(s) met de auteur en vertel na het lezen hiervan wat je van zijn of haar opvattingen terugvindt in het gelezen werk.



Ferdinand Bordewijk is al een tijd geleden overleden. Hij was een persoon dat weinig interviews gegeven heeft, derhalve heb ik, zeer tot mijn spijt, tot op heden nog geen interview gevonden met hem.



Opdracht 43: Zoek informatie over de biografie van de auteur en geef aan wat volgens jou de relatie is tussen diens biografie en het gelezen werk.



Ferdinand Johan Wilhelm Christiaan Karel Emiel (vanaf 13 maart 1919 officieel alleen nog maar Ferdinand) Bordewijk werd op 10 oktober 1884 geboren te Amsterdam als derde zoon van Hendrik Bordewijk, hoofdcommies bij de Rijkspostspaarbank, en Johanna Wilhelmina Appolonia van Bijlevelt. In 1894 verhuisde het gezin, vanwege een verandering van functie van de vader, naar Den Haag. Daar bezocht hij van 1898 tot 1904 het Eerste Haagsch Gymnasium. Nadat hij was geslaagd voor het eindexamen, ging hij in Leiden rechten studeren, maar hij bleef in Den Haag wonen.

Na zijn rechtenstudie in Leiden trad hij in januari 1913 in dienst van een advocatenkantoor aan de Boompjes in Rotterdam. Hij trouwde in 1914 met de autodidact-componiste Johanna Roepman (1892-1971). Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, in 1915 een zoon en drie jaar later een dochter. De laatste publiceerde enkele romans. In december 1919 vestigde hij zich als zelfstandig advocaat in Schiedam. Den Haag bleef echter zijn domicilie. In de oorlog woonde hij in de Tweede Van den Boschstraat, vlakbij het kantoor van de Kultuurkamer, in het Bezuidenhout. Op 3 maart 1945 werd deze wijk bij vergissing door de Engelsen gebombardeerd. Van huis en inboedel van Bordewijk restte niets dan rokend puin. Korte tijd woonde hij in Leiden, maar direct na de oorlog keerde hij terug. Hij werd voorzitter van de Eereraad voor Letterkunde die een oordeel moest vellen over het gedrag van schrijvers gedurende de oorlog. In december 1945 werd hij benoemd tot bestuurslid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, in 1947 werd hij voorzitter van de Jan Campert-stichting en in juni 1948 lid van het bestuur van het Anjerfonds Zuid-Holland.

Officiële erkenning voor zijn literaire werk kreeg Bordewijk betrekkelijk laat. In 1949 ontving hij voor zijn roman 'Noorderlicht' de eenmalig toegekende Prijs voor kunsten en wetenschappen. Voor 'De doopvont' en 'Studiën in volkscultuur' werd hem in 1953 de P.C. Hooft-prijs toegekend. Zijn gehele oeuvre werd in 1957 bekroond met de Constantijn Huygens-prijs. Een vorm van eerbetoon is ook het feit dat de prijs voor een prozawerk van de Jan Campert-stichting sinds 1978 zijn naam draagt. In april 1997 ging de film (regie: Mike van Diem) naar de roman 'Karakter' in première. Deze werd bekroond met een Oscar voor de beste buitenlandse film, hetgeen een hernieuwde belangstelling voor het boek met zich meebracht.

Bordewijk overleed op 28 april 1965 in Den Haag. Hij werd begraven op Oud Eik en Duinen. Kenmerkend voor zijn opstelling tegenover zijn schrijverschap dat hij zijn gehele leven strikt gescheiden wenste te zien van zijn maatschappelijke functie is de tekst die op zijn grafsteen staat: Mr. Ferdinand Bordewijk advocaat.

Bordewijk heeft nogal wat geschreven. Bijgevoegd is een zeer uitgebreid bibliografisch overzicht. Hij schreef onder zijn eigen naam en onder de pseudoniemen Tom Ven en Emile Mandeau. De door mij gelezen werken van Bordewijk zijn daarin dikgedrukt en onderlijnd.

Er is een duidelijke relatie te vinden tussen Bordewijk en het gelezen werk. Bordewijk werkte bij een advocatenkantoor aan de Boompjes 11 in Rotterdam. Het advocatenkantoor van Stroomkoning, waar Katadreuffe ging werken, was op dezelfde locatie gevestigd. In het boek is er ook sprake van een link met een kantoor in Engeland. Dit is misschien te verklaren omdat Bordewijk in 1937 dit boek schreef toen hij in Engeland op vakantie was.



Opdracht 44: Zoek informatie over typische stijlkenmerken van de auteur en geef daarvan voorbeelden uit het gelezen werk.



Een kenmerk van Bordewijks stijl dat terugkomt in Karakter, is dat Joba, Dreverheven en Katadreuffe zgn. Bordewijkiaanse personages zijn. In andere werken hadden de personages namelijk soortgelijke eigenschappen al bovengenoemde drie personages.



§ 3.6b Relatie tussen tekst en context (§ 4.9, opdracht 54 uit Literatuur zonder grenzen VWO)

Opdracht 54: Geef aan welke consequenties voor de vorm en/of de inhoud de verplaatsing van het werk naar een andere maatschappelijke, cultuurhistorische context of naar een andere stroming zou hebben



De plaatsing van dit boek in een ander cultuurhistorisch perspectief had zeer grote invloed gehad op de inhoud. Het werk verplaatsen naar dit jaar, 2001, zou als effect hebben gehad dat het boek zeer anders geworden was en daar zijn meerdere verklaringen voor te vinden.

Ten eerste is de rechtspraktijk veranderd. Een deurwaarder is niet zo een belangrijk persoon voor de rechtsgang in deze tijd.

Ten tweede zijn de standenverschillen, een belangrijk motief uit dit boek, er niet of nauwelijks meer. In de tijd van Karakter was ‘het volk’ onderontwikkeld t.o.v. de hogere klasse. Nu kan iedereen, arm of rijk, ongeacht de afkomst, een goede opleiding volgen op zijn of haar niveau. De lange weg die Katadreuffe aflegt om uiteindelijk advocaat te kunnen worden, zou nu niet meer nodig zijn. Hij zou direct advocaat kunnen worden in plaats van eerst kantoorbediende te moeten zijn. Ik denk dat Karakter in deze tijd niet zo goed en mooi geschreven zou kunnen worden.



Hoofdstuk 4 De literaire recensie

(§ 5.1, opdracht 57 uit Literatuur zonder grenzen VWO, aan de hand van 1 recensie)

Opdracht 57: Lees een recensie over het literaire werk dat je gelezen hebt en geef de belangrijkste argumenten aan.



De Groene Amsterdammer, 05-10-1988

Het kathedraalgevoel bij Bordewijks Karakter : de klassieke keuze van August Hans den Boef

Door August Hans den Boef



'Jacob Willem, kom je betalen?' denderde Ko van Dijk in de rol van deurwaarder in de televisieserie Karakter naar de gelijknamige roman van Bordewijk. Maar het is niet Van Dijks galmende stem die August Hans den Boef een 'kathedraalgevoel' geeft bij het herlezen van die roman. Dat gevoel komt voort uit de combinatie van stijlen zoals je die ook in oude kathedralen aantreft. Bordewijks 'Karakter' is grillig, onzuiver, asymetrisch, tijdgebonden. Het is een gedateerde standenroman. Maar daarom juist klassiek, in een onklassieke zin.



Wat in de Nederlandse literatuur klassiek heet, hangt af van het circuit waartoe degene behoort die deze kwalificatie hanteert. De luie Neerlandicus doelt op de canon die hem tijdens zijn studie is voorgehouden. De ambitieuze specialist probeert onder deze noemer vergeten meesterwerken onder het stof vandaan te toveren. De literatuurjournalist verzamelt namen en anekdoten. De betekenis van de term voor de minderheid van gewone burgers die graag een interessant boek leest, kan ik alleen maar proberen te omschrijven.

Misschien gaat het zo. In de loop van de jaren horen we allerlei teksten klassiek noemen. Als we zo'n tekst beginnen te lezen voelen we vaak enige reserve: meestal ziet het boek er ook niet prettig uit: oubollige kaft, ouderwetse nawoorden. Desondanks vallen we er regelmatig voor. Niet zozeer omdat onze voorgangers gelijk hadden, maar omdat we in de klassieke tekst iets ontdekken dat interessant is uit een ander oogpunt dan het historische of dat van de 'eeuwige waarden'. Niet dat de term voor mij ooit iets positiefs heeft vertegenwoordigd. Klassiek: bruintinten, boenwas, de muziek tussen twee kerkdiensten.

Als ik werkelijk mijn best doe om bij de term aan kunst te denken, is mijn eerste associatie een architectonische. Gebouwen vol soberheid en harmonie, die de liefhebber vol minachting afzet tegen de stijl van hun voorgangers: de gothiek. Als ik een omschrijving van de term klassiek zou geven die mij wel positief voorkomt, is dat paradoxaal genoeg juist: literatuur als een kathedraal. Grillig, niet stijlzuiver, asymmetrisch, stedelijk, niet voor een bepaald publiek gemaakt. Tijdgebonden. Bordewijks Karakter.



Ezel

De plaats van Karakter in de canon hoef ik niet te verdedigen. Samen met Bint is het Bordewijks bekendste en populairste werk; het boek beleefde zevenentwintig drukken in een halve eeuw, het is vertaald en in ons land tot een televisieserie bewerkt. We herinneren ons nog hoe Ko van Dijk op het scherm de monumentale deurwaarder Dreverhaven neerzette ('Jacob Willem, kom je betalen?')

Al bij de verschijning in 1938 hebben eerbiedwaardige recensenten als Vestdijk en Donker hun lof over het boek uitgestort en regelmatig wordt Karakter als referentiepunt gebruikt. Niet alleen in Achterbergs gedicht 'Passage', maar ook recenter. Een jaar geleden begon de criticus Carel Peeters zijn boekje Postmodernisme - een aanval op het verdwijnen van de personages in hedendaagse literatuur - zelfs met een beschrijving van de hoofdpersonen in Karakter, voor het contrast.

Karakter is courant in de boekwinkel te koop en prijkt nog steeds op de scholieren-topvijfig. Het zegt mij allemaal weinig, met name die scholieren. Misschien bestaat er wel een goed uitreksel van voor onze no-nonsense leerlingen. Er zijn tegenwoordig zelfs uittreksels van uittrekselboeken in de handel: bij de Hema kun je er eentje kopen dat vertelt hoe Katadreuffe ook de vrouw van zijn dromen opoffert om zijn moeder te behagen, bovendien bijna zijn vader vermoordt, en dat alles nog vergeefs ook, want uiteindelijk noemt zijn moeder hem een ezel (een Oidipous-geval, volgens de luie Neerlandicus die het boekje schreef).



Betrekkelijk

Dat Karakter in mijn Nederlandstalige canon thuishoort, komt door het kathedraal-gevoel dat ik bij het lezen krijg. Het boek als gedrocht, als combinatie van stijlen. Niet als een postmodern produkt van glad maniërisme (de kathedraal die de definitieve vorm al op de tekentafel bezit). Veel meer als het resultaat van elkaar opvolgende literaire preoccupaties die zichtbaar zijn gebleven, die niet zijn weggeretoucheerd. Karakter is een onzuiver boek, een overgangsprodukt, volstrekt niet de gave synthese van Bordewijks voorgaande stijlen die generaties critici er in ontdekten. Alles is er immers. Het fin de siècle van het bloedspoor op het hoofdkussen, het naturalisme van de serie gebitten, het 'gothische' van de Rotterdamse sloppen en steegjes; de nieuwe zakelijkheid van automobiel, wereldhaven, filmliga, oorlogswinst, superieur blond ras, crisis en communisme.

Ik denk overigens dat Bordewijk Karakter wel als een klassieke roman in de gebruikelijke zin heeft bedoeld. Kort na de verschijning van het boek hield hij namelijk een causerie over 'de bouw van de roman'. Hierin typeerde hij de novelle als een natuurlijke eenheid, de roman daarentegen als een uit eenheden opgebouwde veelheid. Des te kunstiger vond hij een roman naarmate er meer novellen in terug te vinden zijn, mits daarbij de afgerondheid niet verloren gaat. De roman zou men, volgens Bordewijk, kunnen vergelijken met een symfonie volgens de klassieke stijl in vier delen.

Conform deze opvattingen moest hij Karakter niet erg geslaagd vinden. In de schaarse interviews die hij toestond, spaarde Bordewijk het boek dan ook niet. Katadreuffe oordeelt hij een eenvoudig karakter, tegenover de grotere, interessantere en meer gecompliceerde figuur van Dreverhaven. Karakter is een 'betrekkelijk faciel' boek met een eenvoudig gegeven, volgens Bordewijk de verklaring voor de populariteit. Tot in 1963, een jaar voor zijn dood, zou Bordewijk bezwaren blijven ventileren: het boek 'toont verwantschap met zijn jonge carrièremaker: het slaagde slechts betrekkelijk'.

Bovendien wilde Bordewijk zijn lezers al die jaren een bepaalde interpretatie opdringen. Zo liet hij in de flaptekst zetten dat de rechtspraktijk vanuit een bediende en een deurwaarder wordt bekeken, niet vanuit de advocaat. Ook in latere interviews houdt hij aan deze interpretatie vast. Maar die klopt niet: het commentaar van de verteller op sommige juridische situaties in het boek kan alleen maar uit de hoek van een ervaren advocaat komen.

Ik geloof dat deze krampachtigheid van Bordewijk in het verlengde ligt van de intentie die hij bij het schrijven had. Hij wilde aan de hand van één voorbeeld een zeldzame osmose tussen de standen demonstreren en daarbij het milieu waartoe hijzelf behoorde buiten het boek houden. Dat is hem gelukt. Deels omdat hij niet kon volstaan met een beschrijving van het milieu waaruit Katadreuffe zijn klim begon: ook iets van de wereld die aan de einder wenkte, diende de lezer te kennen. En vooral lukte het niet omdat Bordewijk van een alwetende verteller uitging, die beide werelden kan overzien. Op die manier sluipt er vanzelf een commentaar van een oudere heer uit de betere standen tussen de pagina's.

Wat niet wegneemt dat de advocaten met wie Katadreuffe zich langzamerhand ging identificeren, voornamelijk zakenlieden zijn, een aspect dat door de kritiek is onderbelicht. De advocaat Stroomkoning, Katadreuffes chef, is vooral een zakenman - zie de passage over het dure restaurant waar de havenbaronnen als in een burcht nestelen. Want Rotterdam was voor de schrijvende advocaat Bordewijk toch vooral de havenstad waar zaken werden gedaan. Het is dan ook in deze richting dat Katadreuffe zelf, aan het slot van het boek, zijn carrière verder ziet ontwikkelen.



Gedateerd

Onzuiver aan Karakter vind ik - ik heb het hierboven al gezegd - dat de diverse perioden waarin Bordewijk met de stof aan de slag is geweest, alle in het uiteindelijke produkt hun sporen hebben achtergelaten. Het kathedralige. Oorspronkelijk was Bordewijk namelijk heel iets anders van plan.

Het begon met een idee voor een novelle: De man in den hoek. Een vermogend zakenman 'herkent' in een trampassagier de onechte zoon die hij nooit heeft gezien. De jongen wil echter niets meer met hem te maken hebben. In 1928, met de novelle Dreverhaven en Katadreuffe, werkte Bordewijk dit gegeven voor het eerst uit. Katadreuffe was daar nog een kantoorklerk die wegens diefstal in de gevangenis had gezeten en door de gruwelijke vader Dreverhaven naar de definitieve ondergang wordt gevoerd. Merkwaardig is dat de deurwaarder op het laatste moment opmerkt dat hij 'ook wel goed' voor de jongeman wil zijn. Zonder succes, ook deze maal.

Bordewijk meende vervolgens, zo schreef hij aan Victor van Vriesland, dat hij na de novelle behoefte had het geval verder uit te diepen, 'de figuur van Katadreuffe meer kracht in te gieten en meer reliëf te geven, en het geheel op breeder plan te brengen, met diverse bijfiguren'. Zo 'ontstond toen de roman Karakter, die in zijn geheel eerst in De Gids van 1938 uitkwam'. Breder plan, bijfiguren, dat alles was nodig voor Bordewijk om zijn ideeën over de standen te illustreren.

Het meest interessant aan Karakter vind ik, zoals vaker bij 'historische' teksten, de gedateerdheid, voor mij een positief begrip. Veel liever lees ik Robinson Crusoe als de verhandeling van een puriteinse koopman dan als het eeuwige verhaal van het eiland, de man en de wilde. Of Van den Vos Reynaerde en Van der Mollefeeste als een inventaris van de standen en de opvatting over standsverschillen op een bepaald moment en een bepaalde plaats in de middeleeuwen. Die eeuwige corruptie in politiek en rechtspraak en de eeuwige dood die ieder gelijk maakt, het kan mij gestolen worden. Gedateerdheid bezorgt mij meer plezier dan eeuwigheidswaarde. Verhandelingen noch opvattingen kan ik dan ook loszien van de literaire middelen waarmee ze worden gepresenteerd, de taal waarin ze zijn geformuleerd.



Standenroman

Wat lees ik aan gedateerds in Karakter? Veel critici beschouwen, net als Bordewijk zelf, deze roman als een beschrijving van de strijd tussen vader en zoon, van een proces van aantrekking en afstoting. Pierre H. Dubois spreekt liever van een 'roman van een carrière'; een Bildungsroman die de ontwikkeling van volksjongen tot advocaat, van man tot heer, weergeeft. Volgens mij is de term 'carrière-roman' nog te beperkt: ik lees en herlees Karakter steeds meer als een standenroman. Dit laatste ontdek ik niet alleen in de carrière van Jacob Willem Katadreuffe, maar ook in andere niveaus van het boek. Het negatieve vrouwbeeld, waaraan slechts beschaafde dames ontsnappen; de positieve waardering voor Joba Katadreuffes abstracte handwerk, waar de ouderwetse middenstander aan wie ze het levert niets in ziet; de bewondering van Katadreuffe voor de films van Eisenstein tegenover de afschuw van de preutse streber voor het wat erotischer werk van A. Room; de ironie van de verteller jegens bedienden en parvenu's.

Wat de lagere standen betreft gaat het om twee ideeën: enerzijds dat ze bestaan uit ruwe, onvolledige mensen en anderzijds dat het doorstromen naar een hogere stand slechts zelden voorkomt. Er zijn tientallen verwijzigingen naar de significantie van de standsverschillen. Het meest saillant is de passage waarin Katadreuffe constateert: 'Hoe zelden maar bleek iemand uit het volk een hoofd te hebben geschikt voor studie. Het leerhoofd was doorgaans erfelijk, de kinderen uit de hogere standen kwamen beter toegerust ter wereld, hun koppen waren ronder, hun voorhoofden hoger, de nauwe of vluchtende schedels bleven bij hen een uitzondering.'

Bordewijk nuanceert de standsverschillen in zoverre, dat hij hen als het gevolg van erfelijkheid beschouwt, waarbij hij de maatschappelijke scheiding in Karakter niet met een verdeling in good guys en bad guys laat samenvallen. Er zijn immers luie en 'smiegtige' advocaten, terwijl Stroomkoning en Dieverhaven niet geheel legaal speculeerden en zelfs oorlogswinsten maakten ('Ze hadden zwaar gewonnen in de suiker, maar alles weer verloren en nog meer, in de melasse'). Het volk kent daarentegen trouwe, kiese en ingetogen representanten, op een paar lawaaischoppers na.

Ik denk dat Bordewijks genuanceerdheid er de oorzaak van was dat critici als Vestdijk, Donker of Ter Braak, die Karakter in 1938 bespraken, zijn standsopvattingen buiten beschouwing lieten. Zij dachten in grote lijnen niet anders over die 'vluchtende schedels' dan Borderwijk, maar tegen een schematische verdeling van goeden en slechten op basis van standsverschillen zouden zij ethische bezwaren hebben geuit, zeker bij een realistische roman.

Even positief als eertijds over de roman was men aan het begin van de jaren zeventig over de televisiebewerking te spreken. Wat mij verbaasde was dat niemand toen inging op het nieuwe slot dat de bewerkers hadden bedacht. We zagen namelijk op het scherm een sentimentele Dreverhaven bij het graf van Joba ronddwalen. Beter had de regisseur, wanneer hij zo graag buiten het boek wilde treden, Katadreuffe tussen de havenbaronnen kunnen filmen. Grijs, met een bolknak.



De recensent is positief over het boek. Hij vergelijkt het met een kathedraal: Grillig, niet stijlzuiver, asymmetrisch, stedelijk, niet voor bepaald publiek gemaakt en tijdsgebonden. Juist deze mix van stijlen beweegt hem ertoe Karakter in te delen bij de klassieke boeken. Hij beschouwt het als en onzuiver boek, een overgangsproduct en volstrekt niet de gave synthese van Bordewijks voorgaande stijlen, zoals andere critici zeggen. “Alles is er”, aldus de recensent. Hij denkt dat Bordewijk echter Karakter wel als een klassiek boek zou beschouwen.

Klassiek wordt hier niet bedoeld in het rijtje van Plato, Ovidius en Vondel, als wel als klassiek qua vormen qua inhoud.

De recensent heeft ook een boekje, uitgekomen in de memoreeks, geschreven met daarin een analyse en samenvatting van Karakter (uitgeverij Walva-Boek).



Hoofdstuk 5 De persoonlijke beoordeling.

(§ 5.2 [minimaal 300 woorden] uit Literatuur zonder grenzen VWO)

Maak een persoonlijke beoordeling volgens § 5.2 van Literatuur zonder grenzen VWO van minimaal 300 woorden.



Het onderwerp

Ik vond het een interessant onderwerp. De relatie zoon-vader is goed weergegeven. Dit onderwerp, de relatie dus, is niet herkenbaar, hoewel ik me wel in Katadreuffe kan inleven.

Het boek had voldoende, zelfs zeer veel, diepgang. Veel meer dan de novelle. Helaas heb ik de film niet gezien, maar ik denk niet dat het onderwerp op het witte doek beter uitgelicht kan worden dan in het boek of zelfs niet zo goed als in de novelle.



De gebeurtenissen

In het boek waren m.i. de gebeurtenissen ondergeschikt aan de gevoelens van de hoofdpersoon. Alhoewel het merendeel van het boek volgens mij gebeurtenissen beschrijft, zijn de gedachtes van de hoofdpersoon hier toch superieur aan. De meeste gebeurtenissen waren niet saai, maar de novelle is beduidend spannender dan het boek. De gebeurtenissen leken mij nogal vreemd soms, maar dat komt veelal omdat het lastig i mij in te leven in e tijdsgeest van die tijd. De afloop in de novelle en het boek verschillen nogal. Ik vind de afloop in het boek mooier, want daar heeft Katadreuffe echt carrière gemaakt en in de novelle ‘alleen’ zijn vader overwonnen.



De personen

De hoofdpersoon kwam, net zo als alle personages in het boek, echt heel levensecht over. Door Bordewijk zijn schrijfstijl kan je je heel goed inleven in J. W. Katadreuffe. De hoofdpersoon is op twee punt zeer verschillende van mij: Hij heeft veel zelftucht en maar één vriend. In de novelle is het moeilijker om je in te leven in de hoofdpersoon, omdat er hier veelal oppervlakkig op het karakter ingegaan wordt.



De opbouw

Het verhaal was vlot te lezen. Door de chronologische volgorde was het goed te volgen. Bij de novelle was dit nog beter mogelijk. Alles was begrijpelijk in het boek en er waren weinig spannende momenten. Vooral de eerste ontmoeting met zijn vader komt in het boek op het goede moment. De afloop begon naar mijn mening iets te snel. In de novelle is er eigenlijk nooit een saai moment, omdat alle gebeurtenissen elkaar zo snel opvolgen.



Het taalgebruik

In het boek gebruikt Bordewijk kortere zinnen dan in de novelle. De zinsbouw en woordkeuze zijn over het algemeen makkelijk, maar men dient er wel rekening mee te houden dat het boek al in 1937 (Bordewijk schreef het in 8 weken toen hij in Engeland op vakantie was) geschreven is en daardoor de spelling en sommige woorden nogal eens onbekend over kunnen komen.



Hoofdstuk 6 Literaire vormen

(Hoofdstuk 2, §1.2 uit Literatuur zonder grenzen VWO)

Deel je werk in een van de 3 hoofdgenres en geef indien mogelijk een subgenre aan.



Het werk valt onder de epiek en is een roman. Hij kan worden gerekend worden tot de stroming van de nieuwe zakelijkheid. Karakter kan ook een ontwikkelingroman genoemd worden omdat de geestelijke ontwikkeling van de hoofdpersoon centraal staat. Hij ontwikkelt zich van een mislukte ambachtsman tot een succesvol jurist.



Hoofdstuk 7 Extra verwerkingsopdrachten

(Kies 2 opdrachten uit lijst op stencil)



Verwerkingsopdracht 22: Maak van een door jou gekozen spannende scène in het boek een filmscript, met extra aandacht voor elementen als licht en geluid die de spanning kunnen verhogen.



-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+



[Het is schemerdonker, er is een flauwe schemering van een lantaarn. Katadreuffe loopt langs het pand. Je hoort alleen zijn voetstappen. Hij beklimt de trap. Voetstappen op metaal. Binnen is er gelach van de bewoners. Het halletje is verlicht door een flikkerende lamp. Katadreuffe opent de deur naar Dreverhaven zijn kantoor. De deur gaat knarsend open. K. stapt binnen en loopt naar de volgende deur. Camera vanaf rechterkant K. De zwaar houten vloer kraakt. De kamer is donker. Langzaam hoor je muziek. De volgende deur gaat open. Muziek versnelt en wordt harder. Camera naar Dreverhaven. Bel gaat. Je ziet Dreverhaven zijn ogen sluiten. Camera terug naar Katadreuffe je ziet alleen zijn voeten over het hout lopen. De schoenen zijn versleten. Hij loopt naar een volgende deur. Camera laat volgende, glazen deur zien. In deze ruimte zie je flauw licht van de kamer van Dreverhaven de ruimte invallen. Muziek wordt steeds sneller en harder. K. Stapt de laatste deur door. Voetstappen houden halt. Camera draait achter Katadreuffe langs van rechts en stopt als K. vol in beeld is, staand aan het bureau van zijn vader. Plots houdt de muziek op. Camera naar D. en zoemt in op diens gezicht.]



Dreverhaven: “En”



[Einde scène]



-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+-+



Verwerkingsopdracht 50: Maak een vergelijking tussen de behandeling van het thema in dit boek met de behandeling in een ander boek.



De novelle Dreverhaven en Katadreuffe verscheen in 1981 voor het eerst in boekvorm. In 1928 werd het in 15 delen gepubliceerd in het weekblad de vrijheid. Dit boek wordt als voorwerk op Karakter beschouwd. Het boekje is een stuk dunner en de onderlinge relaties die er in voorkomen tussen personages zijn die van Katadreuffe en Dreverhaven.

Waar Karakter als ondertitel heeft een roman van zoon en vader met de zoon als eerstgenoemde, heeft Bordewijk de volgorde in de novelle omgedraaid. De essentie, de afloop van beide werken is gelijk. In het einde overwint Katadreuffe. De inhoud is min of meer gelijk. Hieronder enkele de verschillen en overeenkomsten. De paginanummers verwijzen naar de novelle.



Er zijn nogal wat overeenkomsten te vinden. Enkele duidelijk herkenbare volgen hieronder.

I. Schuld van Katadreuffe is bij een maatschappij die in het bezit is van Dreverhaven. (p. 11)

II. Kantoor Dreverhaven is in beide werken aan de Lange Baanstraat. (p. 14)

III. De beschrijving van het kantoor van Dreverhaven in de novelle komt overeen met de beschrijving in de roman. (p. 18-20)

IV. Als begroetingswoorden tussen vader en zoon bij de eerste ontmoeting wordt hetzelfde woord gebruikt: “En”. (p. 20)

V. Net als in Karakter bezit Dreverhaven twee winkels. In de novelle heten ze “De kleine verkwister en “De concurrent”. Deze winkels zijn naast elkaar gevestigd en verkopen hetzelfde. De prijzen bij “De concurrent” zijn hoger dan in de andere winkel, maar bij “De kleine verkwister” zijn ze nog steeds hoog. In Karakter heeft Dreverhaven ook twee winkels. “De concurrent” en “Au petit Gaspillage” (Vertaald is dit “bij de kleine verkwister”). In karakter is “De concurrent” echter goedkoper dan “Au petit Gaspillage”. (p. 25/p. 39)

VI. Een dialoog is overgenomen in Karkater. Dreverhaven staat bij het gerechtsgebouw te werken. Hij wijst mensen de juiste rechtzaal aan. In beide boeken zegt iemand dat hij namens de dagvaardiging komt. Waarop Dreverhaven antwoordt: “Je moet zeggen dagvaarding, en je moet zeggen dat je komt als gedaagde. Die deur”. (p. 30)

VII. In beide boeken treedt ene Mr. Schuwagt op als eiser namens Dreverhaven in de faillissementszaak tegen Katadreuffe. In Karakter is dit bij de tweede faillissementsaanvraag, in de novelle bij de eerste. (o.a. p.34)

VIII. In beide werken legt Dreverhaven een mes op zijn bureau en daagt hiermee Katadreuffe uit om hem te vermoorden. (p. 35)

IX. Net als in Karakter sluit Katadreuffe in Dreverhaven en Katadreuffe voor de 2e keer een lening af bij zijn vader. (p. 39)

X. In de novelle heeft Katadreuffe gestolen geld (zie verschillen IV) gebruikt om boeken voor te kopen. Hij heeft hier o.a. een lexicon van gekocht. Dit heeft hij in Karakter ook.

XI. Net als in Karakter is er in de novelle ook sprake dat Dreverhaven alle gezinnen die in zijn kantoor gehuisvest zijn eruit gooit. En net als in de novelle is er een cordon van politieagenten nodig om de boze menigte buurtbewoners op afstand te houden. (p. 64-65)

XII. Net als in Karakter laat Dreverhaven in zijn kantoor een grote schacht maken die moet dienen als rookafvoer voor de kachels (p. 65)



Naast overeenkomsten zijn er ook verschillen:



I. Waar in het boek de schuldeiser van Katadreuffe de Maatschappij voor Volkskrediet, in de novelle is het de Maatschappij Harmonie (p. 11)

II. In het boek zit het veilinghuis van Dreverhaven op de Hooimarkt, in de novelle is dat de Vlasmarkt.

III. Katadreuffe werkt in de novelle op een bank en niet op een advocatenkantoor. (o.a. p. 36)

IV. Katadreuffe heeft in de novelle één maand celstraf gehad wegens diefstal. (p.52)

V. In Dreverhaven en Katadreuffe rookt Katadreuffe veel, in Karakter is hij een zeer matige roker. (p. 43)

VI. In de novelle gaat Katadreuffe voor Dreverhaven werken, in het boek is hier geen sprake van (p. 43)

VII. In het boek is Katadreuffe onafhankelijk van Dreverhaven, terwijl hij in de novelle op een bepaald moment totaal van Dreverhaven afhankelijk wordt. (p. 63)

VIII. In de novelle ‘neemt’ Katadreuffe ontslag bij de bank. (p. 61)

IX. In de novelle worden de persoonlijke bezittingen van de mensen die Dreverhaven uit zijn kantoorpand zet opgeslagen in zijn veilinghuis, in het boek in kantoorpand zelf. ( p. 65)

X. In het boek heeft Dreverhaven geen portret van Joba Katadreuffe, in de novelle wel. (p. 68)

XI. Op bovengenoemd portret reageert hij zich af in de novelle. In het boek ‘reageert’ hij zich aan het al af, door met Joba de koffer in te duiken. (p. 69)

XII. In de novelle is er sprake van een scheldkanonnade van Dreverhaven, wat tevens het grootste stuk tekst is die in de novelle gesproken wordt. (p. 71)

XIII. In de novelle erkent Dreverhaven Katadreuffe uiteindelijk als zijn zoon.

(p. 72-73)

Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen