U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Hubert Lampo - De Komst Van Joachim Stiller.
Deze versie komt van http://www.verslagen.com/index.php?page=boek_toon&boek_id=327 en is laatst upgedate op 05/09/2005.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3046 woorden.

Titelverklaring



De komst van Joachim Stiller, deze titel is op zich al heel duidelijk. Als je hem ziet zonder dat je het boek gelezen hebt, weet je dat er een persoon, Joachim Stiller, in het boek zal komen. Die komst zal dan wel heel belangrijk zijn, als er een titel van wordt ‘gemaakt’. En zodra je het boek leest, weet je ook dat die komst heel belangrijk is. Het is namelijk het hoogtepunt van het boek, er wordt naar de komst toegewerkt. Er worden allerlei spanningen opgebouwd, en bij de komst van Joachim Stiller zijn ze eindelijk weg. Maar als hij dan komt, wordt hij doodgereden. Dat is een hele bevrijding voor sommige mensen.

Met de komst wordt dus het punt bedoeld waar Stiller zich ook echt wil laten zien, maar de komst kan ook worden bedoeld als Stiller laat weten dat hij er is door allerlei geheimzinnige gebeurtenissen.







Samenvatting



De 37-jarige Freek Groenevelt woont in Antwerpen en is alleenstaand. Dagelijks schrijft hij stukjes over de stad voor ‘De Scheldebode’, een Antwerpse krant. Op een dag ziet hij een paar arbeiders de Kloosterstraat openbreken, even pauzeren en daarna de straat weer dichtgooien. Freek vindt het vreemde voorval wel interessant en schrijft er een stukje over voor in ‘De Scheldebode’. Later krijgt Freek bezoek van zijn vriend Andreas. Deze heeft in een nieuw jongeren tijdschrift getiteld ‘Atomium’ een stukje gelezen, waarin een felle aanval op Freek wordt gedaan. Andreas is hier zeer verontwaardigt over en overtuigt Freek om de jongelui later eens te gaan opzoeken.

Als Freek de volgende dag op kantoor komt, legt Clemens Waalwijk, directeur van ‘De Scheldebode’ hem een brief voor. Die brief komt van de wethouder van openbare werken, Keldermans genaamd. In de brief protesteert hij tegen de onjuiste berichtgeving over het openbreken van de Kloosterstraat. Freek gaat naar de wethouder toe, om zijn gelijk te halen. In een vertrouwelijke sfeer zegt wethouder Keldermans dat hij niet twijfelt aan de eerlijkheid van Groenevelt. Hij moest de brief echter wel schrijven. De wethouder bekent dat er dingen gebeuren, die hem angstig maken. Freek begrijpt er niets van en verlaat abrupt het stadhuis.

Dan krijgt Freek een brief van ene Joachim Stiller, waarin deze zegt dat de schijnbare onbelangrijke gebeurtenis in de Kloosterstraat ‘andere verschijnselen’ aankondigt,

Freek wordt in de gaten gehouden. Freek vindt het op zich al een heel vreemde brief, vooral als hij ziet dat de brief ruim anderhalf jaar voor zijn geboorte gepost is.

Dan gaat Freek op bezoek bij de redactie van het tijdschrift ‘Atomium’. Hij komt terecht bij de 25-jarige wiskundelerares en redactrice Simone Marijnissen. Simone verteld dat ook de redactie een vreemde brief van Joachim Stiller heeft gekregen. De redactie dacht dat Freek de brief zelf had geschreven, en daarom hadden ze dat stukje in het ‘Atomium’ geschreven. Simone betuigt haar spijt, maar Freek verlaat zeer geirriteerd haar woning.

Tijdens een hevige onweersbui loopt Freek binnen bij zijn vriend Geert Molijn, een antiquaraat. Daar ziet Freek een boek uit de zestiende eeuw. Als hij het leest blijkt het een geschrift te zijn van een Duitse mysticus, die een verklaring geeft van de openbaring van Johannes, het laatste boek van de Bijbel. Hij neemt het mee naar huis.

Als Freek een avondje uit is, komt hij Simone tegen in de ‘Monikkenkelder’. Zij laat hem een tweede brief van Joachim Stiller lezen. Freek gelooft dat het een grap is van haar collega’s. Simone’s verloofde, die er ook is, is vreselijk jaloers als Freek met Simone danst.

De volgende dag gaat Freek met het boek uit het antiquariaat van Geert Molijn naar de Stedelijke Bibliotheek. Zijn vriend Wim Valckeniers toont aan dat het boek geschreven is door ene Joachim Stiller, meester in de theologie in Ausburg. Stiller heeft aan de universiteit in die stad van 1552 tot 1555 theologie gedoceerd en is wegens subversieve ideeen weggejaagd. Wim weet ook iets van grafologie en Freek laat hem het handschrift van Joachim Stiller zien. Wim: ‘Het ontbreekt deze man in hoge mate aan persoonlijkheid. Iemand die helemaal niet bestaat, maar nietemin zou kunnen schrijven, zou het ongeveer zo doen als deze man.’ Als Freek thuiskomt van zij bezoek wacht Simone hem daar op. Ze is gebeld door Joachim Stiller. Hij heeft haar gezegd dat ze Freek de vorige avond niet alleen had mogen laten. Verder deelt Simone mee dat ze haar verloving heeft verbroken.

De volgende dag gaan Freek en Simone met de brief naar professor Schoenmakers. Zijn assistent onderzoekt de brief in het lab, de brief blijkt echt achtendertig jaar oud te zijn. Christiaan Sipido, grafoloog van beroep, bekijkt het handschrift en meent dat Joachim Stiller een ‘onthutsend evenwichtig persoonlijkheid’ moet zijn.

Op de terugweg eten Freek en Simone in een gezellig restaurant en slapen bij Freek. Om twintig over een wordt hun aandacht getrokken door het extra luide spel van het carillon van de kathedraal. Niemand anders hoort het. Freeks horloge blijft stil staan. Dan belt een onbekende op: ‘Eens zal ik u van alle vrees bevrijden’. Freek en Simone beseffen dat Joachim Stiller hier achter moet zitten.

Wiebrand Zijlstra, een oude schoolvriend van Freek, organiseert voor de pers en andere genodigden een cocktail-party om het door hem ontdekte schilderstalent voor te stellen. Freek en Simone gaan erheen. Daar wordt er geschoten op Wiebrand. Siegfried, het nieuwe talent, is de dader. Siegfried ontsnapt en klimt het dak op, dan valt hij en breekt zijn nek. Voor hij sterft, stamelt hij: ‘Stille…. Zeg aan Sti…’.

Hierdoor is Freek voorgoed in bezit genomen door angst. Hij, Simone en Geert Molijn bespreken enige veronderstellingen ter verklaring van het raadselachtige optreden van Joachim Stiller. Ze komen echter niet tot een bevredigde oplossing en gaan koffie drinken.

Op weg naar de krant verneemt Freek van enige mensen een onheilstijding: de wereld zal vergaan. Een man met een dophoedje geeft zich uit voor engel. Een van de redacteuren zoekt de oorzaak van al die opwinding bij de zonsverduistering die die dag te zien zal zijn. Freek verneemt van wethouder Keldermans een ander verhaal. ‘s Morgens is het gerucht al verspreid door een aantal lieden die op bepaalde plaatsen in de stad post hadden gevat. De politie die een oogje in het zeil moesten houden, zijn letterlijk van de aardbodem verdwenen. Als Freek en Simone in het havengebied rond zwerven worden ze getroffen door aanplakbiljetten van Circus Stiller. Ze gaan samen naar het circus toe. Freek is er zeker van dat de harlekijn dezelfde persoon is als de man die hem aansprak op de morgen van de zonsverduistering. Freek raadpleegt een psychiater, die past op Freek chemico-analyse toe. De ik-figuur herinnert zich nu dat hij in de oorlog een raketaanval heeft meegemaakt,

waarbij een Amerikaanse soldaat dodelijk getroffen werd. Het was: ‘Major Joachim Stiller, Longwood, Massachusetts, U.S.A.’ Het is er voor Freek niet eenvoudiger op geworden.

Als Freek thuis komt verteld Simone dat ze in verwachting is. Ook heeft Freek een brief van Joachim Stiller gekregen, waarin deze aankondigt dat hij vrijdagavond om half negen bij het Zuidstation zal arriveren. Samen met Simone en Geert Molijn gaat hij naar het Zuidstation, waar hij ook wethouder Keldermans treft.

Om half negen komt Stiller uit het station. Ondanks zijn blonde haren ziet hij eruit of hij van Joodse afkomst is. Dan herkent Freek hem: de soldaat die hij in de oorlog heeft zien sterven. Als Stiller de straat oversteekt, wordt hij door een vrachtwagen doodgereden.

Na het ongeluk worden Freek, Simone, Geert Molijn en wethouder Keldermans door de politie verhoord. Het blijkt onmogelijk de identiteit van het slachtoffer vast te stellen. Geert heeft een aantal theorien over het verschijnen van Joachim Stiller opgeschreven. Freek leest deze notities door en wordt getroffen door de uitspraak: ‘Stiller niet altijd Stiller geweest?’ Geert meent dat Stiller zich elders op andere tijdstippen en dus voor andere mensen heeft gemanifesteerd, waarschijnlijk onder een andere naam.

Freek, Simone en Keldermans gaan de gestorvene een laatste groet brengen, mar het lichaam van Stiller is op de derde dag na zijn dood verdwenen.

Ook wordt de betrokkenheid van Keldermans met Joachim Stiller onthuld. Toen het dochtertje van de wethouder vijftien jaar was, is ze bij een bombardement om het leven gekomen. Freek was hierbij aanwezig. Naast hem lag een Amerikaanse militair dood te bloeden; zijn naam was Stiller.





Informatie over boek en schrijver



Hubert Lampo wordt op 1 september 1920 in een buitenwijk van Antwerpen geboren. Hij groeit op in een vrijzinnig-socialistisch milieu. In 1938 haalt Lampo zijn lesbevoegdheid, hij gaat dan in het lager onderwijs werken maar studeert ook verder om in het voortgezet onderwijs aan de slag te kunnen. In 1941 studeert hij af, maar blijft op zijn oude school werken. Dan debuteert hij in 1942 met de novelle Don Juan en de laatste nimf. Over het algemeen wordt hij goed ontvangen: deze schrijver is een wonderkind…….

In 1944 gaat hij werken bij het Archief en Museum van het Vlaamse Cultuurleven in Antwerpen. Daarna vervult hij zijn dienstplicht bij een administratieve legereenheid.

Na zijn militaire dienst wordt Lampo journalist. Hij werkt ook freelance voor een uitgeverij, waar hij redactiesecretaris wordt van het pas opgerichte Nieuw Vlaams Tijdschrift. Ook is hij hoofdredacteur van het cultureel-politieke weekblad Parool, dat na een jaar wegens gebrek aan lezers wordt opgeheven. Bij de Volksgazet, een Antwerpse krant, is hij dan al redacteur kunst en letteren.

In 1945 schrijft Lampo zijn eerste echte roman, Hélène Defraye. Het is meteen een succes, behalve dan bij de katholieke pers van Vlaanderen. Het boek was niet ‘braaf’ genoeg. In 1948 solliciteert Lampo met succes op de functie van rijksinspecteur bij de Dienst voor Openbare Bibliotheken Oost-Vlaanderen.

Met De ruiter op de wolken (1948), De belofte aan Rachel (1952), Terugkeer naar Atlantis (1953) en De duivel en de maagd (1955) bouwt Lampo na de oorlog gestaag een oeuvre op. Hij gaat van psychologische romans over op het ‘magisch-realisme’. Dat is een literaire stroming die mede door Lampo, samen met zijn Vlaamse collega-schrijver Johan Daisne is ontwikkeld.

In 1960 publiceert Lampo De komst van Joachim Stiller. Deze magisch-realistische roman is ook meteen zijn beroemdste: Lampo heeft met zijn latere, indrukwekkende productie (zo’n vijftig boeken!) nooit meer de faam weten te evenaren die Stiller hem bracht. De roman speelt zich af in Lampo’s geliefde Antwerpen. Freek Groenevelt heeft last van depressies, maar krijgt nog meer zorgen als er in zijn leven merkwaardige, soms ronduit absurde en angstaanjagende dingen gebeuren. Bij elk voorval is een zekere Joachim Stiller betrokken. Pogingen zijn identiteit te achterhalen lopen stuk. Maar dan komt er een verbogen herinnering naarboven, over een bombardement aan het einde van de oorlog. Groenevelt heeft toen vergeefs geprobeerd een Amerikaanse soldaat het leven te redden. Die soldaat heette Joachim Stiller. Dan legt Stiller opnieuw contact en maakt een afspraak met Groenevelt. Als hij op het punt staat hem te ontmoeten, wordt Stiller geschept door een auto en overlijdt ter plekke. Als ze hem later opzoeken in het lijkenhuis, is zijn lichaam verdwenen. Het gekke is, dat de komst van Joachim Stiller Groenevelt op één of andere manier bevrijd.

De gelijkenis tussen Stiller en Jezus is treffend. Lampo zegt echter dat de overeenkomst hem pas halverwege het schrijven opviel. De Christusachtige Joachim Stiller is een typisch voorbeeld van wat Lampo óók bedoelt met magisch-realisme: als je je onbewuste laat spreken, komen er beelden uit voort die iedereen herkent. Vandaar dat alle lezers in Stiller, zegt Lampo, het archetype oftewel oerbeeld van de bevrijder te zien.

‘Ik schreef dit boek om in het reine te komen met het angsttrauma en daar ben ik wel in geslaagd , geloof ik,’ zegt Lampo. Hij krijgt in 1963 voor De komst van Joachim Stiller de Staatsprijs voor Vlaams verhalend proza.

In 1968 wordt Lampo bevorderd tot hoofdinspecteur. De journalistiek, die hij al die jaren trouw is gebleven, zegt hij dan vaarwel. In datzelfde jaar trouwt hij bovendien voor de derde keer. Met zijn vrouw Lucia woont Lampo sinds 1968 in het plaatsje Grobbendonk.

!n 1976 verschijnen De prins van Magonia en Een geur van sandelhout. In deze boeken kan de hoofdpersoon de wetten van tijd en ruimte trotseren, iets wat tot de ‘ingrediënten’ van het magisch-realisme hoort. Maar de recenten zijn steeds minder positief, zijn boeken beginnen te vervelen, altijd hetzelfde dat kennen we nu wel.

Ook storen zij zich aan de tevredenheid die Lampo regelmatig uitspreekt over zijn eigen werk. Zo ‘recenceert’ Lampo zijn eigen werk in De draad van Ariadne (1967) en later in Joachim Stiller en ik (1979). In deze opstellen ‘legt’ hij zijn romans ‘uit’ om te laten zien hoeveel diepgang zij hebben.

In 1975 zegt Lampo tegen het weekblad Elsevier dat critici hem willen ‘vermoorden’. Lampo had bijna twintig jaar lang boekrecencies geschreven voor de Volksgazet. Hij legde de lat in zijn kritieken toen zo hoog, dat men zich nu massaal zou willen wreken.

Toch krijgt Lampo wel degelijk erkenning. Hij wordt bijvoorbeeld in 1969 als eerste Vlaming gevraagd om het boekenweekgeschenk te schrijven. Dat boek wordt De goden moeten hun getal hebben. In 1974 wijzigt hij die alleen voor Vlaamse lezers begrijpelijke titel in Kasper in de onderwereld. Ook als Lampo de zestig is gepasseerd, blijft hij enorm productief en trouw aan het magisch-realisme. Hij publiceert onder andere:

- Wijlen Sarah Silbermann (1980)

- Zeg maar Judith

- De elfenkoningin (1989)

- De verdwaalde carnavalsvierder (1990)

- De man die van nergens kwam (1991)

- Schemertijdmuziek (1993)

In 1993 wordt met tentoonstellingen en speciale uitgaven herdacht dat Lampo vijftig jaar schrijver is, maar het krijgt nauwelijks respons.



Hieronder volgen enkele gewonnen prijzen:

1947 - De prijs voor de beste roman van de provincie Antwerpen voor Hélène Defraye.

1955 - De Arthur Merghelynckprijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde voor Terugkeer naar Atlantis.

1957 - De prijs voor de beste roman van de provincie Antwerpen voor De duivel en de maagd.

1960-1962 - De driejaarlijkse Staatsprijs voor Vlaams verhalend proza voor De komst van Joachim Stiller.

1967 - De prijs van de Vlaamse Letterkundigen voor De Heks en de Archeoloog.

1971 - De Sfan Award voor de vertaling van Jean Ray's Malpertuis.

1976 - De prijs voor het essay van de provincie Antwerpen en de prijs van de Vlaamse Provincies voor De zwanen van Stonehenge.

1980 - De Sfan Award voor Sciencefiction-novellen in diverse bundels.

1982 - De Sfan Award voor algemene activiteiten ten gunste van de literatuur





Personages



De hoofdpersonen zijn:

- Freek Groenevelt, round character. Hij maakt een enorme ontwikkeling door in het verhaal. Eerst is hij vrijgezel en dat bevalt hem prima. Hij is zelfbewust en heeft een kalme persoonlijkheid. Eigenlijk is zijn leven erg saai maar heel vertrouwelijk. Door de komst van Joachim Stiller verandert alles. Freek ontmoet Simone Marijnissen en geeft zijn vrijgezellenleven op. Door de geheimzinnige berichten en gebeurtenissen van Joachim Stiller raakt Freek in de war. Hij wordt angstig, is onzeker en voelt zich snel bedreigt. Ook denkt hij regelmatig gek te worden. Dit alles door Joachim Stiller.

- Simone Marijnissen, flat character. Zij is de redactrice van het blad Atomium. Zij krijgt ook rare berichten van Joachim Stiller en komt daardoor in aanraking met Freek Groenevelt. Zij helpt Freek het geheim te ontrafelen en steunt hem. Langzaam bouwen ze een relatie op. In het begin van het verhaal wordt al duidelijk gemaakt wie Simone precies is, en in de rest van het verhaal blijft ze ook zo.

- Joachim Stiller, flat character. Er wordt heel weinig over hem verteld, terwijl het hele verhaal toch om hem draait. Wel weten we dat hij een Joods uiterlijk heeft en dat zijn naam ook van Joodse komaf is. Zijn “verschijning” brengt heel wat teweeg. Ook lijkt het alsof hij een eeuwig leven heeft en een voorspellende gave. Dus hij is niet aan te duiden als een bepaald individu.



Belangrijke bijfiguren zijn:

- Wiebrand Zijlstra, een oud-schoolgenoot van Freek. Hij verdient zijn geld op nogal vage manieren.

- Geert Molijn, een antiquair en bevriend met Freek.

- Professor Schoenmakers, hij komt in aanraking met Freek via Geert Molijn. Hij helpt hem bij zijn zoektocht.

- Christiaan Sipido, een grafoloog en ook hij helpt Freek.

- Wethouder Keldermans, ook hij krijgt berichten van Stiller.

- Clemens Waalwijk, hoofdredacteur van De Scheldebode, het blad waarvoor Freek schrijft.

Perspectief: Ik-perspectief. Het verhaal wordt zelf geschreven door Freek. Hij is een belevend-ik, maar heel af en toe komt zijn vertellende-ik naar boven en geeft hij commentaar. Dan neemt hij het standpunt van de alwetende in. Door al schrijvende van het gebeurde afstand te nemen, ontdoet Groenevelt dit van zijn historiciteit en verleent hij er een algemeen-menselijke betekenis aan.

Tijd: Het verhaal begint op 13 juli 1957 en duurt ongeveer de hele zomer. Het verhaal neemt dus een paar maanden in beslag. Het tijdsverloop is chronologisch, maar eigenlijk is het hele verhaal een flash-back want het zijn herinneringen van Freek die hij opschrijft. En er zitten ook weer flashbacks in de flashbacks. Tijdsverdichting komt af en toe voor.

Maar het lijkt wel of er nog een bovennatuurlijke tijd is. Stiller speelt als het ware met de tijd. En als hij inderdaad een archetype is, kan hij op elk tijdstip ter plaatse komen. Dus de vraag is moeilijk te beantwoorden.

Ruimte: Er wordt in het boek nauwelijks gesproken over de stad Antwerpen waarin het zich afspeelt. Toch zorgt die stad ervoor dat de grenzen tussen de verschillende periodes van de geschiedenis vervagen en een eenheid tot stand brengen. Dan heb je nog de zolderkamer van Groenevelt, deze staat symbool voor de Hemelvaartachtige loutering die Groenevelt door de dood van Stiller zal doormaken.







Tijd



Het verhaal speelt zich af van 13 juli tot ongeveer midden augustus 1957. Het verhaal wordt achteraf opgeschreven, maar een enkele keer wordt de lezer in de tegenwoordige tijd toegesproken. De gebeurtenissen rond Stiller zijn in de verleden tijd geschreven en staan in chronologische volgorde. Een enkele keer is er sprake van vooruitwijzingen.





Ruimte



Het verhaal speelt zich af in Antwerpen en dit werkterrein van Freek wordt tot in details realistisch weergegeven. Op deze wijze wordt het contrast tussen de surreële en reële gebeurtenissen aangescherpt.

Zowel Freeks zolder als het antiquariaat van Molijn zijn gevestigd in renaissancegebouwen, wat verwijst naar Freeks wedergeboorte na de komst van Stiller. In beide gebouwen ontvangt Freek dan ook tekens van Stiller. Het antiquariaat vormt een rustpunt temidden van de gebeurtenissen.

Het weer is uitvoerig beschreven. De zon duidt altijd een geheimzinnige actie van Stiller aan, het noemen van regen brengt meestal rust. De zon staat in verband met het voorwereldlijke zoals ook Stiller niet echt tot deze wereld behoort, omdat tijd en ruimte voor hem niet lijken te bestaan. Het voorkomen van een gedeeltelijke zonsverduistering staat in verband met Freeks angst voor de ondergang van de wereld en heeft tevens een Messiaans aspect.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen