U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Arnon Grunberg - Blauwe Maandagen.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=12698 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 6479 woorden.

Titel: Blauwe Maandagen

Auteur:Arnon Grunberg




Titelverklaring

De titel 'Blauwe Maandagen', komt van hetzelfde gezegde. Bijv:, Ik heb een blauwe maandag op dansles gezeten'. Ik heb heel kort op dansles gezeten. Het betekent dus vluchtig, kort. Alles wat de hoofdpersoon meemaakt is kort en vluchtig. Zijn baantjes, zijn schoolcarrière, zijn relaties.



Thema

Kortstondigheid. Het hele leven van de hoofdpersoon is als aaneengeregen gebeurtenissen. Alles in zijn leven is kortstondig. Zijn verblijf op het Vossius, zijn relatie met zijn vader (de hoofdpersoon is nog vrij jong als deze overlijdt), zijn relatie met Rosie is ook kort. De baantjes die hij heeft zijn kortstondig. Hij stopt er mee als hij het niet meer leuk vindt, of hij wordt ontslagen. Zijn latere relaties bestaan uit kortstondige hoerenbezoekjes met telkens een andere.



Personages

Vader beschikt duidelijk over geld, maar het is niet duidelijk wat voor werk hij doet. Zonder al te veel gezeur betaalt hij de rekening van de 'ik' en Rosie in de Oesterbar. De bar mitswa van de 'ik' kost vijfduizend gulden. Vader zou in postzegels handelen, maar dat heeft de 'ik' hem nooit daadwerkelijk zien doen. Hij laat zijn vrouw en zoon een onrendabele rijschool in Berlijn en een kluis vol postzegels na. Het huwelijk van de ouders van de 'ik' is wankel, gezien de vele serviezen die sneuvelen en de vele malen dat vader zich terugtrekt in de badkamer om daar te drinken. De devotie waarmee moeder vader verzorgt tijdens zijn ziekte is daarom des te vreemder en misschien alleen te verklaren uit het schuldgevoel dat zij heeft over de dood van haar eigen vader in het kamp. Details daarover komen noch de 'ik' noch de lezer te weten. We weten wel dat moeder ongelukkig is, dat ze haar schoonheid, die haar in het kamp enige bescherming bood, heeft verloren. Haar tanden zijn haar trots. Die zijn in het kamp goed gebleven, omdat ze ze daar elke dag met een doek bewerkte. De 'ik' lijkt met zijn vader nauwelijks contact te hebben, behalve aan de vooravond van zijn vertrek met Rosie naar Antwerpen. Vader geeft dan commentaar op de foto van Rosie en zoekt in een kast naar Belgische franken voor de 'ik'. Met zijn moeder heeft hij schijnbaar meer contact. Op traditionele momenten zoekt hij haar op en houdt haar gezelschap. Zij moet iets van zijn

levenswijze weten, anders zou zij niet regelmatig op zijn antwoordapparaat inspreken dat hij zich niet dood moet drinken. De 'ik' zou wel graag doelen in zijn leven willen hebben en een paar maal is hem dat ook gelukt, maar zijn besef over de uiteindelijke nietswaardigheid van het individu wint het meestal van zijn positieve voornemens. Het geld dat hij van moeder heeft geleend om zijn schuld aan een drukker te voldoen, besteedt hij aan een escortmeisje; zijn uitgeversloopbaan heeft kort geduurd en weinig anders opgeleverd dan schulden. Zelfs bij zijn carrière als escortboy kunnen we grote vraagtekens plaatsen.



Samenvatting

Ik heb nog twintig paarden in Berlijn (blz. 7-14)

De vader van de 'ik' handelde in postzegels, althans dat vertelde hij aan moeder en de 'ik'. Als vader op reis ging mocht de 'ik' vaak mee. De reizen duurden maar kort, een of twee dagen. De vader ontmoette dan mensen in cafés waar veel wodkaatjes gedronken werden. In de trein aten vader en zoon koosjere worstjes, maar vaak aten ze ook niet-koosjere worst en poffertjes en gebak. Toen de vader dood was, werd inderdaad een kluis vol kostbare postzegels gevonden. Ze waren wel een hoop waard, maar het waren er minder dan de 'ik' verwacht had.

Vader bleek in Berlijn ook een rijschool voor gehandicapten te bezitten. Er moest elk jaar geld bij, omdat er geen hond meer naar die rijschool kwam. Op advies van de notaris werd de rijschool verkocht. Vader werd in Israël begraven, omdat zich daar de zus van de 'ik' bevond. Die kon niet naar Amsterdam vliegen omdat zij 9 maanden zwanger was. Na de begrafenis zat de familie een week lang op dozen en at bonensoep. Die werd gekookt door de vrienden van de zus, omdat je zelf niet mag koken als je in de rouw bent.

Rosie (blz. 15-94)



Martinimartin

De 'ik' had zijn haren kortgeknipt en strak achterovergekamd om te lijken op de acteur die in 'Tender is the night' speelde. Met school ging hij op werkweek in Someren. Het was ten tijde van het wereldkampioenschap voetbal in Mexico en de 'ik' voelde zich Maradonna. Op weg naar een klokkenmuseum viel de 'ik' van zijn fiets af. De kniewond moest hij zelf verzorgen. Rosie hielp hem de kiezelsteentjes eruit te trekken, een goor werkje, net als het vervangen van het verband. Er werden weddenschappen afgesloten wie het meest kon drinken van de Martini die in grote hoeveelheden was ingeslagen in de supermarkt. Martin ging door tot anderhalve fles en verdiende daarmee de bijnaam 'Martinimartin'. De leraren dronken minstens evenveel, met name meneer Diels. Die dronk de hele dag jonge jenever en vanaf vier uur ook biertjes. De 'ik' neemt geen asperges mee naar huis zoals de anderen. Zijn ouders kunnen wel voor hun eigen asperges zorgen. In Amsterdam was het net zo heet als in Someren, dus ging de groep scholieren naar Zandvoort waar ze voetbalden. Thomas bedacht een weddenschap die erop neerkwam dat wie twee flessen Martini dronk met de verleidelijke Natasia mee mocht. Het lukte Martin en het tweetal verdween de duinen in. De rest speelde voetbal, waarbij de 'ik' het mooiste doelpunt van zijn leven scoorde. Martinimartin en Natasja kwamen niet terug. Na die dag wilde Natasja niets Meer met Thomas en Martinimartin te maken hebben. Later heeft de 'ik' zich afgevraagd waarom Natasja die dag voor de jongens zoveel mooier leek te worden. Als hij nu foto's uit die tijd bekijkt, is ze een gewoon meisje met een wat grof gezicht.



De oesterbar

Op een dag bekende Rosie tegenover de 'ik' dat ze 'Yasma' was. Sinds enige tijd ontving de 'ik' namelijk brieven van ene 'Yasma'. De brieven waren in het Engels en aangezien hij daarin slecht was, begreep hij de helft niet. Rosie en de 'ik' besloten in de 'Oesterbar' te gaan eten. Ze aten vorstelijk, maar hadden geen geld om te betalen. De obers waren eerst vriendelijk, toen argwanend en uiteindelijk belden ze de vader van de 'ik' zijn bed uit om hem de rekening te laten voldoen. Vader arriveerde per taxi en liet de 'ik' naar huis lopen. Eenmaal thuisgekomen zaten zijn ouders beiden nog op. Moeder was woedend. Zij gooide de helft van het servies kapot, maar dat was niet ongewoon. Zij schold de 'ik' de huid vol en besloot dat hij maar eens een paar weken naar zijn zus in Israël moest gaan om 'tot rust te komen'. De week voordat de 'ik' zou vertrekken sprak hij elke dag met Rosie af op het terras van Le Berry. Op de dag van de voetbalfinale Argentinië-Duitsland dronken zij bessenijs bij het Centraal Station. 'Toen Argentinië had gewonnen, moest ik haar kussen.' (blz. 32)



Den Haag Mariahoeve

De dag voor het vertrek bracht het tweetal door in Den Haag. Ze zaten op terrasjes en praatten

over van alles. Ook over de Engelse songteksten die Rosie overschreef en aan de 'ik' opstuurde. In het begin had hij die teksten niet zo goed begrepen. Dat had alles te maken met de lessen Engels die mevrouw De Wilde op het Vossius gymnasium gaf. Mevrouw De Wilde kon absoluut geen orde houden. De 'ik' maakte daar gretig gebruik van, organiseerde sinaasappelgevechten en was tijdens een inhaalproefwerk in de gordijnen gaan hangen, die afscheurden. De rector en de conrectrix spraken de 'ik' ernstig toe en zeiden bezorgd te zijn over zijn toekomst. Nu nog heeft hij een hekel aan mensen die zich zorgen om hem maken. Rosie en de 'ik' kochten elk een kilo snoep. Daarmee gingen ze naar station Mariahoeve. Geld om iets anders dan snoep te eten hadden ze niet meer, dus aten ze snoep. Rosie werd misselijk. Uit balorigheid ging ze daarna allerlei dingen uit haar tas op de rails gooien. Op de terugweg maakten ze even ruzie. Toen dat was bijgelegd, beloofde de 'ik' haar allerlei 'idiote dingen'. In Israël woedde in het huis van de zus een kakkerlakkenplaag. De 'ik' bracht een dag op bed door in een plas yoghurt die zou moeten helpen tegen verbranding. 's Avonds ging hij naar een café om de hoek waar je dollars kon wisselen en cassetterecorders kopen.



Apotheek

Na de vakantie ging de 'ik' werken in de apotheek van een man die hij uit de synagoge kende. Hij moest medicijnen rondbrengen. Vaak leverde hem dat fooien op, maar meestal moest daar iets extra's voor worden gedaan. Zo was er de vrouw die wilde dat hij haar vla opat. Daarvoor kreeg hij dan twintig gulden. Een oude kale man die luiers voor volwassenen nodig had, wilde dat de 'ik' zou wachten, totdat de twee vogels in een kooi zouden gaan zingen. Er was ook de oude mevrouw Cohn die de 'ik' steeds een kwartje gaf dat hij vervolgens in het blauwe busje van het Joods Nationaal Fonds moest storten. De apotheker vond dat de 'ik' te langzaam bezorgde en toen hij op een keer al zijn wisselgeld gebruikt had om te bellen met Rosie die hij sinds zijn reis naar Israël niet meer gezien had, werd hij ontslagen. Zijn moeder barstte in woede uit toen zij van het ontslag hoorde. Er sneuvelde weer servies. Vader nam het allemaal laconiek op, maar die had dan ook al anderhalve fles wijn op en ook heel wat borreltjes.



Apollohotel

Elke maandag spraken Rosie en de 'ik' om zeven uur af in de bar van het Apollohotel. Op een van die avonden heeft Rosie verteld van de natuurkundeleraar meneer Eisenring. Rosie had met hem een nummer gezongen tijdens het café-chantant dat ieder jaar op het Vossius werd georganiseerd. Een paar maal had hij haar mee uit eten genomen en in de auto gekust. Zij was ook bij hem thuis geweest. Dat had niet lang geduurd, want hij was bang geweest dat 'het' uit de hand zou lopen. Na de uitvoering was Rosie voor meneer Eisenring weer een anonieme leerling geworden. De 'ik' heeft niet zulke spannende verhalen. Hij weet te vertellen dat Thomas tijdens de gymles altijd zijn puisten uitkneep. Rosie heeft wat geld verdiend in een ijsbar in de Van Woustraat. Ze besloten het geld te gebruiken voor een buitenlandse reis. Eigenlijk zou het reisdoel een verre stad moeten zijn, maar het geld is slechts toereikend voor Antwerpen.



Antwerpen

De bar mitswa van de 'ik' was goed verlopen. Weliswaar had hij nauwelijks Hebreeuws geleerd, maar hij wist nu wel hoe je iemand echt kon haten, namelijk mevrouw Mohnstein die geprobeerd had hem Hebreeuws bij te brengen. Vader was erg nerveus geweest voor de plechtigheid. Hij had meer gedronken dan ooit. 'Mijn vader had de dag voor mijn bar mitswa nauwelijks geslapen en hij zag er in de synagoge uit zoals prins Claus, alleen dan nog veel erger.' (Blz. 52) De dag na Grote Verzoendag zou de 'ik' met Rosie naar Antwerpen vertrekken. Hij vertelde het zijn moeder die daarop prompt de pan met haringsalade die altijd op Grote Verzoendag werd gegeten, weggooide. Vader had sinds de bar mitswa de gewoonte ontwikkeld zich regelmatig in de badkamer op te sluiten. Vlak voor middernacht kwam hij er uit en bekeek de foto van Rosie. Hij stelde vast dat het een mooie meid was, dat de 'ik' niet haar eerste vriendje was en ook niet haar laatste vriendje zou zijn. Voor het vertrek naar Antwerpen bezocht de 'ik' de moeder van Rosie. Die vond het wel eng dat twee kinderen van vijftien jaar samen naar het buitenland gingen. In Antwerpen was het niet gemakkelijk om een hotel te vinden. Alles was vol. Uiteindelijk vonden ze een dure kamer met gaten in de gordijnen en het tapijt. Rosie stond erop de bedden te verplaatsen wat nogal veel voeten in aarde had. Na een avond vol verveling en slechte pizza's, vielen ze uiteindelijk in elkaars armen in slaap. De 'ik' ging de volgende morgen als eerste onder de douche, ondanks protesten van Rosie. De volgende dag werd voor een groot deel in de tram doorgebracht, want het regende en Rosie had geen zin in een museum. Later gingen ze schuilen in een 'gambling-hol' en mosselen eten in een chique restaurant. Rosie wilde een liveshow zien, maar die was niet te vinden, zodat ze maar weer teruggingen naar het hotel. De 'ik' ging de volgende dag al weer als eerste onder de douche. Het kon hen nu niets meer schelen dat het behang, het plafond en de deur flink nat werden. Ze zouden toch niet meer terug komen op deze kamer.



Onder de dennenboom

De weken daarna zag de 'ik' Rosie bijna alleen in café 't Lusthof. Daar bracht de 'ik' een groot deel van de dag door, want hij spijbelde vrijwel permanent. Zijn lerares Nederlands, mevrouw Haaseveld, maakte zich zorgen over hem en vroeg hem of zijn ouders al wisten dat zijn kerstrapport een ramp zou worden. Het kon hem allemaal niets schelen. Hij wist maar een paar dingen zeker: hij zou met Rosie trouwen, een kind krijgen en in Berlijn gaan wonen. Maar later had hij zoveel andere dingen ook zeker geweten, bijvoorbeeld dat hij dood wilde. Rosie zou bij de 'ik' thuis langskomen, maar moeder was nog niet vertrokken en Rosie zou wachten in de achtertuin onder de dennenboom. Toen hij haar eindelijk kon binnenlaten, was ze verkleumd. De derde maal dat Rosie zo lang moest wachten, was ze weggegaan omdat ze dacht dat haar voeten zouden bevriezen.



4320 minuten

Op initiatief van Rosie sprak het tweetal af dat ze op zaterdag 22 november zouden neuken. Dat was vijf dagen later. De afspraak werd gemaakt in een van de diepe portieken aan de Apollolaan. Voordat de zaterdag aanbrak, telden ze regelmatig de minuten die nog moesten verstrijken. Op school werd de situatie er niet beter op. De 'ik' had een paar bladzijden uit het klassenboek verwijderd en nooit vermoed dat men nu een schoolpsycholoog zou inschakelen.Voor straf moest hij twee weken bladeren prikken. Ze waren goed in het verzinnen van dat soort karweitjes op het Vossius. Al een tijdje waren Rosie en de 'ik' bezig met het verkopen van hun schoolboeken om aan geld te komen. De afschuwelijkste, Getal en Ruimte en Chemie in theorie en praktijk waren het eerst aan de beurt geweest. Nu waren de boeken op. Ze verwierpen het idee om boeken uit de tas van medeleerlingen te stelen en te verkopen. Ik zag al twintig schoolpsychologen op een rij zitten. Artsen zonder grenzen zouden ze op me af sturen, als het moest. Om me helemaal gek te maken.' (blz. 71)



Neuken

Ze hadden afgesproken bij De Rode Leeuw, een plek waar ze elkaar nog nooit eerder hadden ontmoet en nooit meer zouden ontmoeten. Die ochtend was de 'ik' nog met zijn moeder meegegaan naar de synagoge. Hij had zijn haar rood geverfd, waarvoor zijn moeder zich verschrikkelijk schaamde. Toch had ze liever dat hij met geverfd haar meekwam, dan helemaal niet. Op zaterdagmiddag kwam mevrouw Weinbaum, een vriendin van moeder, altijd langs. Ze sprak over niets anders dan ziektes, haar ziektes. Een paar jaar later zou ze net zolang aandringen bij het AMC tot ze werd opgenomen, op de psychiatrische afdeling wel te verstaan. Die middag wilde moeder ook een verhaal kwijt. Ze vertelde dat ze vroeger niet oud en lelijk was geweest. Ze was zo mooi dat ze allemaal achter haar aan liepen. Zelfs in Birkenau was ze de mooiste gebleven. Ze werd daar bijna nooit geslagen. 'Ze gooiden worst naar me toe, omdat ik zo mooi was. Hele dikke plakken.' (blz. 78) De 'ik' zocht zijn mooiste broek uit. Dat was wel de broek die hij al veertien dagen aan had. Rosie verscheen in een nieuwe jurk die zij die middag had gekocht. Ze dronken en maakten samen een goor stripverhaal. Daarna gingen ze naar een disco. Daar had de 'ik' eigenlijk een hekel aan, maar op deze dag kon hij Rosie niets weigeren. Uiteindelijk kwamen ze in een nachtcafé terecht waar ze behoorlijk dronken werden van de cocktails. De wandeling naar het huis van Rosie

was dan ook zeer moeizaam. De trappen op leek bijna een onmogelijke opgave. Rosie plaste

in haar broek en de 'ik' gaf over. Op de kamer van Rosie bekende de 'ik' dat hij geen condooms had; de automaten waren leeg geweest, of stuk. Nadat ze geneukt hadden ging Rosie zich met zout water spoelen en stond de 'ik' voor het raam naar het plein te kijken.



Even Shoah kijken

De moeder van de 'ik' was verschrikkelijk ongerust geweest over zijn wegblijven. De 'ik' realiseerde zich dat het nu 23 november was en dat alles nu anders moest zijn. Bovendien was zijn vader enkele dagen later jarig. Ze brachten die dag door met gasten en toen die allemaal weg waren, serveerde moeder, zoals elk jaar, rundertong. Op school werd naar de film Shoah gekeken. De 'ik' hoefde daar niet bij te zijn van zijn geschiedenisleraar. Hij greep de kans aan om nooit meer bij geschiedenis te verschijnen. Het kerstrapport was inmiddels gearriveerd en had voor de nodige commotie gezorgd. Toch gaf de school hem nog een kans tot mei. Maar in die maand hebben ze hem toch van school geschopt. Hij had het te bont gemaakt door een alternatief schoolblaadje uit te brengen. Zelfs leraren hadden het gekocht, maar volgens de rector stonden er obsceniteiten in. Vlak daarna had hij ook gerommeld met de koffiemachine en was door de conciërge betrapt. De 'ik' liep naar huis en dacht aan Rosie, wat ze wel en niet gedaan hadden. Hij had nogal wat jonge jenever op en daarvan raakte hij aan de 'kiadderadatsch'.



Walk like an Egyptian (blz. 95-121)

De 'ik' bevond zich met zijn vader in een van de cafés bij de Beethovenstraat. Vader zat in een rolstoel. Af en toe viel hij daaruit en dan moest hij weer overeind geholpen worden. De lange haren van vader waren voor zijn ogen gegleden en zijn bovengebit zat, zoals gewoonlijk niet goed. Vader dronk nog steeds. De 'ik' bestelde regelmatig een biertje voor hem, hoewel de barman hem waarschuwde dat dat niet verstandig was. Vader kon zichzelf niet meer verzorgen sinds zijn ziekte. Er kwam iedere ochtend iemand langs om hem te scheren, iets wat eigenlijk de taak van de 'ik' was, maar dat niet kon omdat hij dan te laat op kantoor kwam. Op zondagmiddag moest hij eigenlijk met vader door het Beatrixpark wandelen, maar in plaats daarvan zocht hij altijd de kroeg op. Vader vroeg waar 'het schijthuis' was. Dat taalgebruik was voor zijn ziekte ondenkbaar geweest; de dokter had iets gemompeld over persoonlijkheidsverandering. Overigens luisterde de 'ik' al maanden niet meer naar de dokter. Vader en zoon vertrokken, waarmee de 'ik' meteen ontsnapte aan het dronken loeder dat naast hem aan de bar had gestaan en ook nog zogenaamd per ongeluk de mannen-wc was binnengekomen. De 'ik' dacht op de terugweg aan de maandag wanneer hij weer op kantoor moest zijn. Hij zou eigenlijk, nu hij 19 jaar was, in zijn leven moeten ingrijpen, bijvoorbeeld door zijn vader van de brug af te laten glijden. Daar zag hij maar vanaf. Vader begon te zeuren dat hij moest 'pissen'. De‘ik' negeerde hem en dacht met plezier aan de manager op zijn kantoor. De man liet hem regelmatig panty's kopen bij de Bijenkorf. Uiteindelijk zou hij net zoals de 'ik' ontslagen worden, maar ze zouden elkaar blijven ontmoeten. Eens in de drie maanden aten ze samen in Scala della Pasta om daar wetenswaardigheden over hoeren uit te wisselen. Het moeilijkste gedeelte van de uitjes met vader was het hoogteverschil van 50 centimeter dat moest worden overbrugd om hem weer in het huis te krijgen. Ook deze keer lukte het maar moeizaam. Vader riep nog steeds dat hij moest plassen, maar eerst moest en zou hij zijn papje eten dat moeder voor hem had klaargemaakt. Dat papje zou een traditie worden die zelfs in het ziekenhuis werd voortgezet. Uiteindelijk zou vader stikken in het papje. Moeder was bang geweest dat hij zou verhongeren en uiteindelijk was hij niet verhongerd, maar gestikt. 'Verdronken in het eten. Dat zei de dokter: "U moet zich voorstellen, het was een verdrinkingsdood."' (blz. 109) De 'ik' besluit op deze zondagnamiddag nog maar een paar paracetamol te nemen, omdat hij zich beroerd voelt en zo niet in staat is zijn vader een papje te voeren. Inmiddels was Marga gearriveerd, een negerin van de wijkverpleging. De 'ik' en zijn moeder konden vader niet in bed tillen. Met hulp van de wijkzuster, die vader ook waste, ging dat wel. Terwijl de waspartij aan de gang was, dronk de 'ik' nog maar een paar glazen wijn. Daar was genoeg van in huis. Vader maakte schunnige opmerkingen tegen Marga en kneep in haar borst. Ze pikte dat niet en riep de 'ik' ter verantwoording. Die probeerde de aandacht wat af te leiden door te vragen of Marga het nummer 'Walk like an Egyptian' dat net op de radio gespeeld werd, een leuk lied vond. Dat vond ze niet. Moeder werd erbij geroepen en dat bevorderde vaders gedrag niet bepaald. Hij noemde Marga een 'geil varkentje' en schreeuwde verder dat hij naar het schijthuis moest. De ruzie die moeder nu maakte met de wijkverpleegster liep naar een hoogtepunt, maar werd onderbroken toen vader 'als een paard' op de vloer poepte. Op het Perzisch tapijt, op de schoenen en de broek van de 'ik'. Die vertrok onmiddellijk naar de wc om daar zijn maag leeg te kotsen. Hij weigerde om thuis te blijven. Hij liep tot 1 uur in de stad en dacht aan Nicola, een vriend van vader die de 'ik' altijd 'Laternchen' genoemd had. Zo had deze man, afkomstig uit Boedapest, de eerste vrouw die hij ooit begeerde, ook genoemd. Met haar had hij in de oorlog toen hij kok was, altijd een gang langs de gewonden van de dag gemaakt. Zij die een kans hadden om te overleven kregen wat extra soep. Zij die stervende waren ook. De stervenden hadden Nicola vaak in vertrouwen genomen en hem gevraagd een brief te sturen naar een moeder of een of meer geliefden. Toen de 'ik' om 2 uur thuis kwam was moeder bezig vader biefstuk te voeren. Vader keek ernaar alsof het vergif was.



***De meisjes (blz. 123-257)



Houtlijm

In de bar van het Okura ontmoette de 'ik' een man die meedeelde dat hij de chauffeur van zijn

vriendin was. Hij moest houtlijm naar Polen brengen in een oude Opel Kadett. De Polen waren gek op houtlijm en voor de man verdiende het aardig. De man dronk alleen maar koffie en waarschuwde de 'ik' die wodka bestelde dat je voor een wodka in het Okura een halve fles bij Gall & Gall kon kopen. Vlak voordat de man wegging wees hij naar iemand die aan de andere kant van de bar was gaan zitten. "'Animeermeisje," zei hij, "dertig flessen bij Gall & Gall."' (blz. 128)



Tina

De 'ik' zou zijn moeder nooit alleen laten op seideravond, maar nu zat hij nog in de kroeg en liet zich verleiden tot cynische opmerkingen. Iemand had gevraagd om de soep van de dag en als antwoord gekregen dat er geen soep van de dag was. Alleen soep van het jaar, of 'van de eeuw'. De 'ik' zei daarop: 'De soep van de eeuw is gaskamersoep. (... ) Hebben jullie in dit café ook gaskamersoep?' (blz. 129) De volgende ochtend kocht de ‘ik' De Telegraaf. Hij bekeek alle advertenties en koos uiteindelijk voor de knappe, lieve vrouw die privé ontving. Het tarief bleek honderd gulden te zijn. Dat viel mee want de 'ik' had driehonderd van de bank gehaald. Op weg naar de Brederodestraat liep hij door het Vondelpark en sprak zichzelf moed in. Het huis in de Brederodestraat zag er heel normaal uit, uitgezonderd de zwarte doek voor het raam in plaats van gordijnen. De vrouw die opendeed was bepaald niet knap. Ze zei Tina te heten. De 'ik' kwam te weten dat hij tussen haar en een ander meisje mocht kiezen. Toen het andere 'meisje' arriveerde stelde hij vast dat die nog lelijker was en dat het nog maar een kwestie van maanden moest zijn voordat zij op een 'roze strippenkaart' kon reizen. Hij ging dus met Tina mee die eerst wilde afrekenen en daarna overging tot wassen, wat de 'ik' bevreemdde, want sinds zijn zevende was hij niet meer door een ander gewassen. Ze spraken wat over het jood-zijn van de 'ik' die zich netjes als Arnon Grunberg had voorgesteld. Dat kwam hem op een reprimande te staan: nooit je achternaam zeggen. De 'ik' vroeg zich af of hij deze eeuw nog een erectie zou krijgen, zo benauwd was hij. Tina was professioneel genoeg, zo zelfs dat ze passie simuleerde. Na het 'intiem zijn' wilde zij hem weer wassen en had zelfs een doekje waarmee hij zijn bril kon schoonmaken. Dat was nog eens service. Na het bezoek aan Tina koerste hij richting kroeg, waar natuurlijk de Pool weer zat. Hij stonk naar zeep en had een zeepsmaak in zijn mond. De Pool vroeg of hij met zijn hoofd in de toiletspray had gestaan. Dat werd minder na drie witte biertjes. 's Avonds ging hij met zijn moeder voor wie hij een bos bloemen had gekocht naar 'de familie met de vier dochters'. Hij dacht die avond aan Rosie, die hem nooit meer had geschreven, die hij nooit meer zou zien. Het was goed zo,

want hij had haar niets meer te zeggen.

Een gebed voor Marcella (spreek uit: Marshalla)

De 'ik' was naar Zandvoort gegaan, gewapend met een thermosfles vol koele wijn. Het strand was nog leeg toen hij aankwam. Hij huurde een strandstoel en dacht na over de doelen in zijn leven. En aan zijn mislukkingen, op school, op kantoor en in zijn korte tijd als zelfstandig uitgever. Hij had onlangs een brief van een drukker ontvangen waarin hij bedreigd werd als hij zijn schuld niet snel zou voldoen. De volgende dag ging hij naar zijn moeder en leende het geld. 's Avonds probeerde hij te lezen, maar dat lukte niet. De advertenties konden zijn aandacht wel vasthouden. Hij belde een van de nummers en kreeg een dame aan de lijn die vroeg wat hij wilde. 'Iets Europees' was het neutraalste antwoord dat hij kon verzinnen. Het was druk die avond en hij moest genoegen nemen met een bloedmooi halfbloedje. Om elf uur kwam ze, begeleid door de chauffeur die graag meteen wilde afrekenen. De 'ik' herkende de chauffeur wel; het was de jongen die vroeger pizza's rondbracht. Het meisje heette Marcella en ze dronk alleen water. De 'ik' vertelde dat hij journalist was en verlegde het gesprek snel naar Marcella. Hoe was zij in dit vak terechtgekomen, hoe lang deed zij het al? Vlak voordat de 'liefde' bedreven zou worden, probeerde Marcella zich te laten wegsturen. Ze vond dat ze teveel gepraat hadden en kon niet vrijen. Ze wil ook niet dat de 'ik' zegt dat zij het mooiste meisje is dat hij ooit heeft ontmoet, maar uiteindelijk komt het er toch van. Na hun samenzijn spreken zij nog wat verder en komen tot de ontdekking dat van de 250 gulden die de 'ik' betaalt ' er 100 naar het bureau gaan, 100 naar het meisje en 50 naar de chauffeur, Rick, die buiten staat te wachten. Marcella vraagt of de 'ik' voor haar wil bidden - Hij belooft het. Weer een belofte die hij niet zal houden. Hij had trouwens niet geweten welk gebed hij voor haar had moeten bidden. Hij had al heel lang niet gebeden.



Natasia

Moeder raakte er naarmate het langer geleden was, dat vader overleed, steeds meer van overtuigd dat zij hem vermoord had. Zij zou ook haar eigen vader vermoord hebben in Theresienstadt in 1943, maar daarover had ze nooit details verteld, omdat ze die waarschijnlijk gewoon vergeten was. Haar verhaal over de dood van vader was ook gekleurd. Zo vergat ze bijvoorbeeld dat ze hem toen hij niet eten wilde van het papje, met de lepel op zijn hoofd geslagen had. Dat was overigens niets bijzonders, want de laatste jaren van vaders leven deed ze dat regelmatig. Nu droomt moeder regelmatig van vader. Die dromen noteert ze en de 'ik' leest ze. Hij leest zo ook over zijn eigen jeugd waarvan hij ook nog een aantal foto's heeft. Moeder denkt dat ze ook de 'ik' zal vermoorden; ze past niet genoeg op hem. Regelmatig spreekt ze de telefoonbeantwoorder van de 'ik' in met de boodschap dat hij zich niet dood moet drinken. Op een avond dat de 'ik' weer eens niet kon slapen, ging hij naar de kroeg om de hoek en bestelde daar twee tequila. Hij dacht aan het boek dat hij ooit uit de bibliotheek van de school geleend had. Het heette De Hemelvaart van Passim en was geschreven door Oek de Jong. Het verhaal 'Rita Koeling' vond hij zo mooi dat hij het uit het boek scheurde. Om het niet te veel te laten opvallen had hij het boek met wc-papier opgevuld. Dat werd natuurlijk ontdekt door de bibliotheekmoeder en had hem een hoop gedonder opgeleverd. In die tijd had hij niet goed raad met zichzelf geweten. Af en toe bezocht hij voetbalwedstrijden van Ajax. Op de Bernard Zweerskade ontmoette hij twee meisjes die dik en lelijk waren, maar die hem wel uitnodigden om met hen mee naar huis te gaan. Dat deed hij. Ze vonden dat hij stonk en dat klopte want hij droeg al heel lang dezelfde trui. Fleur en Danielle legden hem met geweld op de grond en hielden hem in bedwang terwijl zij in zijn mond spuugden en tampons in zijn oren stopten. De volgende dag had hij op school een spreekbeurt over Kort Amerikaans moeten houden. Hij had alleen de passages gelezen waar seks in voorkwam en was zodoende in een half uur klaar. Voor de spreekbeurt kreeg hij een negen, zijn laatste voldoende op school. Al 'dromend' was hij dronken geworden en hij besluit in de wc te gaan liggen. Van de man die schuin boven hem piste trok hij zich niets aan. Hij wist thuis te komen en werd om twee uur wakker. Hij wilde een meisje bellen, maar besloot eerst nog een paar uur te slapen. Het was een warme nacht. De chauffeur van het meisje belde hem via de autotelefoon op om te zeggen dat hij zijn honderdduizend-stratenboek kwijt was, en of meneer Grunberg wilde vertellen waar hij precies woont. Het meisje was net geslaagd voor haar Havo-diploma. Die avond was de 'ik' haar zesde en laatste klant. Ze had oude en jonge mannen gehad, maar dat merkte ze eigenlijk niet eens. 'Dat zie je helemaal niet meer. Je ziet alleen die honderd gulden.' (blz. 177) De 'ik' kwam klaar en wilde nog een orgasme. Dat werd niet zomaar toegestaan want dat zou niet in het tarief inbegrepen zijn. Hij vond dat zij hem gewoon aan het jennen was. Natasia maakte de 'ik' erop attent dat er ook een escort voor dames bestaat, waar hij wel vijfduizend gulden in de maand zou kunnen verdienen. Later bedacht de 'ik' dat hij weliswaar volstrekt anoniem was voor de meisjes, maar dat hij hen nooit zou kunnen vergeten. In november had hij een paar brieven aan Rosie geschreven en daar nooit een antwoord op gekregen. Rosie had hem niet geantwoord, ook niet toen hij in een volgende brief schreef dat het hem er niet om ging de relatie opnieuw aan te knopen, maar dat hij opheldering wilde over een aantal gebeurtenissen in de zomer toen ze wilden dat Denemarken wereldkampioen zou worden.



Kom je voor anaal? Nee, voor Astrid

De 'ik' verbleef gedurende de ochtend in een riksbioscoop waar de film 'Flodder in Amerika' draaide. iedere dag zat er hetzelfde, voornamelijk mannelijke publiek dat warmte zocht. Die avond zou hij haringsalade bij zijn moeder eten. Het recept was van vader. De laatste maanden van zijn vader waren verschrikkelijk geweest. Hij had een huidziekte gekregen. De 'ik' had het niet kunnen aanzien, zich vaak in de wc opgesloten en gedacht: 'God, laat dit alstublieft ophouden, ik smeek het u, laat dit allemaal ophouden, ik zal gaan leven volgens uw wetten, als dit allemaal ophoudt, als dit allemaal in godsnaam ophoudt.' (blz. 193) Toen zijn vader dood was, had hij hem nog gekust nadat hij de verpleegster had gevraagd of dat gebruikelijk was. De 'ik' had een huisgenoot Sergius, met wie hij die ochtend vroeg nog pannenkoeken had staan bakken. Sergius had in de woestijn gevochten. Hij zat met vier anderen in een tank en hoopte dat de Migs die ze zagen geen vijandelijke Migs waren. Veel meer dan hopen konden ze niet, want tussen het moment dat je de Mig zag tot de raket viel, zat precies anderhalve seconde Sommigen was de angst te veel geworden. In De Telegraaf zag de 'ik' een advertentie die hem aantrekkelijk voorkwam. Het adres was de Agamemnonstraat. Daar aangekomen werd hij eerst door een vrouw die de 'ik' deed denken aan het bloemenvrouwtje in de Maasstraat, aangezien voor de nieuwe chauffeur. Hij kwam echter voor een meisje en werd op zijn wenken bediend nadat hij de 125 gulden had betaald. Ze heette Astrid en was lui. Ze sloeg het wassen over en liet de 'ik' zijn eigen condoom omdoen. Astrid bleek een pruik te dragen en toen hij bij haar binnenging leek het alsof hij in een emmer zeepsop kwam. Toen hij het huis verliet gaf ze hem een papiertje mee met haar privé-nummer. Vreemd genoeg, vond hij zelf, belde de 'ik' de volgende dag weer naar het 'bordeel aan huis'. Zijn afspraak met Astrid werd niet gestand gedaan. Ze was op escort, maar als hij toch niet voor anaal kwam, kon hij net zo goed een ander meisje nemen, vond de gastvrouw. Maria en de 'ik' zijn binnen een kwartier klaar. Een blauwe plek herinnert hem aan de Franse massage die zij hem gegeven heeft.



Sandra

De 'ik' meldde zich bij Meneer Dreese. Hij was te laat want hij had het adres niet kunnen vinden. Hij kwam zich inschrijven als mannelijke escort. Meneer Dreese zei dat zijn bureau, Blue Moon, nu al anderhalf jaar naar verwachting draaide. Van de 'ik' die zich als Stephan had voorgesteld, wilde hij een pasfoto hebben. De 'ik' zou in ieder geval een opdracht krijgen. Daarna wilde meneer Dreese de 'ik' nog eenmaal spreken en als hij dan door wilde gaan, kon 'het balletje gaan rollen' wat hem betreft. Mannelijke escorts moesten zelf afrekenen en hadden geen chauffeur. Meneer Dreese zou het wel op prijs stellen als de 'ik' een pak droeg tijdens zijn werk. Er werd verder geïnformeerd of hij behalve dames ook heren wilde bedienen en (echt)paren. Daar zag hij van af; de dames mochten wel tot zeventig jaar oud zijn. Op weg terug naar huis dacht hij aan zijn mislukte pogingen om toegelaten te worden tot de toneelschool en hoe hij later op een kantoor was gaan werken. Daar was hij een dag na Sinterklaas ontslagen. 'Rosie heeft het vijf dagen na Sinterklaas uitgemaakt, dus Sinterklaas is gewoon een hele slechte tijd voor me.' (blz. 229) Thuis vond hij een briefje met het verzoek om een bepaald telefoonnummer te bellen. Het rook wel vreemd in zijn kamer. Dat kwam omdat hij in de plant plaste als hij s avonds laat thuiskwam. De man die hij aan de lijn kreeg, zei dat hij gisterenavond het verkeerde blaadje had meegenomen. Hij had het witte moeten meenemen, maar had het gele gehouden. Het betrof de blaadjes die uitgewisseld worden bij creditcard afrekeningen. De 'ik' had de avond daarvoor met zijn postbankkaard afgerekend voor de diensten van een meisje uit Litouwen met de naam Sandra. Sandra had een douche genomen voordat ze aan het vrijen waren geslagen. Ze sprak nauwelijks Nederlands of Engels, maar wist duidelijk te maken dat ze tijdelijk dit werk deed om geld voor haar familie in Vilnius te verdienen - Ze was in Nederland met een 'sister in work'. De 'ik' vond haar zo lief dat hij wel met een soeplepel de ogen uit het gezicht had kunnen lepelen. De man van de gele en witte briefjes was inmiddels gearriveerd. Hij bleef een wijntje meedrinken en vertelde over het bureau waarvoor hij werkte. De baas was hard, maar rechtvaardig. Zo lang je de zaak eerlijk speelde, verloor je je tanden niet. Er waren chauffeurs die de zaak bedonderden. Dat ging een paar keer goed, maar dan werd het altijd ontdekt en liep het slecht af met de oplichter. Al dat gepraat over in elkaar slaan deed de 'ik' denken aan Sergius, zijn huisgenoot. Sergius had aan boksen gedaan. Tijdens een bezoek aan een nachtclub had Sergius de 'ik' zijn levensverhaal verteld. Na de oorlog in de woestijn was hij naar Noorwegen gegaan waar hij bij een oude vrouw, Anna Larsen, was gaan wonen. Na een gevecht met een dronken man, was hij daar vertrokken omdat hij zijn leven niet meer zeker zou zijn. Die avond was de 'ik' bij een hoer op de Walletjes te biecht gegaan. De seksuele ontmoeting met deze Alissa was

nog onpersoonlijker dan met al die escortmeisjes die de 'ik' ooit ontmoet had.



***In dienst van Blue Moon (blz. 259-271)



De 'ik' had zijn pasfoto afgegeven bij meneer Dreese en het dossiernummer 31 F toebedeeld gekregen. Hij zei beschikbaar te zijn op maandag en van woensdag tot vrijdag. Het balletje kon gaan rollen, aldus Dreese die dat nu al twintig keer gezegd had. De 'ik' ging bij zijn moeder langs om een pak te lenen dat van zijn vader geweest was. Hij zei het nodig te hebben voor een feest. Maandagavond om zeven uur nam hij een douche en ging daarna, gehuld in het pak naast de telefoon zitten wachten met hulp van een fles slivovitsj. Om 1 uur belde hij 'Blue Moon' op waar hij te horen kreeg dat wachten nu eenmaal bij het vak hoorde. In een avondwinkel kocht hij bier. Thuisgekomen trok hij het pak uit en overwoog in de toekomst zijn eigen escortactiviteiten te gaan regelen. 'Blue Moon' was en bleef in gesprek. Hij belde het bureau dat hem Sandra had geleverd en vroeg of zij die avond werkte. Sandra kwam een half uurtje later en zou langer blijven dan het reglementaire uur, omdat de chauffeur haar 'sister in work' naar het ziekenhuis moest brengen in verband met een kaakontsteking. Sandra en de 'ik' vielen in slaap. Sandra had zich beroerd gevoeld en de 'ik' was hondsmoe. Toen Sandra weg was, nam de 'ik' zich voor morgen alles op te ruimen en meneer Dreese te bellen. 'Ik' zou vast een hele goede zijn. Misschien moest ‘ik’ alleen wat minder kieskeurig worden, zodat ze wat meer werk voor me hadden, want dat wachten vond ik nog wel het ergste. Gelukkig dat kieskeurigheid snel verdwijnt, hebben ze me verteld, net als al die andere dingen.' (blz. 271)
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen