U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Miep Diekmann - Marijn Bij De Lorredraaiers.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/1136 en is laatst upgedate op 26/09/1998.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3908 woorden.

Titel

Marijn bij de Lorredraaiers



Schrijfster

Miep Diekmann



Illustraties/omslag ontw.

Dick de Wilde



Uitgever

Uitgeverij Leopold b.v. `s-Gravenhage



Pagina's

324 (+ legenda en woordverk. 331)



Hoeveelste druk

Zesde druk 1981



Hoeveel hoofdstukken

23 hoofdstukken



Inleiding

Marijn is in het verhaal ongeveer 17 jaar oud. Hij zit in de klas bij meester Claesz, samen met Oeba, Knikkertje en nog vele anderen.

Het verhaal speelt zich af in de 17e eeuw op De Nederlandse Antillen. Iedereen had in die tijd wel één of meerdere sla-ven om het leven van de eigenaar te vergemakkelij-ken. Het gezin bestond uit: Marijn, zijn jongere zusje Oeba, zijn oudere zus Aletta, zijn vader Commissaris de By en zijn moe-der. Er waren ook nog twee huisslavinnen. De jongste was Knikkertje, een speel-kameraatje van Oeba en Marijn. En er was ook een huisslavin waarvan de naam niet genoemd wordt in het boek. Zij wonen in de hoofdstad van Curaçao, De Willemstad. Als je een jongen was kon je al rond je 16e jaar een belang-rij-ke functie hebben want de mensen werden niet oud. Het boek is vooral geschreven tegen de rassendiscriminatie.



Korte inhoud

Het boek begint om zes uur in de middag van de 20ste okto-ber 1681 op Curaçao. Oeba, Marijn en Knikkertje staan op De Punt en keken over de smalle monding van het meer Sint Anna. Oeba en Marijn gingen zoals iedereen naar school. Maar Knik-kertje was een uitzondering, want zijn was bijna de enige slaaf op de wereld, die ook naar school ging. Maar niet naar een slaven-school, maar naar een gewone school. De school waar meester Claesz werkte. Op die zelfde school en ook in dezelfde klas zaten Oeba en Marijn. De andere kinderen uit de klas deden niet anders tegen Knikkertje omdat een slaaf was. Knikkertje net zo`n goede leerling als alle andere kinderen uit de klas.



Aletta, de oudere zus van Marijn en Oeba, ging trouwen met de chirurgijn Jan-Frederik. Op de dag voor hun bruiloft liepen Vader en Moeder samen met Aletta en Jan-Frede-rik langs de kust van De Willemstad. Opeens waren Jan-Frede-rik en Aletta Vader en moeder kwijt. En op dat zelfde moment gebeurde er iets vreselijks. Er kwam een vloedgolf aanzetten en deze bedekte de hele De Willem-stad met water. Dit water verwoeste alles. Het was een grote ramp. Oeba, Marijn en Knikkertje waren op het Fort Am-sterdam toen de ramp gebeurde, daarom konden zij makke-lijk wegkomen. Marijn zei dat ze direct naar de school moesten gaan om mees-ter Claesz te helpen, want hij verzorgde de zieken en gewon-den. Marijn ging de brandende stad in om te gaan zoeken naar over-levenden. Maar helaas vond hij er maar een paar. Opeens dacht hij aan de huisslavin, zijn vader, moe-der, Aletta en Jan-Frederik. Die zaten misschien in hun huis opge-sloten. Hij ging meteen zo hard als hij kon naar huis, maar hij vond daar niemand. Hij wist natuurlijk niet waar iedereen zat. Hij was moe en bedroefd omdat hij dacht dat Vader, Moe-der, Aletta, Jan-Frederik en hun huisslavin dood waren. Hij ging naar school om Oeba en Knikkertje van het slechte nieuws op de hoogte te brengen. Maar tot zijn grote vreugde zag hij toen hij bij school aangekomen was, dat Jan-Frederik en Aletta er ook waren. Aletta en Jan-Frederik vertelden dat ze Vader en Moeder kwijt waren geraakt. Marijn vertelde dat hij thuis was geweest en dat er niemand thuis was. Marijn ging na even rusten, weer naar buiten om te kijken of hij zijn ouders kon vinden. Maar zijn zoeken was tevergeefs.



De bruiloft van Aletta en Jan-Frederik ging ondanks de ramp gewoon door. Niet zolang na de bruiloft vertrokken ze alle-maal naar Sint Joris. Alleen Marijn niet omdat hij zich had aange-meld bij chirurgijn Schagen. Marijn wilde ook chirur-gijn worden. Jan-Frederik had op Sint Joris een huis kunnen kopen. Daar had hij genoeg ruimte om de slaven van het eiland en de slaven die per schip werden binnen ge-bracht, te verzorgen. De reis naar Sint Joris was lang en moeizaam. De reis ging door een dorre zand-vlakte, ze trokken daar met paarden door. Op drie kwart van de reis gingen Oeba en Knikkertje even afkoelen onder de bomen. Maar de rest van de groep trok verder. Na een tijdje rusten vertrokken ze weer. De paarden kende gelukkig de weg naar Sint Joris, dus ze konden gewoon verder.



Het leven ging gewoon weer verder op Sint Joris, alleen hadden ze nu meer dan twee huisslavinnen, Knikkertje, een heleboel slaven van andere mensen en nog wat hulpslaven. Oeba hielp Jan-Frederik de zieke slaven te ver-zorgen.



Op een dag kwam er iemand van het schip van de lorredraaiers schip om Jan-Frederik te vragen of hij als chirurgijn voor zijn schipper wil werken. Maar Jan-Frederik had daar absoluut geen zin in. Marijn wel, dus hij ging aan de matroos vragen, of hij niet bij zijn schipper kon aanmon-steren. De lorred-raai-er had Marijn bezig gezien bij Jan-Frederik en hij zei dat zijn schipper er wel over beslis-sen zou. Hij moest van zijn schip-per tenslotte een chirur-gijn mee nemen, anders hoefde hij nooit meer bij hem aan boord te komen. De naam van de matroos die zocht naar een chirurgijn was Aernouts. Aer-nouts betaalde de reis voor Marijn naar het schip dat in De Willemstad in de haven lag.



Bij het schip aangekomen duurde het een tijdje voordat de schipper besloten had dat Marijn mee mocht. Marijn was nog wel wat jong, maar hij was wel een leerling van chirurgijn Scha-gen. Uiteindelijk besloot hij dat Marijn chirurgijn aan boord mocht worden.



Ze gingen de volgende dag op reis. Niemand uit De Willem-stad of uit Sint Joris wist dat Marijn aan boord was bij Rasmas Reyning. Marijn had veel aanzien aan boord, omdat hij mensen kon genezen. Niemand deed lelijk tegen Marijn. Ze dachten: "als ik hem iets doe, ge-neest hij mij niet als ik ziek ben.



Marijn verveelde zich aan boord behoorlijk omdat er geen zieken waren. Hij had dus niks anders te doen dan de matrozen te helpen bij hun werk. Op een dag was er eindelijk land in zicht. Iedereen was blij omdat er dan weer vers vlees, groen-te en water was. En je had weer eens land onder je voeten en niet altijd maar dat verve-lende water. Niet iedereen mocht tegelijk het land op van de schipper wat dan was het schip onbewaakt. Marijn mocht mee aan land, daar moest hij op de roeiboot blijven passen. Bij de jagers blijven was te gevaarlijk omdat hij dan getroffen kon worden door een ver-dwaal-de kogel. Marijn ging als afleiding schelpen zoeken, maar dat ging hem al snel vervelen. Daarna ging hij zwem-men. Opeens werd hij vastgepakt door negers. Zij sleepten hem in hun boot en brachten hem naar hun baas.



Toen hij in het slavendorp aankwam, werd hij naar de baas gebracht. De baas was Don Philipe. Hij hield zich van de domme. Don Philipe sprak alleen Spaans, Marijn deed net alsof hij geen Spaans sprak, daarom was er een tolk nodig. Zo kon Marijn gesprekken afluisteren. Na een paar dagen merkte Marijn wat Don Philipe met hem van plan was. Hij wilde dat Marijn hen gezelschap hield. Na een paar dagen vertelde Ma-rijn dat hij ook Spaans sprak. Maar hij vertelde Don Philipe nog lang niet alles. Hij vertelde hem niet dat hij chirur-gijn was. Wel vertelde hij dat hij kon schrij-ven. Marijn moest toen de aankoop van de slaven bijhouden. Na een enige tijd vond hij dit een vrese-lijk baantje. Daarom vertelde hij ook dat hij chi-rur-gijn was. Don Philipe was heel blij met een chirurgijn- want ze hadden er geen in het kamp.



Marijn liep elke dag zijn dagelijkse rondje langs de hutten van de slaven. Hij merkte dat alle slaven een beetje onrustig waren. Hij wist niet waarom. Toen Marijn het laatste huisje uitkwam, kwam hij een lor-redraaier-, tegen. Marijn kende deze lorredraaier niet. Later hoorde Marijn dat hij Jacob Pietersz heet. Marijn liep met Jacob Pie-tersz mee omdat hij de slaven die Don Philipe kocht, moest inspec-teren op ziektes. Toen alle slaven ge-nspecteerd waren, gingen Jacob Pietersz en Don Philipe net zo lang loven en bieden, tot zij het over de prijs van de slaven eens waren. Toen alle slaven verkocht waren, (ze waren allemaal verkocht-!-!!) zei Jacob Pietersz dat hij Marijn wilde kopen (Marijn was ook een slaaf). Jacob Pietersz had Marijn bezig gezien bij het inspecteren van de slaven en vond dat hij dat heel goed deed. Maar Don Philipe wilde daar niks over horen. Jacob Pie-tersz bleef maar bieden en bood een heleboel geld aan Don Philipe voor Marijn. Toen stemde Don Phili-pe eindelijk toe. Marijn was verkocht! Toen hij met Ja-cob Pietersz naar zijn schip de Olinde liep, vroeg Marijn waarom hij hem gekocht had. De schipper zei hij hem een heel goede chirurgijn vond, als de verhalen klopten die de matrozen van de Eranie vertel-den. Zij zijn een hele tijd naar jou opzoek geweest. De schipper vertrok van het eiland en ging naar een ander ei-land om nieuwe slaven te kopen, die hij de vorige keer besteld had. Marijn moest de slaven inspecteren en keuren voor Jacob Pietersz. Als Marijn een slaaf niet goed genoeg vond, werd hij niet gekocht. Over de prijs, moest de schipper be-slis-sen. Ma-rijn moest hem wel een richt prijs geven. Toen ze na veel loven en bieden het over de prijs eens waren, moesten eerst alle slaven een bad nemen in het zee water om ze te desinfec-te-ren. Daarna moesten alle slaven vervoerd worden naar het schip. Op het schip moesten alle slaven door de matrozen naar de slavenbarak-ken gebracht worden. Zij moesten ook de slaven in de boeien slaan.



Jacob Pietersz was zeer tevreden met zijn nieuwe voorraad slaven en ook met zijn chirurgijn. Marijn was goede maatjes geworden met Pieter. Marijn trok ook veel op met Pieter en verdedigde hem tegen de rest. Pieter kwam ook op voor Marijn. De inkomsten van de bemanning was een deel van het geld dat de slaven opleverden.



Op een dag vertelde de schipper Marijn hun eindbe-stem-ming. Het was Curaçao. De schipper wist dat Marijn daar vroeger gewoond had dus hij mocht daar van het schip af, als hij dat wilde. Marijn wilde dat maar al te graag. Maar hij zei: "Ik ben toch een slaaf van u." De schip-per zei dat hij dat allang niet meer was. Toen ze bij Curaçao aankwa-men kreeg Marijn ook nog wat geld. Marijn wilde het eerst niet aannemen, omdat de schipper hem voor veel geld had vrij ge-kocht. Maar de schipper drong er op aan dat Marijn het wel moest aannemen, want hij zou het wel kunnen gebruiken.



Toen hij door De Willemstad liep, herkende niemand hem meer. Iedereen dacht dat Marijn dood was. Toen hij over de markt heen liep, kwam hij zijn oude leermeester tegen. Zijn leer-mees-ter herkende hem meteen en riep dat ook zo hard als hij kon. Dus iedereen wist meteen dat Marijn niet dood was. Marijn ging meteen mee naar het huis van zijn oude leermeester. Iedereen was heel blij om hem te zien.



Toen Marijn alle vragen beantwoord had, vroeg hij aan zijn vroegere leermeester of hij een paard van hem kon lenen om naar Sint Joris te trekken. Hij wou naar Sint Joris omdat Oeba, Knikkertje, Aletta en Jan-Frederik daar waren. Het paard bracht hij later wel terug zei hij. Als hij weer terug kwam, in De Willemstad. Chirurgijn Schagen vond het goed dat hij een paard van hem leende en dat Marijn met zijn paard naar Sint Joris vertrok.



Toen Marijn onderweg was naar Sint Joris, wat een hele lange tocht was, kreeg hij opeens iets in zijn hoofd. Van het geld dat hij van Jacob Pietersz had gekregen wilde hij Knik-kertje vrij kopen. Marijn was vast besloten om dat te doen. Toen Marijn na de lange reis eindelijk aankwam bij het huis van zijn familie, was iedereen heel blij om Marijn weer te zien. Hij moest iedereen vertellen, wat hij op zijn reizen had meege-maakt. Daarna moest iedereen vertellen wat er ge-beurd was in de tijd dat Marijn weg was geweest. Er was niet zoveel gebeurd toen Marijn weg was, alleen had Oeba verkering gekre-gen met Floris Plertz, een oud klasgenootje van Marijn, Oeba en Knikkertje. Er was ook iets heel vervelends gebeurd. Knik-kertje was al een jaar kwijt. Marijn schrok daar heel erg van. Hij had immers gezworen dat hij Knik-kertje vrij zou kopen van het geld, dat hij ver-diend had bij Jacob Pie-tersz.



Floris Plertz was vroeger een goed maatje van Marijn en nu hij zijn zwager werd, was hij van plan om hem weer op te zoeken in De Wil-lem-stad. Dan kon hij ook het paard van zijn leermeester terugbrengen. Hij was blij dat hij weer eens goed met Floris, over zijn reizen kon praten en over Oeba natuur-lijk. Marijn deelde die avond mee, dat hij de volgende middag naar De Wil-lem-stad zou vertrek-ken. Omdat Marijn de volgende ochtend vertrok, organiseerden ze een groot feest-maal voor Marijn.



Marijn was vroeg vertrokken en zag De willemstad al in de verte voor zich opdoemen. Toen Marijn het paard bij chirurgijn Schagen had teruggebracht, ging hij naar Floris Plertz. Hij was blij om Marijn na al die jaren weer eens terug te zien. Floris had ook gehoord dat Marijn dood was. Daarom was hij naar Oeba gegaan om haar een beetje op haar gemak te stellen. En zo komt het dat Oeba en Floris over een jaar gaan trouwen. en ze gaan dan gewoon op Curaçao in De Willemstad wonen. En dan worden ze de baas van de plantage van de vader van Floris.



Toen Floris klaar was met vertellen, zei hij dat Marijn ook eens over zijn belevenissen moest vertellen omdat er hier allemaal verschillende verhalen de ronde doen. Marijn vertelde hem wat er alle-maal gebeurd was. Toen hij klaar was vertelde hij dat hij Knik-kertje vrij wilde kopen, maar dat ze ver-dwenen was. Floris vertelde hem dat hij misschien wist waar zij was. Hij had toevallig gehoord dat er slaven verkocht werden en dat ze naar een eiland genaamd Macaän werden gebracht. Ze moe-ten daar werken totdat ze er dood bij neervallen. Marijn schrok daar heel erg van. De gruwelijkste ideeën kwamen meteen bij Marijn op. Marijn zei tegen Floris dat hij koste wat kost naar Macaän toe wil.



Na het eten gingen ze naar de haven. Na een tijdje zoeken zag Marijn opeens het schip van Jacob Pietersz. Marijn liep de loopplank op en kwam direct Pieter tegen. Marijn was heel blij hem te zien. Pieter trouwens ook. Marijn vroeg aan Pieter, waar hij de kapitein kon vinden. Pieter antwoordde dat hij te vinden was in zijn kajuit. Marijn liep samen met Floris naar de kajuit van de schipper. Jacob Pietersz was ook heel blij om Marijn weer eens te zien. Daarom begroette hij hem dan ook hartelijk. "Marijn" zei de schipper, "waarom ben je weer naar mijn schip gekomen?" Marijn vertelde het hele verhaal aan de schipper. Toen hij klaar was met vertellen vroeg de schipper, aan Marijn waarom hij zo graag zijn huisslavin wou terug krijgen. Marijn antwoordde dat zij altijd goede dien-sten deed en dat zij ook altijd luisterde. Daarom wilde hij als belo-ning, een vrij leven aan haar geven. Marijn voegde daaraan toe dat de schipper als hij Marijn zou wegbrengen een keer in dienst van de Compagnie zou varen. De mensen in Macaän hebben bijna geen slaven meer, dus als u dan veel slaven mee-neemt, verdient u er ook wat aan. De schipper zei dat hij wel wilde, maar de bemanning moest er wel mee akkoord gaan. Bijna niemand van de bemanning vond het erg om voor een keer in- dienst te varen van de Compag-nie. De volgende dag hoorde Marijn dat ze een week later naar Macaän zouden vertrekken.



Marijn wilde niet dat iemand van zijn vertrek afwist. Toen Marijn die middag naar het schip van Jacob Pietersz ging om uit te varen, was hij beetje vermomd zodat niemand hem zou herkennen. Toen hij eenmaal op de Olinde aankwam, werd hij door de bemanning hartelijk begroet. Floris was met Marijn mee gelopen het schip op. Marijn nam afscheid van Floris en zei hem dat hij tegen niemand moest zeggen, dat hij naar Macaän vertrokken was.



De schipper had nog steeds, geen nieuwe chirurgijn gevonden, dus de bemanning was blij dat er eindelijk weer een chirur-gijn was, die hun verzorgde als zij ziek werden. En zij waren blij dat zij niet zelf voor de slaven die zij vervoerden hoefden te zor-gen.



De reis was zo`n 20 dagen per zeilboot. Toen elf dagen van de reis achter de boeg hadden, kwamen zij een -zeilschip tegen, dat ook onder de naam van De Compagnie voer. Toen ze tien minu-ten varen van elkaar verwijderd waren, hoorden ze opeens een harde knal. De kruitvoorraad van het andere schip vloog de lucht in. De schipper gaf het bevel om zoveel mogelijk mensen van het schip te redden. Toen de Olinde in de buurt van de ramp was, liet zij twee roeiboten naar beneden, om zo veel mogelijk mensen op te pikken. Toen ze niet meer mensen in de roeiboot konden krijgen, gingen ze naar het schip terug. Bij het schip gingen ze aan boord. Toen iedereen aan boord was, konden ze de overlevenden gaan tellen. Er waren maar 12 beman-ningsleden en 54 slaven gered. De rest van de ongeveer 50 bemanningsleden en 300 slaven, was voedsel gewor-den voor de haaien. Er was een beetje ruimte gebrek op het schip omdat er te weinig plaats was. Sommige belangrijke mensen hadden een soort hut op de boot. Zoals de kapitein, de kok, de chi-rur-gijn, de eerste/tweede/derde stuurman en de boots-man. Marijn moest zijn hut afstaan aan de andere mensen die erbij waren gekomen. Hij moest toen bij de kok slapen. Marijn was goede maatjes met de kok dus daar had hij geen problemen mee.



Na enige tijd kwam Macaän in zicht. De bemanning werd meteen een stuk enthousiaster. De schipper verbood hen aan land te gaan want dat was veel te gevaarlijk. Toen ze overnachtten hees hij zelfs, voor de zekerheid, de Nederlandse vlag omdat de Indianen niet zo snel een Nederlands schip aanvielen. Een lorredraaiers schip vielen ze wel vaak aan. Iedereen op het schip sliep slecht omdat ze voortdurend geteisterd werden door muskieten. De indianen hielden zich gelukkig die nacht stil.



Toen ze de volgende ochtend verder reisden, ging alles goed. Na drie uur varen kwamen ze bij de haven aan waar de lading geveild zou worden. Marijn ging aan land om Knikkertje te vinden. De schipper was blij met zijn verdiensten, hij had een veel winst gemaakt. De schipper gaf Marijn nog wat extra geld mee om Knikkertje vrij te kopen. Marijn vertrok met een Indi-aans bootje met een Indiaanse roeier. Het bootje bracht hem naar alle boerderijen in de omgeving. Marijn was al twee boerderij-en af geweest en had nog niks gevonden. Marijn was even met de Indiaan aan de waterkant gaan rusten. Er kwam een groepje mensen langs die vertelde aan elkaar over een slaaf die op een boerderij woont. Die slaaf luisterde niet naar haar basin. Ze vertelden ook dat toen er een groep slaven afgevoerd werd naar het cremato-rium, omdat zij te oud waren om te wer-ken, de slaaf voorlas uit de bijbel. Dat was ten streng-ste verboden voor sla-ven. Marijn sprong op, hij wist zeker dat het Knikkertje was. Hij liep naar een van die mensen die langs kwam en vroeg op welke boerderij dat was. De man die hij aansprak zei dat het de boerderij tegenover het water was. Marijn bedankte de man en rende weer naar de Indi-aan en zei dat hij hem direct naar de overkant moest brengen. De Indiaan roeide naar de over-kant en Marijn werd langzamer-hand weer wat rusti-ger.



Marijn ging de boerderij binnen, hij verzon een ver-haal. Hij vertelde de slaven-drijver dat hij wat meer te weten wou komen, over de ziek-tes die op het eiland heersten. De slaven-drijver geloofde hem. Marijn vroeg of hij de slaven mocht zien. Hij wilde weten hoe ze leefden en hoe de werkomstan-digheden wa-ren. De man zei dat het goed was en hij wees een soort opperslaaf aan die hem moest rond-leiden. Toen hij een paar slavenhuisjes had gezien, kwam hij een los-staande hut tegen. Marijn merkte aan de man die hem rondleidde dat hij daar niet mocht komen, maar hij zei niks. Marijn ging gewoon naar binnen. De man bleef niet de wacht houden, maar verschool zich achter een stapel hout totdat Marijn terug kwam. Marijn kon binnen niets zien. Pas na een minuut of twee kon hij een beetje kijken in het donker. Hij zag iemand liggen slapen. Hij liep op het sla-pende figuur toe en zei zachtjes: "Knikkertje, ben jij dat". Langzaam werd het levende ding wakker. Marijn vroeg nog eens: "Knikkertje ben jij dat". Het was Knikkertje, want ze vroeg hem: "Marijn ben jij dat". Marijn antwoordde: "Ja ik ben het. Ik ga er zoveel -mogelijk aan doen om je vrij te krijgen. Maar waarom lig je hier", vroeg Marijn. "Ik heb gepro-beerd te vluch-ten, als straf hebben ze een pees in mijn hiel doorgesne-den, zodat ik niet snel voor-uit kan", antwoordde Knikker-tje op Marijns vraag. "We moeten hier weg", zei Marijn. "We gaan naar de slavendrij-ver en ik ga je vrij kopen, zodat je de rest van je leven zo vrij bent als iedere blanke". Toen ze naar het huis van de baas van Knikkertje liepen, moest Knik-ker-tje op de arm van Marijn steu-nen. De man die Marijn rondleidde, liep achter hun aan. Toen ze bij het huis aankwa-men, kwam de baas al naar buiten, hij had hun aan zien komen. Hij ging ver-schrikkelijk tegen de opperslaaf te keer. Marijn verde-dig-de de man. De man was hem daar heel dankbaar voor. Marijn zei tegen de slavendrijver dat hij Knikkertje wou kopen. De man wilde dat niet maar zijn vrouw wel. Knik-kertje was gekocht om haar te helpen bij het huishouden. Knikkertje werd ver-kocht aan Marijn. Marijn moest er wel veel voor betalen. Hij kocht haar voor dezelfde prijs als de slavendrijver voor haar be-taald had. De Indiaan die had zitten wach-ten, bracht hun terug naar het schip.



De reis naar Curaçao verliep zonder problemen. Toen ze in Curaçao aankwamen, ging Marijn eerst samen met Knikkertje een huis voor haar zoeken. Geen slavenhuis maar een echt huis. Marijn zorgde ook voor een baan voor Knikkertje en maakte zijn studie af bij heelmeester Schagen.



EINDE



Eigen mening

Het was echt een heel leuk boek. Het was altijd spannend en ik heb ervan genoten. Ik vind het leuk om iets te lezen over gebieden waar Nederlanders vroeger leefden. Het houden van slaven is natuurlijk schandalig. Mijn vader heeft het boek heel vroeger ook gelezen. Hij vond het ook een heel leuk boek. Hij kan zich (bijna) niks meer herinneren over de inhoud van het boek, dus hij heeft mij (helaas) niet kunnen helpen bij het schrij-ven van dit zeer lange boek verslag.



Maar helaas is er iets vervelends gebeurd. Mijn moeder heeft het boek terug naar de bibliotheek gebracht voordat ik klaar was met het verslag en zij heeft het boek niet verlengd. Toen ik terug ging, was het boek er niet meer. Daarom kunnen er een aantal namen verkeerd gespeld zijn. En ik heb ook een naam moeten verzinnen. Die naam is Macaän. De echte naam weet ik niet meer.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen