U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Frederik Van Eeden - De Kleine Johannes.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=7740 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2869 woorden.

Frederik van Eeden - De kleine Johannes

Beoordeling door Orneé & Vermeer Tekstbureau



Frederik van Eeden

De Kleine Johannes

Amsterdam Em. Querido's Uitgeverij B.V. 1983

Eerste druk 1887; herdrukt als Salamander, naar de 14e druk (1932)



Uiterlijke beschrijving van het boek:

De voorkant is erg kleurrijk. In blauwe letters staat er de naam van de schrijver, vervolgens daar onder in zwarte letters de titel van het boek en daar onder in oranje letters Salamander. Daarnaast staan twee kleine rode salamandertjes.

Uit de tekening op de voorpagina is niet zo goed op te maken wat het precies is. Het is een vrij abstracte tekening. Ik kan wel een jongetje zien, hij is bloot. Ik denk dat het de kleine Johannes is in zijn droomwereld. Van zijn omgeving kun je van alles maken, het zou een weg kunnen zijn, die leidt tot in de bergen, er zijn in elk geval een vis en wat bomen.



Dit boek telt 154 bladzijdes die zijn onderverdeeld in veertien hoofdstukken zonder titel. Er is geen motto, maar wel een opdracht. Die luidt: Aan mijn vrouw



Samenvatting:

Elke avond voordat Johannes gaat slapen zegt hij zijn gebedje op. Meestal vraag hij om een wonder, maar hij verwacht niet dat er ooit een zal plaatsvinden. Op een dag ligt hij te dromen in een bootje op de vijver, samen met zijn hond Presto, als plotseling een libel komt. Die libel blijkt een elf te zijn, die Windekind heet. Ze wil Johannes' vriendje worden, op voorwaarde dat hij haar naam nooit zal noemen in de mensenwereld.

Ze zorgt ervoor dat Johannes klein en licht wordt en neemt hem mee op een wonderlijke reis. Hij spreekt nu de taal der bloemen en dieren. Hun reis voert eerst naar de Krekelschool, waar Johannes leert dat de mens een groot, nutteloos en schadelijke dier is, dat erg weinig aanzien heeft in de dierenwereld. De krekels vinden zich zelf het beste van al de dieren, zij kunnen namelijk springen en vliegen. Geen enkel ander dier kan dat zo goed als zij.

De volgende dag gaat Presto Johannes zoeken, hij vindt hem in de duinen. Johannes denkt dat hij gedroomd heeft, maar vindt dan het sleuteltje. Thuis moet hij zijn vader beloven dat hij niet meer weg zal lopen, maar Johannes wil niks beloven. Na een paar dagen ontmoet hij Windekind weer en samen gaan ze het sleuteltje veilig opbergen, omdat anders zijn vader het sleuteltje op Johannes' wasdag zou vinden.

Johannes wil Windekind weer zien. Hij komt een duif tegen die hem een veertje geeft om ook te kunnen vliegen. De duiven brengen hem dan naar Windekind. Windekind vertelt hem allerlei verhalen over de dieren, die overeenkomsten met mensen vertonen. Zo hekelt hij de Oorlogsmieren in de godsdienstoorlogen. Johannes vindt dat de mieren dom zijn, maar Windekind zegt dat de mensen juist naar de mieren toe komen om wijzer te worden.

In het bos ziet Johannes hoe een groep mensen er de rust verstoord en hij wordt er droevig van. Hij besluit dat hij niet meer bij de mensen wil wonen en blijft bij Windekind. Windekind vertelt Johannes over de kabouters en Johannes wil ze zien. Hij ontmoet Wistik, de kabouter die overal over heeft gelezen. Hij leest een kruisspin uit een boekje voor over kribbelgauw (Kribbelgauw is bij de andere dieren een monster, maar bij de spinnen een held). Johannes wil weten in welk boekje de waarheid staat. Wistik weet ervan, maar zoekt er zijn hele leven al naar. Windekind zegt dat het boek niet bestaat en dat hij niet naar Wistik moet luisteren. Johannes blijft steeds aan het boekje denken.

Windekind zegt dat Wistik al veel mensen naar het boekje heeft laten zoeken en hen zo ongelukkig heeft gemaakt. Johannes wil antwoorden op zijn vragen en gaat terug naar Wistik.

Wistik geeft hem een orakelspreuk die hem kan helpen bij het zoeken: "mensen hebben het gouden kistje, elfen hebben de gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, mensenvriend slechts opent het, lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet de weg."



In de lente ontmoet hij Robinetta, die een roodborstje op haar schouder heeft. Johannes is verliefd op haar, maar vindt daarmee nog niet het geluk. Wistik zegt hem dat hij aan het roodborstje moet vragen waar hij het geluk kan vinden. Deze tjilpt: "Hier niet! Hier niet!". Robinetta wil hem ook helpen en zij laat hem de bijbel zien. Daar heeft Johannes niets aan en hij zegt dat hij geen eerbied voor God heeft. Nu mag Robinetta van haar vader niet meer met hem omgaan.

Hij komt Pluizer tegen. Pluizer zegt een vriend te zijn van Wistik en dat hij meer weet dan Wistik. Hij zegt ook dat Windekind nog veel dommer is dan de kabouter. Johannes zou alles gedroomd hebben, maar alleen Pluizer zou echt bestaan. Pluizer zou Johannes helpen zoeken naar het boekje.

Als Johannes wakker wordt is hij in het kamertje van Pluizer in de stad. Hij ontmoet Pluizers vriend Hein. Daarna gaan ze naar dokter Cijfer die een konijn onderzoekt. Dokter Cijfer wil Johannes ook helpen zoeken naar het boekje, maar alleen als hij sterk is en niet klein en teerhartig.

Pluizer toont Johannes de armoede en ellende van de stad. Ze gaan naar een feest en Pluizer laat de ijdelheid en verveling achter de lachende mensen zien. De rondleiding eindigt op het kerkhof. Pluizer maakt hen klein en ze gaan voorafgegaan door een worm de graven in en bekijken een graf van een vrouw die op het feest was (het is nu een halve eeuw later, voor Pluizer bestaat geen tijd). Ze bezoeken nog een aantal graven en op het laatst komen ze bij een nieuw graf, waarvan het hout nog niet vergaan is, met moeite komen ze binnen, Johannes staat op een hand en herkent die hand. Hij herkent een vlekje, hij herkent zijn eigen hand. Hij probeert te blijven staan, maar valt toch flauw.

De volgende ochtend zijn ze terug bij dokter Cijfer en begint Johannes met leren. Hij doet dat maandenlang, maar hoe meer hij leert hoe duisterder het wordt. Dokter Cijfer laat niet toe dat Johannes iets bewondert, als een bloem. Hij leert hem dat het ondoelmatig is. Zijn verlangen naar Windekind en Robinetta nemen steeds meer af. Ondertussen laat Puizer hem zien hoe zinloos alles is. Johannes voelt zich hulpeloos. Pluizer zegt dat Johannes het boekje met het sleuteltje moet vergeten, hij moet net zo worden als dokter Cijfer.

In de lente verlangt Johannes naar de duinen. Hij gaat er naar toe als zijn vader op sterven ligt. Nadat zijn vader gestorven is wil Pluizer hem opensnijden om te kijken wat er mis was met hem. Maar Johannes wil helemaal niet dat Cijfer zijn vader opensnijdt. Hein knikt naar Johannes, als hij ziet dat deze de wil van Pluizer kan weerstaan

Buiten ziet Johannes Windekind met het sleuteltje en rent hem achterna. Op het strand ziet Johannes Windekind en Hein in een boot zitten. Maar plotseling komt er een persoon aan met een liefdevolle blik in zijn ogen (De Liefde voor de Mensheid) deze stelt Johannes voor de keuze van het aanvaarden van de sociale verantwoordelijkheid (de Ongenoemde, het socialisme) of het opgaan in de fantasiewereld (Windekind, het estheticisme) Johannes kiest voor het eerste.



Titelverklaring:

De titel verwijst naar Johannes, het jongetje in het verhaal. Hij is op zoek naar het ware geluk, een betere wereld. Het jongetje Johannes is ook te vergelijken met het evangelie van Johannes. Beiden zijn immers op zoek naar een betere wereld.



Genre:

Het boekje is een soort sprookje: "Ik zal U iets van de kleine Johannes vertellen. Het heeft veel van een sprookje, mijn verhaal, maar het is toch alles werkelijk zo gebeurd. Zodra gij het niet meer gelooft, moet gij niet verder lezen, want dan schrijf ik niet voor U."

In het verhaal komen personen voor die in het echte leven helemaal geen personen zijn. Het is dus niet alleen een sprookje, maar ook een allegorie, dat wil zeggen dat de sprookjesfiguren die erin voorkomen niet zozeer personages zijn, als wel personificaties van begrippen. Wistik staat dan voor de nieuwsgierigheid van de mens, en dokter Cijfer staat voor het rationalisme.

Het is niet alleen een roman over een jongetje dat in een sprookjeswereld terechtkomt, maar ook is het de uitbeelding van de ontwikkeling van een kind tot volwassene.



Thema

Hoe de geestelijke ontwikkeling van een kind naar volwassenheid op symbolische wijze getekend wordt. Het kind wordt voortdurend beziggehouden door vragen (over zin van het leven, geluk/verdriet, leven/dood, en het waarom van alles). Het antwoord hierop leidt tot de essentie van het leven, maar ook tot de dood. Uiteindelijk wil hij niet meer zoeken maar gaat een leven leiden in dienst van de mensheid



Motieven:

De tegenstellingen tussen de stad en de natuur, fantasie en wetenschap spelen een belangrijke rol. Ook het begrip dat elke figuur voorstelt: Windekind stelt de ongerepte kinderfantasie, liefde voor de natuur en het verlangen naar schoonheid voor. Wistik symboliseert de drang naar het kennen en begrijpen van alle aspecten van het leven en de dwaalweg van het zoeken naar kant-en-klare antwoorden op alle vragen ('het ware boekje"). Robinetta is het symbool voor de beginnende seksualiteit. Pluizer en dokter Cijfer stellen het rationalistisch denken voor. De laatste symbolische figuur is de Ongenoemde die hij volgt op weg naar de stad om daar de lijdende mensheid te helpen.



Thematiek:

In het verhaal staat de ontwikkeling van kind tot volwassene en de worsteling met de levensraadsels centraal. De volgende elementen spelen hierbij een rol: de levensfasen van de mens; contrasten (goed/kwaad, idealisme/materialisme); het verkleiningsmotief; kritiek op de mensenmaatschappij; het zoeken naar geluk; positivisme en pantheïsme (God is in alles aanwezig).



Opbouw

Het verhaal bestaat uit veertien genummerde hoofdstukken. In totaal worden er vier verschillende fasen behandeld, namelijk het Windekind-stadium (kinderlijke fantasie), het Wistik-stadium (kennisdrang), het Pluizer/Dr. Cijfer-stadium (rationalisme en materialisme) en het Ongenoemde-stadium (sociale roeping, adolescentie).

Het verhaal wordt verteld in chronologische volgorde, af en toe denkt Johannes eens terug aan een eerdere gebeurtenis. Het is een samenhangend verhaal, met maar één verhaallijn. Alles draait om de dingen die Johannes meemaakt. Je zou de dubbele lading van het boek wellicht als tweede verhaallijn kunnen zien, omdat alles wat het kind meemaakt ook een andere betekenis heeft. Op een moment zouden er dus twee dingen verteld worden.

Het is duidelijk dat er een verhaal verteld wordt. Het begint met een inleidende zin van de schrijver en eindigt met de woorden: "Wellicht vertel ik u eenmaal meer van de kleine Johannes, doch op een sprookje zal het dan niet meer gelijken."

Frederik van Eeden heeft inderdaad verder vertelt over het kind, en wel in de boeken: Johannes Viator en De Kleine Johannes 2 en 3. Echter volgens critici laten deze voortzettingen Van Eeden niet van zijn beste kant zien. "Ze missen door een teveel aan goede wil alles wat dit boek zo uniek maakt: het reële en het speelse, en daardoor, bij gemis aan contrast, ook het fantastische en zelfs de ernst. Ze zijn, kortom, door een overvloed aan ernst niet ernstig te nemen."

Spanning wordt veroorzaakt door het gedetailleerde schrijven van Van Eeden. Als je met Johannes mee door de gangen onder het kerkhof kruipt en ze bij een doodlopende gang komen, besluit Pluizer dat er doorgegraven moet worden. Johannes weet niet wat hem te wachten staat, als lezer weet je dat ook niet. Ik wilde erg graag weten waarom Pluizer zonodig door moest graven. Later bleek dat we bij het dode lichaam van Johannes uitkwamen.

Spanning leidt ertoe dat je door wilt blijven lezen. Echter, ik wilde het hele boek in een keer uitlezen, omdat ik het zo fascinerend vond hoe de zogenaamde personages echte karakters bleken te zijn en op het zelfde moment de eigenschappen van de mens verwoordden.



Personages:

Johannes (de hoofdpersoon). Johannes is een kleine jongen met veel fantasie en een grote liefde voor planten en dieren. Hij vraagt en zoekt naar de waarheid. In het verhaal groeit hij op van kind tot jong volwassene.

Windekind. Hij is een elf en de zoon van de zon. Hij leert Johannes alles over de natuur, leert hem de taal van de dieren en planten, maar vervreemdt hem steeds verder van de mensenwereld. Windekind haat mensen en Johannes neemt dat langzaam maar zeker over. Hoewel Johannes een mens is, laat Windekind hem alles zien, omdat zij vrienden zijn. Windekind stelt de fantasie van het kind en de liefde voor de natuur voor.

Wistik. Hij is de meest wijze van de kabouters. Hij praat te veel. Wistik spoort Johannes aan op zoek te gaan naar het boekje waar de volledige waarheid in staat. Windekind wil niet dat Johannes naar hem luistert, maar hij doet dit toch en Windekind verlaat hem. Wistik symboliseert de drang naar kennis (het zoeken naar antwoorden).

Robinetta. Zij is een mens en wordt een goede vriendin van Johannes. Zij doen alles samen, totdat Johannes haar vertelt, dat hij opzoek is naar 'het boekje'. Robinetta is het symbool voor de jeugderotiek.

Pluizer. Hij ontkent het bestaan van alles wat bovenmenselijk is. Hij heeft minachting voor gevoelens en vindt het leven zinloos. Pluizer leert Johannes alles van de zin van het bestaan en de dood. Pluizer en dokter Cijfer symboliseren het rationele denken.

Hein. Hij symboliseert de dood. Pluizer brengt Johannes met hem in contact. Eerst is hij bang voor hem, maar later wil Johannes zelfs dat hij hem meeneemt, opdat hij Windekind terugvindt.



Tijd:

Het verhaal is chronologisch verteld. Soms zijn er flashbacks waarin Johannes terugdenkt aan eerdere ervaringen. De vertelde tijd is twee jaar, met sprongen in de tijd, je hebt er namelijk niet zo'n groot besef van dat dit alles in twee jaar speelt. De verteller vertelt het verhaal achteraf, in een tijdsbestek van zo'n twee dagen. Het speelt zich af aan het einde van de negentiende eeuw, dat weet ik omdat er over industrialisatie gesproken wordt, maar nergens wordt er een duidelijke tijdsaanduiding gegeven.





Perspectief en Vertelsituatie:

Het gebruikte perspectief is die van de auctoriale verteller. De verteller beschrijft nauwkeurig de gevoelens van Johannes en beschrijft andere personen door de ogen van Johannes.



Ruimte

Er zijn duidelijke tegenstellingen van ruimten, met als belangrijkste voorbeeld de natuur tegenover de stad. Het huis waar Johannes woont, ligt vlak bij de zee in een duin- en bosrijk gebied. Johannes voelt zich hier gelukkig. De tochten met Windekind vinden hier ook plaats. In de stad, met Pluizer, is hij ongelukkig. Het stinkt er, is er groot, armoedig, druk, ellendig en vol ziektes. Volgens Johannes kan hier geen enkel mens gelukkig worden.

Johannes reist vrij veel in het verhaal. Het is niet zozeer zo, dat hij grote afstanden aflegt, maar hij krijgt in het kleine gebied, waar dit verhaal zich afspeelt heel veel verschillende dingen te zien.



Taalgebruik en stijl:

In het boek "De Kleine Johannes" wordt niet echt moeilijke taal gebruikt. Er zijn bijvoorbeeld geen ingewikkelde termen gebruikt, simpelweg omdat we ons bevinden in de wereld van een jongetje. Maar de manier waarop het boek is geschreven is al wat ingewikkelder. Ten eerste is er een wat oudere Nederlandse taal gebruikt (het boek is in 1887 geschreven) en ten tweede is het wat minder vrij en wat plechtiger geschreven dan de meeste boeken die ik heb gelezen. Een voorbeeld hiervan is het volgende: Als Johannes bij de mieren is, praat hij met hen over hun strijd tegen de Strijdmieren. Ze vertellen hem dat het een goede zaak is, en hij vindt dat eigenlijk niet.

"Waarom die veldtocht?" Zeide Johannes "dat lijkt mij niet mooi." "Neen! neen! zeide de luizenhoeder, "het is een zeer schone en lofwaardige tocht…"

In een boek dat in 1990 is geschreven zul je dit soort zinnen niet meer tegenkomen. Ook wordt er in de aanspreekvormen nog "gij" en "U" gebruikt tegen een jongetje van tien jaar.

Ik vind dat Van Eeden er een erg mooie stijl op na hield. Hij vertelt heel gedetailleerd en gebruikt de juiste woorden om zaken te beschrijven. Het is een erg helder boek om te lezen. Er zijn geen vreemde verwikkelingen waardoor je zinnen meerdere malen moet lezen.



Achtergronden:



Frederik Willem van Eeden (1860 - 1932) behoorde tot de Tachtigers, onder wie hij het religieus symbolisme vertegenwoordigde. Hij was werkzaam als arts, daarna als psychiater (tot 1894). Als Cornelis Paradijs maakte hij in 1885 de dichtbundel 'Grassprietjes'. Hiermee maakte hij de Nederlandse domineespoëzie belachelijk. In dat zelfde jaar was hij een van de oprichter van 'De Nieuwe Gids'. Het eerste nummer opende met het begin van de roman 'De kleine Johannes. In 1893 leidde een polemiek met Willem Kloos tot een breuk met 'De Nieuwe Gids'. In 1898 stichtte Van Eeden in Bussum de idealistische kolonie 'Walden', die door wanbeleid in 1907 failliet ging. In 1900 verscheen zijn beroemdste roman 'Van de koele meren des doods. In 1894 en 1897 verschenen de twee vervolgen op 'De kleine Johannes'. Nieuwe sociaal-idealistische plannen werden door de Eerste Wereldoorlog verstoord en nadien was zijn literaire rol vrijwel voorbij. In 1922 werd hij rooms-katholiek. Zijn laatste jaren werden verduisterd door een geestesziekte. Andere werken van hem zijn o.a. het versdrama: De broeders (1894), Het lied van schijn en wezen (2 delen; 1897 en 1910), Studies (4 reeksen; 1890-1904) en Mijn dagboek (8 delen; 1931-1934).




Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen