U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Cola Debrot - Mijn Zuster De Negerin.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/1129 en is laatst upgedate op 25/04/1999.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2568 woorden.

Titel

Mijn zuster de negerin



Eerste druk

1935



Handeling

Na veertien jaar in Europa te hebben gewoond keert Frits Ruprecht terug naar zijn Nederlands-Westindische geboorte-eiland. Zijn vader is overleden. Omdat hij Frits een gigantische erfenis heeft nagelaten is Frits rijk. Zijn doel maakt hij al snel duidelijk, want hij wil bij een negerin leven. "Ik zal haar noemen: mijn zuster de negerin. Ik haatte in Europa de bleke gezichten met hun visachtige kilheid, hun gebrek aan broederlijke en zusterlijke sympathie."

Hij wordt van boord gehaald door een notaris en een dokter, beiden oude vrienden van zijn ouders. De notaris geeft hem de sleutels van het huis in de stad, het koetshuis en de plantage.

Als ze van boord gaan, zegt de dokter tersluiks tegen de kapitein dat Frits de erfenis er wel gauw doorgejaagd zal hebben.

Op de kade voelt Frits zich eerst in een toestand, waarin alles geoorloofd lijkt en verwacht hij het meest bizarre avontuur: mijn zuster de negerin, die hem zwartheid en aanhankelijkheid zal geven. Meteen daarna denkt hij somber, dat hij het eiland al kent, zodat er niet het geringste heil te verwachten is. Hij herinnert zich zijn jeugd, toen hij van het westelijk deel van het eiland, waar de plantage van zijn ouders lag, naar het oostelijk deel op familiebezoek ging. Onderweg vertelde de negerkoetsier hem sprookjes om hem gerust te stellen, want het andere karakter van het landschap maakte hem bang.

Op weg naar een benzinestation antwoordt hij mensen soms in de volkstaal, waardoor ze opgewonden raken. Als hij bij de doodstille grote huizen komt, herinnert hij zich pijnlijk dat een veertienjarig meisje hem vroeger vanachter de jaloezieën had uitgelachen. Een negerbediende neemt de twee blikken benzine op een kruiwagen voor hem mee. Deze herinnert zich Frits' vader nog die soms een onverklaarbare schrijfwoede had. In de buurt van zijn huis roepen de negerinnen elkaar toe: "De jonge heer is teruggekomen." Voor hen is hij de huisjesmelker van de buurt.

Frits gaat zijn huis niet in, want voor zijn gevoel liggen zijn dode ouders daar. De zwarte plekken op de tamarindeboom deden hem terugdenken aan het slachten van de geiten door Pedritoe. In het vervallen koetshuis ziet Frits de plank waar Pedritoe op sliep, zijn beduimelde speelkaarten, drie benzineblikken en de Ford van zijn vader.

Met de Ford rijdt hij de stad uit. Hij gaat op bezoek bij zijn jeugdvriend Karel, die nu districtsmeester is. Deze zit een flodderig romannetje te lezen en zegt dat Frits maar beter een schim kan blijven. Frits vertelt hem dat hij een negerin wil hebben. Volgens Karel zal niemand hem dat verhinderen, maar "dat je het zo uitschreeuwt, bewijst dat het dieper zit." Verder beweert Karel dat hij geen flutromannetje zit te lezen maar "Othello" van Shakespeare.De oude negerrentmeester Wantsjo herkent hem niet meteen, wat Frits wrevelig maakt. Deze kijkt over het landschap uit, waar muren door slaven opgetrokken, als een gil in de avond liggen. Het landhuis deed hem denken aan een grote tent, achtergelaten door mensen die inderhaast waren vertrokken. Bij het terras denkt hij terug aan zijn moeder die er op een schommelstoel zat. Hij speelde dan met haar hand, zijn moeder lachte gelukkig. Uit speelsheid en een overmaat van tederheid maakten beiden dan een zoemend geluid diep uit de borst.

Maar zijn moeder is er niet meer en dat geeft hem een gevoel van grote, bijna misselijke leegheid. Als Wantsjo hem welterusten komt wensen, vraagt Frits zich af wat deze van hem moet. Een vrouwenstem groet hem en zegt dat ze nog wat eten klaar zal maken.

In het huis bestormen de herinneringen hem. Het woongedeelte was voor vader, moeder en de blanke aanverwanten. In het voor- en achterhuis zweefde steeds lichtelijk de geur van kleurlingen. Hij gaat de kamer in waar zijn vader de correspondentie afdeed. De schrijfmachine en de geweren zijn er nog. Als hij de slaapkamer van zijn ouders opent, is het alsof iets hem in de oren gilt. Hij gooit de deur dicht. Hij gaat naar het achterhuis en kijkt naar buiten. Hij denkt terug aan de spelletjes die hij met Karel en een nichtje deed, dat hem steeds had uitgelachen. Maar het veertienjarig negervriendinnetje Maria had de spelletjes die hij verzon, wel altijd leuk gevonden. Daarbij hoorde het tellen van het koeren van de woudduif, een innig koeren, diep uit de borst. Hoewel Maria zwart was, hadden haar gezicht en haar manier van bewegen alles van een blanke. Ze was het kind van de oudste dochter van de rentmeester. Zij had de bevalling niet overleefd. De vader Theodoor had zich niets van zijn dochter aangetrokken en was naar Europa getrokken. Maria was onderwijzeres geworden met de hulp van Frits' vader.

Aan tafel bedenkt Frits dat zijn vader misschien ook de vader van Maria was. Blanken gaven hun buitenechtelijke kinderen wel een goede opvoeding, want "wat de mens het meest verraadt, blijft nog steeds zijn eigen hart met de enkele onweerstaanbare opwellingen." Als hij naar de kamer van zijn vader wil gaan, denkt hij dat hij het gezicht van Maria tussen de bogen ziet. Hij twijfelt of hij het wel goed gezien heeft: Maria kan toch geen huisbewaarster zijn? Daarna bedenkt hij dat ze misschien net als hij terug is gegaan naar haar oorsprong, tussen de meloenen, de rozen, de palmen. "Droevig wordt het leven, maar vol van een zinrijkheid die het leven elders mist."

Vervolgens overweegt hij of hij niet naar haar, die toch werkelijk zijn zuster de negerin is, toe zal gaan. Als hij de deur van haar kamer opent, hoort hij het suizen van zijn eigen bloed. Hij was hier ver weg van Azië, Amerika en Europa met hun sombere stervelingen. Maria zegt: "Weer je Frits, hoe je altijd in mijn herinnering bent gebleven." Als ze elkaar omhelzen, wordt er aan de deur gerammeld. Frits vraagt of ze soms een vent heeft. Hij pakt een jachtgeweer en gaat naar de deur. Daar staat de rentmeester, die met een gil zegt: "Maria is de dochter van uw vader." Hij struikelt, daarbij komt het geweer tegen de borst van Wantsjo.

Hij begeleidt Wantsjo een stukje en hoort daarbij voetstappen en giechelend lachen. dan gaat hij terug naar het huis "waar hij een zuster had gevonden, maar een minnares had verloren."

Teruggekomen wiegt hij haar, waarbij hij net als zijn moeder destijds een zoemend geluid diep uit de borst maakt. "Droevig werd het leven, maar het werd vol van een zinrijkheid die het elders mist. En dit is het enige da men de kinderen dezer aarde niet kan ontnemen."



Thema

Een man gaat terug naar zijn geboorte-eiland en gaat op zoek naar een vrouw die hij mijn zuster de negerin kan noemen.



Motieven

Literaire motieven

-het raciale; de Curaçaose gemeenschap in de jaren dertig komt in 'Mijn zuster de negerin' naar voren als een maatschappij met een sterke scheiding tussen de blanke groep die vanouds de touwtjes in handen had en de zwarte groep die dienend was. Frits wil die scheiding slechten. Aan het eind blijkt dat dit hem gelukt is, als Maria zijn zuster blijkt te zijn.

-historie; de tijd van de slavernij heeft een langdurige stempel gezet op de relaties tussen de rassen. Door de rol van de historie is de relatie tussen blank en zwart er één tussen meester en knecht. Er zit wel verandering in de lucht en dat niet alleen bij Frits. Als een zwarte jongen onderwijzer wil worden, zo staat er, "dan was duidelijk wat hem dreef. Hij wilde hogerop, geen knecht meer zijn." In de afloop van het verhaal blijkt dat de historie als een motief kan worden gezien. De gewaande minnares van Frits blijkt zijn zuster te zijn door de historie.

-behoefte aan familie; familie is voor Frits iets essentieels. De verteller zegt dat voor Frits zowat alles verloren ging, nu zijn vader en moeder dood zijn. Frits voelt een 'grote, bijna misselijke leegheid" als hij beseft dat de schommelstoel op Miraflores leeg zal blijven. Door de bloedbanden zorgen blanke vaders toch goed voor hun gekleurde buitenechtelijke kinderen, want wat de mens het meest verraadt, "blijft nog steeds het hart met de enkele onweerstaanbare opwellingen". De zinrijkheid die het leven elders mist, is de zinrijkheid die familie aan het bestaan geeft.



Verhaalmotieven

-bloed; "Bloed, bloed is dit leven" en  "Hij hoorde het suizen van zijn eigen bloed"

-zoemend geluid in de borst; komt achtereenvolgens met zijn moeder voor, bij de duiven waarnaar hij met Maria als kind luisterde en bij hemzelf aan het eind van het verhaal.

-een gil; als Frits de slavenmuren weer ziet, als Frits de slaapkamer van zijn ouders in wil en als wordt gezegd dat Maria de zuster van Frits is.



Titelverklaring

"Mijn zuster de negerin" slaat op Maria, die in eerste plaats de minnares van Frits zou zijn, maar later zijn zuster blijkt te zijn.



Vertelstandpunt

Er is een personele vertelsituatie die drie keer wordt verbroken. De eerste keer als de dokter tegen de kapitein zegt, dat Frits de erfenis er wel snel door zal jagen. De tweede keer als Frits weg is bij Karel. We krijgen dan de gedachten van Karel en Toontsji, onder meer over de relatie tussen blank en zwart. De derde keer als Maria in het donker een meloen gaat plukken in haar tuintje. Opvallend is ook dat de personele vertelsituatie soms heel dicht bij de ik-vertelsituatie ligt, omdat de vertelinstantie in de ik-vorm de gedachten van Frits weergeeft.



De tijd

Het verhaal speelt zich af in het begin van de jaren dertig. Frits is geboren op 4 mei 1902 (dezelfde datum als Cola Debrot) en heeft veertien jaar in Europa doorgebracht. Hij zal wel op veertien- tot zestienjarige leeftijd naar Nederland zijn gegaan.

De vertelde tijd is een middag en een avond. Het is moeilijk uit te maken of er flash-backs zijn. Toch speelt het verleden een belangrijke rol. Het totale werk beslaat 1777 regels (± 66 bladzijden). Slechts 277 regels hebben uitsluitend betrekking op het heden. In de andere regels gaat het over her verleden, of worden het verleden en het heden op elkaar betrokken.

Passages die relatief vertraagd worden verteld zijn: de aankomst op Curaçao, de ontmoeting met Karel, de aankomst op Miraflores en het samenzijn met Maria in de slaapkamer.



Ruimte

Nergens wordt genoemd dat het Nederlands-Westindisch eiland waar "Mijn zuster de negerin" zich afspeelt, Curaçao is, maar de beschrijving van de stad met de haven maakt dit aannemelijk. De ruimten in het verhaal zijn zeer betekenisvol; vaak zijn ze contrasterend gebruikt. Meteen in het begin wordt de tegenstelling geschapen tussen Curaçao en Europa. Curaçao wordt geassocieerd met broederlijke en zusterlijke sympathie, met zwartheid en aanhankelijkheid. Europa wordt voorgesteld als kil en visachtig.

Op Curaçao zelf is er de tegenstelling tussen de stad en het platteland met zijn plantages. De stad staat voor bedrijvigheid en de plantages voor rust en oorsprong. Het platteland wordt weer verdeeld in een westelijk deel, waar Frits zich vertrouwd voelt, en een oostelijk deel waar het landschap door de agaves een ander, bangmakend karakter heeft. De stad kent twee soorten ruimten: de levendige krotten van de zwarten en de doodstille herenhuizen van de blanken. Deze tegenstelling wordt in het klein herhaald bij het huis in de stad van Frits. Daar staan aan de ene kant het vervallen koetshuis en het kleine huis van de naaister. Aan de andere kant is er het huis van zijn ouders, dat hij niet ingaat, omdat zijn dode ouders er voor zijn gevoel liggen, waardoor het huis gezien wordt als een graf.

De beschrijving van het huis naar de woonzaal is als de poort die twee werelden scheidt. De woonzaal is bestemd voor blanken en in het smalle voor- en achterhuis zweeft de geur van kleurlingen. Opmerkelijk is dat de slaapkamer van de ouders een soort taboeruimte is: als Frits erin wil, weerhoudt een gil hem.

Een laatste tegenstelling is er tussen de tuin met kokos- en dadelpalmen waar banken staan die alleen maar dienen om naar het geruis te kunnen luisteren, en het moestuintje dat Maria en Frits in het geheim aanleggen, dat wel vruchten oplevert.

Samenvattend: de ruimten lijken raciaal te worden bepaald. Ruimten van zwarten zijn weliswaar onooglijk, maar levendig vitaal en houden toekomstbeloften in. Ruimten van blanken zijn esthetisch, maar doods, verlaten en bedreigend.



Verhaalfiguren

Frits Ruprecht is de laatste persoon uit een blank Curaçaos geslacht. In zijn jeugd had hij een innige band met zijn moeder. Hij verboemelde zijn leven in Europa, waar hij heimwee had naar Curaçao. Terug op Curaçao komt hij tot de ontdekking dat hij alleen staat. Dat geldt voor de blanke groep: hij weigert met de notaris mee te gaan en wordt zelf afgewezen door zijn jeugdvriend Karel. Dat geldt ook voor de zwarte groep: zij hebben automatisch een dienende houding en nemen aan dat Frits hen als mindersoortig beschouwd. Omdat hij op zoek gaat naar een negerin, is hij de figuur die op de grens van zwart en blank verkeert. De oude groepsnormen heeft hij afgezworen, wat blijkt uit het gesprek met Karel, maar nieuwe groepsnormen zijn er nog niet, zodat hij op zijn eigen integriteit moet varen. Dit maakt hem tot een grensfiguur tussen de oude en de nieuwe tijd.



Maria is de buitenechtelijke dochter van Alexander Ruprecht, de vader van Frits. Zij is een mulattin, een menging van blank en zwart. De bloedbanden bleken uit de zorg die Ruprecht Sr. besteedde aan haar opleiding. Maria verkiest waarschijnlijk door die bloedbanden het leven als huismeesteres op de plantage boven het werk als onderwijzeres in de stad. In haar gedrag is een zekere dubbelwaardigheid. Zij stelt zich eerst dienend op tegenover Frits, maar in haar slaapkamer gaat zij gelijkwaardig met hem om.



De negerkoetsier Pedritoe vertelt de jonge Frits de verhalenschat van het zwarte Curaçao en geeft hem zo een deel van de zwarte cultuur mee.



Karel is de blanke jeugdvriend van Frits, die de raciale verhoudingen op het eiland wil houden zoals ze waren.



Wantsjo, de grootvader van Maria, is de negerrentmeester die een dienende houding heeft, maar deze tegen het eind doorbreekt, omdat hij Maria en Frits wil behoeden voor incest. Hij gilt dan: "Maria is de dochter van uw vader."



Auteur/literatuurgeschiedenis

Cola Debrot werd op 4 mei 1902 op Bonaire geboren en hij overleed in Amsterdam op 2 december 1981, nadat hij zijn laatste levensjaren in het Rosa Spierhuis te Laren had doorgebracht. Hij studeerde rechten en medicijnen in Utrecht en Amsterdam. In de jaren twintig en dertig zwierf hij door Amerika en Europa. In de Tweede Wereldoorlog was hij huisarts in Amsterdam. Hij was het belangrijkste redactielied van het tijdschrift Criterium (1940-1942). Na de Tweede Wereldoorlog bekleedde hij enkele politieke ambten, onder meer het gevolmachtigd ministerschap van de Nederlandse Antillen. Van 1962 tot 1970 was hij gouverneur van de Nederlandse Antillen. Hij heeft vooral naam gemaakt met de novelle "Mijn zuster de negerin" (1935), het eerste Caribische werk dat het raciale thema uittilt boven het niveau van de streekroman. "Bewolkt bestaan" (1948) is zijn enige grote roman. Hij schreef verder gedichten en vele artikelen over de Antilliaanse cultuur en literatuur en was kenner van het existentialisme, waar hij ook over publiceerde.

Sinds het verschijnen heeft "Mijn zuster de negerin" een tiental drukken beleefd. Het is in verschillende talen vertaald en ook verfilmd.



Eigen mening

Ik vond het wel een leuk boek, maar niet altijd even makkelijk te lezen. Verder vond ik het ook wel fijn dat het een dun boekje was (66 bladzijden).
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen