U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Adriaan Van Dis - Een Barbaar In China.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/1146 en is laatst upgedate op 01/02/2000.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 750 woorden.

Het boek “een Barbaar in China” van Adriaan van Dis gaat over een man (zijn naam wordt nergens genoemd, ik noem hem even Adriaan, dat is wat makkelijker) die een reis maakt door China. In het boek wordt de complete reis, en wat Adriaan van de dingen die hij ziet vind, beschreven.



Het boek begint in een eethuis in Amsterdam, waar Adriaan een Chinees Meisje uitlegt dat hij de zijderoute door China wou gaan volgen, de route waarover vroeger de Chinese handelswaar (onder ander zijde) naar Europa werd vervoerd.



De reis begint met een busreis van Turpan naar Kashgar. Adriaan weet met moeite een kaartje te kopen, want de Chinezen daar houden niet zo van vreemdelingen.

De busreis is geen pretje, iedereen rochelt gewoon op de grond, en er wordt alleen gestopt om te eten en te slapen (de busreis duurt ongeveer 4 dagen) bij “hotels” waar de chauffeur ook voor betaald wordt. En dat zijn meestal niet erg comfortabele en hygiënische hotels.

Het volgende gedeelte van de reis ging van Xian naar Lanzhou.

Als Adriaan probeert een zijdeplantage te bezoeken (hij reist immers over de zijderoute), verzinnen de Chinezen allerlei smoesjes om maar geen buitenlander op hun plantages te krijgen. Uiteindelijk vindt hij een iemand die hem wel zijn zijdeplantage wil laten zien. ‘s Avonds maakt Adriaan een wandeling door Lanzhou. Twee meisjes vragen aan hem of hij even met ze wil praten. Het blijkt dat ze bij een groep horen, die andere talen wil leren. Adriaan werd tijdens de rest van de reis ook al steeds aangehouden door mensen die een praatje met hem wilden maken om hun Engels te testen. De volgende dag bezoekt Adriaan het Labrang-klooster, een Tibetaanse gemeenschap, vlak bij Lanzhou. In het klooster is er bijna alleen maar voedsel te vinden dat is gebaseerd op yak vlees of boter (niet echt lekker). Zijn gids maakt hem wijs dat hij in de kamer van hun “Levende Boeddha” slaapt. Maar als Adriaan de levende Boeddha wil zien, verzint zijn gids een hoop smoesjes. Later komt Adriaan erachter dat de levende Boeddha gewoon in Lanzhou werkt. Hij is verbannen uit Labrang.

De reis gaat per trein verder. Bij een station bedelen kinderen aan de raampjes van de trein. De andere passagiers gooien afval en kokend water naar hun, en lachen ze uit. Adriaan geeft ze een paar appels. Adriaan had de wagonbediende gevraag hem 20 minuten voor de trein bij zijn station kwam wakker te maken. Maar de trein was veel eerder bij het station, en Adriaan had maar een minuut om zijn spullen te pakken en uit te stappen. In de haast verloor hij z’n kaartje. Toen hij geen kaartje kon laten zien, dachten de controleurs dat hij een zwartrijder was en wordt hij hardhandig in een cel gedreven. Met moeite wist Adriaan zijn boete te betalen om zo vrij te komen. Samen met zijn tolk reist Adriaan verder. Als hij bij een plaats komt die vroeger een bedevaartsoord was, krijgt hij te maken met boze Chinezen. De Chinezen houden elke buitenlander verantwoordelijk voor de heilige geschriften en kunstwerken die Europese ontdekkingsreizigers lang geleden gestolen hebben.

Om over de Khunjerab pas te komen, probeert Adriaan mee te rijden met een vrachtwagen chauffeur. Dat kost hem 800 yuan “and shoe”. Adriaan vindt het niet zo erg om zijn schoenen weg te geven. Later blijkt dat de chauffeur geen “shoe” bedoelde, maar “you”. Na een klap op z’n kop van Adriaan, hoeft het niet zo nodig meer. Zijn chauffeur heet Abdullah, en hij legt uit dat dat “Slaaf van god” betekent. Als ze bij een veldje met veel marmotten komen, knalt de chauffeur er een paar neer. Die geeft hij ‘s avonds aan een paar vrienden van hem, in ruil voor een overnachting. Als Adriaan vraagt waarom hij zelf niet van de marmotten mee-eet, zegt hij dat marmotten net ratten zijn, en dat het goed genoeg is voor Chinezen, maar niet voor een slaaf van god. Met moeite komt Adriaan over de grens van China en Pakistan, want zijn visum loopt af op 30 November, en dat is volgens de Chinees daar de 10e maand. Met behulp van zijn agenda weet Adriaan uit te leggen dat November toch echt de 11e maan is, en mag hij verder.





Het laatste gedeelte was van China naar Pakistan, waar het verschil tussen de twee landen meteen duidelijk. In Pakistan eet men met mes en vork in plaats van met stokjes, en de hotels zijn een stuk schoner.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen