U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Louis Couperus - Antiek Toerisme.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/1102 en is laatst upgedate op 06/05/2000.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2927 woorden.

Boekverslag:

ANTIEK TOERISME



Beschrijving:

Biografische gegevens:

- Schrijver: Louis Couperus

- Titel: Antiek Toerisme

- Ondertitel: roman uit Oud-Egypte

- Uitgever, plaats en jaar van uitgave: Uitgeverij L.J. Veen, te Amsterdam/ Antwerpen, 1994

- Druk: 3e druk

- Jaar van eerste uitgave: 1911

- Aantal pagina’s: 155 pagina’s

- Leestijd: 6-8 uren



Persoonlijke reactie op het werk:

Ik vond het een zeer moeilijk boek om te lezen, ten eerste vanwege het oude Nederlands en ook vanwege de decadente taal. Couperus vertelt plaatsen en gebouwen e.d. heel erg uitgebreid en dan raak je makkelijk de kluts kwijt. Ook vond ik het maar een vreemd verhaal en dat die jonge zo’n heisa over een meisje kunt maken. Ik zat in elk geval niet met plezier te lezen. Ik kon het verhaal ook heel moeilijk volgen.



Motiveren van boekkeuze:

Ik zocht naar een niet al te dik boek en toen kwam ik uit op deze. Ik kon kiezen uit twee verschillende boeken die even dik waren en deze leek mij het interessants omdat ik boeken uit de oudheid wel interessant vind.



Inhoud:

Antiek Toerisme telt 29 petrekkelijk korte hoofdstukjes en wordt afgesloten met een ‘Naschrijft’. De gebeurtenissen spelen zich af gedurende 3 à 4 maanden in het 9e jaar van keizer Tiberius (p. 153), dat wil zeggen in het jaar 23 n.Chr.

1,2: De rijke Romein Publius Sabinus Lucius vaart met zijn Quedrium (een gallei met aan weerskanten vier rijen roeiers) naar Egypte. In zijn gezelschap bevinden zich o.a. zijn oom Catullus, een levensgenieter, en zijn pedagoog Thrassyllus. Lucius onderneemt de reis op aanraden van de oude pedagoog. Zijn slavin Ilia, die hij hartstochtelijk liefheeft, is namelijk verdwenen, en Thrassyllus vindt het nodig dat Lucius afleiding zoekt. Hij had om hem te verstrooien al de Griekse slavin Kora gekocht, die prachtig zingt en danst, maar Lucius heeft het meisje, dat zich aan boord bevindt, tot nu toe nauwelijks opgemerkt. Beide mannen, zowel Lucius als Thrassyllus, hebben nog een ander doel met de reis. Thrassyllus wil in Egypte de grote Wijsheid achterhalen en Lucius wil erbij priester en waarzeggers informeren naar Ilia. (Uit een nachtelijk gesprek tussen Catullus, Thrassyllus en Kora blijkt al aan het begin van de roman dat Ilia weggelopen met de matroos Carus. Iedereen weet dat, alleen Lucius niet).

3-5: In Alexandrië logeert het gezelschap in het Diversorium (herberg) van de broers Ghizla en Kaleb. De laatste doet dienst als gids. Hij laat hun de stad zien, o.a. het Museum met de beroemde bibliotheek en de Soma met het graf van Alexander de Grote.

‘s Nachts gaan Lucius en Kaleb naar de sibylle Herofile in de wijk Rhakotis. Zij verklaart dat Ilia geschaakt is door zeerovers maar dan doorziet Lucius plotseling het bedrog: de sibylle raadde slechts zijn eigen gedachten.

6-9: Na drie dagen treuren besluit Lucius naar het feest van de Serapis te Canope te gaan. (Canope was een plaats ten oosten van Alexandrië, er bevond zich een groot heiligdom geweid aan de god Serapis.) Op de boottocht door het kanaal dringt voor het eerst Kora’s gezang tot Lucius door. Te Canope gaat de Romein temidden van vele andere feestgangers dromen op het dak van de tempel. Op dit punt van het verhaal legt de verteller een en ander uit omtrent de Egyptische godenleer. Serapis is de god uit onderwereld, Osiris is de god ‘in de bovenwereldschen hemel’ (p. 59). Maar Serapis en Osiris zijn dezelfde, er is tussen hen geen onderscheidt. Serapis ik ook vrouwelijk (hij is gelijk aan de godin Neith) en hij is mannelijk (hij is dezelfde god Ammon). Hij is het begin en hij is het laatste.

10: Als Lucius ontwaakt is legt hij zijn droom (hij droomde dat veel zeerovers, die allen op elkaar leken, Ilia meevoerden) voor aan de profeet Amfris. Die verklaart dat er slechts een rover was. Hij raadt Lucius ook aan vóór alles de wijsheid te zoeken. ‘De liefde is machtig maar de wijsheid is machtiger,’ zegt hij (p. 63).

11-13: Dagen later (Lucius heeft zich na Canope in wanhoop opgesloten en wil niemand zien) adviseert Thrassyllus hem verder te reizen. In Alexandrië heeft de pedagoog te vergeefs naar de wijsheid gezocht. Hij is een stad van ‘kooplieden, woekeraars en veile vrouwen’ (p. 74). Maar er is nog wijsheid in Egypte, en de wijsheid zal Lucius genezen. Er is het geheime woord van Kabbala, dat Mozes van God vernam op de berg van Sinaï, en dat nooit is opgetekend, maar steeds mondeling is door gegeven. Dat woord is de sleutel van het geluk (p.74). (De Kabbala is de naam die de joden in de Middeleeuwen aan hun geheime leer en mystiek.) Lucius besluit verder te reizen. Ze zullen gebruik maken van de Nijl–thalmegus van de broers Ghizla en Kaleb. Kaleb zal hen als gids vergezellen.

14: In de stad Saïs, ongeveer in het midden van de Nijldelta, bezoeken Thrasyllus en Lucius beiden de tempel van Isis-Neith. Thrasyllus gaat naar Nemu-Fa, een der heiligste profeten van Egypte. Lucius bezoekt het allerheiligste van de tempel, waar het beeld van de gesluierde Isis staat, met daarboven de spreuk: ‘Ik ben, die geweest is, is en zijn zal, en niemand heeft mijn sluier gebeurd.’ (p. 81) Als hij terugkomt bij de thalamegus, is Kora daar. Zij danst voor hem in het maanlicht. Later in de nacht, Lucius slaapt al, komt Thrasyllus thuis. Hij vertelt Kora het geheime woord dat Nemu-Fa hem gezegd heeft: ‘Wees uw eigen godheid.’ Dat woord voldoet de oude pedagoog niet.

15-16: Na dagen (Lucius heeft veel steden in de Delta bezocht en allerlei orakels geraadpleegd) vaart men de Nijl op en komt men in Memfis, de oude hoofdstad. Dit is een grote, uitgestorven stad, een schril contrast met het drukke en levendige Alexandrië. Alles wat groot en machtig was, dreigt hier onder het woestijnzand bedolven te worden. Thrasyllus vertelt Lucius over de oude farao’s, over Mozes, die Hermes Trismegistus kende en van hem leerde de occulte wijsheid, ‘àlle wijsheid, die kan geweten worden’ (p.95). (Hermes Trismegistus is de Griekse aanduiding voor de Egyptische Toth. Hij werd beschouwd als de schrijver van de Hermetica: een serie geschriften uit de tweede en derde eeuw voor Christus over astrologie, alchimie, magie en filosofie.) Lucius is zeer onder de indruk van het ‘eeuwen-, en eeuwen-oude Verleden… dat wèg is… dat verzonken is onder deze zanden…’ (p.96).

17-18: Men bezoekt de piramiden. In de kleinste van de drie beschrijft een priester voor Lucius het uiterlijk van de rover die Ilia schaakt. Lucius ziet hem voor zich: een van zijn eigen matrozen. ’s Nachts brengt men een bezoek aan de grote Sfinx. Zij is Neith, de alles wetende Wijsheid. Ze is niet gesluierd, als Isis, maar ze zwijgt. Bij de Sfinx huist in een grot een joodse kluizenaar. Hij vertelt dat hier dertig jaar geleden een Grijsaard, een Vrouw en een Kind gerust hebben. De vrouw leek Isis en Heva en het kind op Horus en Habel. Het kind straalde. Sinds de kluizenaar dit kind gezien heeft, doofde in hem de wetenschap. Hij ziet het verleden niet meer en ook de toekomst niet. Hij ziet slechts het heden.

19-23: Op een vroege morgen, de thalamegus ligt nog steeds bij Memfis gemeerd, ontmoet Lucius tijdens een wandeling Kora. Zij hebben een gesprek, waarin zij vertelt over haar jeugd op het Griekse eiland Kos. Niet lang hierna vertrekt Lucius met een klein gezelschap naar het Orakel van Ammon, ver naar het oosten, in de woestijn. Dit beroemde heiligdom was ooit door Alexander de Grote bezocht. Na zes à zeven dagen bereikt men de oase. De tempel is vervallen, er komen hier nog nauwelijks pelgrims. Het beeld van Ammon-Râ is verveloos en geschonden; Lucius voelt medelijden met de verschemerende god. Hij blijft dagen en vijf nachten samen met de opperpriester. Het is een tijd van peinzing en gebeden. Dan komt Lucius weer naar buiten, ‘[b]leek, moê en verklaard’ (p. 120). Hij weet.

Terug in Memfis heeft Lucius ‘s nachts, als de thalamegus verder vaart, een gesprek met Thrasyllus. Het woord dat hem genezing schonk, was: ‘Wees uw eigen godheid’; dezelfde spreuk die Thrasyllus in Saïs hoorde en die hem niet voldeed. Maar Lucius verklaart dat het woord hem kracht geeft. Hij lijdt niet langer, hij leeft in de schoonheid van het heden.

24-26: De rest van de Lucius’ reis wordt betrekkelijk snel afgewikkeld. Luicius reist van Alexandrië naar de kolommen van Sesostris, aan de kust van Ethiopië. Naar de afstaand heeft hij pas een zevende deel van de tocht afgelegd; maar de hoeveelheid tekst is er al meer dan drie vierde deel verteld. Op een gegeven ogenblik scheiden zich de wegen. Oom Catullus vaart met de thalamegus naar Berinice aan de Rode Zee, waar de quedrireem van Lucius ligt, die via het Necho-kanaal naar de Rode Zee is gevaren. Met de quedrireem zal men naar de zuilen van Sesostris gaan. Lucius vertrekt ondertussen met een klein gezelschap over land; in Ethiopië jaagt hij op olifanten en struisvogels.

Kora vergezelt Lucius. Hij had haar gevraagd mee te gaan en zij stemde toe. De nacht voor zij bij de zuilen van Sesostris aankomen, dwalen ze getweeën over de hoogvlakte. Hierdan zij opnieuw van hem, het schijnsel van de sterren. Hij vraagt haar voortaan naast hem te leven, als zijn vrouw. Zij is bovenmate gelukkig.

27-29: De volgende dag, als Lucius de quedrireem betreedt en oom Catullus weer ontmoet, hoort hij van hem een verschrikkelijke boodschap. Hij is bij keizer Tiberius in ongenade gevallen en al zijn goederen zijn in beslag genomen. Lucius is arm. Maar hij incasseert de tegenslag gelijkmoedig. Met Kora vertrekt hij naar het eiland Kos, waar hij zich als beeldhouwer zal vestigen.

Naschrift: De roman sluit af met een naschrift: een brief aan Kaleb aan Lucius waarin hij hem bericht dat hij de quedrireem verkocht heeft en dat hij de opbrengst zal doen toekomen.



(Ik heb de samenvatting uit Lexicon van Literaire Werken, mei 1994 gehaald.)



Verdieping:



Belangrijke passages:

1. Een zin: “Het was of de scharlaken lippen in den gouden kroesbaard grijnsden en of de beryllen oogen verwonderd waren over wat zij zagen in de Eeuwigheid.” Hier komt echt naar voren dat Couperus dingen, in dit geval een mummie, of plaatsen uitgebreid verklaart. Je moet precies zien wat Couperus ook voor ogen had met het schrijven van dit boek.

2. Op bladzijde 13 uit het boek worden de hoofdpersonages goed beschreven. Daar wordt aandacht gegeven aan Lucius, Ilia, de oom van Lucius; Catullus, Thrassyllus en Kora. Deze personages worden allemaal heel kort weergegeven. Aan het einde van bladzijde 12 en het begin van bladzijde 14 gaat daar ook op door.

3. De hoofdstukken 27 en 28 geven de afloop van het verhaal weer. Maar het geeft ook weer hoe goed Lucius eigenlijk met zijn verlies om kan gaan en nu hij arm is eigenlijk veel beter ook aan anderen kan denken. Bijvoorbeeld als zijn slaafje hem vraagt om hem te houden wordt hij niet boos maar is hij bereidwillig om hem te houden. En ook ziet men dat de slaven goed behandeld werden omdat ze zo’n liefde voor hem hebben.





Eigen respons:

Dit boek was heel erg moeilijk leesbaar. Het leek mij gelijk al een saai boek toen ik eenmaal begon te lezen.

Dat Lucius zo woedend was over het verdwijnen van zijn slavinnetje, Ilia, kan ik me wel wat bij in denken en ook dat hij zo graag wilde weten waar zij was. Als je van iemand houd wil je wel alles voor die persoon over hebben en bij verliefdheid is dat gevoel vaak een beetje egoïstisch. Ook kan ik me wel wat indenken bij Ilia dat zij weggegaan is omdat ze waarschijnlijk geen liefde kreeg van Lucius maar dat hij alleen maar liefde eiste van haar.



Vergelijking van eigen leeservaring met die van medekandidaten:

Harmke Verkade heeft dit boek ook gelezen en wij hebben onze leeservaringen uitgewisseld. Zij vond het een leuk boek. Zij vond de stijl van schrijven wel mooi en boeiend. Maar we waren het er over eens dat het wel een beetje een vreemd verhaal was. Ze had een positieve verwachting voor dat ze het boek ging lezen. We hadden dezelfde famme fatale en famme fragile.



Karakterisering van personages:

Lucius, de hoofdrolspeler, was aan het begin van het boek een driftkikker en dacht hij aan niets anders dan aan het verlies van Ilia en daar was hij heel erg verdrietig en boos om. Geleidelijk aan wordt hij, naar mate hij meer over Ilia te weten krijgt, meer opener ook tegenover anderen. Helemaal aan het eind van het boek heeft hij echte liefde gevonden voor Kora, en geeft hij ook echt om haar wensen. Hij vraagt haar ten huwelijk.

Ik zie Ilia, Lucius’ 1e liefde, als de famme fatale. Door Ilia is Lucius zo ongelukkig geworden en als je het verhaal leest dan lijkt Lucius helemaal gestoord te worden in de nabijheid van Ilia. Zij is ook zo knap dat bijna iedereen verliefd op haar wordt en daardoor verblind worden.

Kora is de zangeres van Lucius zij is een heel knap en lief meisje. Zij is gelijk al verliefd op Lucius maar dat laat zij niet zo duidelijk merken. Ik stel me deze vrouw voor als een famme fragile, zij is wel eens waar knap en verleidelijk maar niet zo dat ze mensen in het ongeluk stort. Ze is heel bescheiden en is liefdevol, niet op zijn minst voor Lucius ook al merkt hij haar niet op.

Kaleb is de dienaar van Lucius die hem als een gids door heel Egypte leidt. Hij verlangt naar zijn geboorteland, Saba, en dat is zijn doel. Hij wordt ook verliefd op Kora en wil haar kopen van Lucius maar Lucius houd Kora.



Spanningsopbouw:

Er is een zekere morele spanning in dit boek. Ik ben het natuurlijk niet mee eens dat Lucius en Thrasyllus naar al deze goden en priesters gaan om de ‘Wijsheid’ te zoeken. Ook vinden ze voldoening in wat ze bij al deze verschillende godsdiensten vinden.

Ook is de kijk op vrouwen ook heel erg bizar, tenminste hoe Lucius zich gedraagt tegenover Ilia, dat is wel wat ziekelijk.



Behandeling vanuit de biografie van de schrijver en diens opvattingen

Louis Couperus is 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Op 10-jarige leeftijd verhuisde hij naar Java en kwam weer terug in 1878. In Holland heeft hij MO-Nederlands gestudeerd. In 1899 keerde hij, met zijn vrouw, terug naar Indië, voor een bezoek. In 1900 gingen ze in Nice wonen. Couperus heeft voor enkele kranten geschreven.

Vanwege zijn plannen om een reis te ondernemen naar Egypte en zijn passie voor dit land is dit boek ontstaan. De reis is alleen niet doorgegaan. Je ziet ook zijn voorliefde voor reizen duidelijk terug komen in dit boek.

Couperus was een aanhanger van de Naturalisten (1870-1920). Veel van de opvattingen van de Naturalisten zijn terug te vinden in zijn boeken. Ook heeft hij met de beweging der Tachtigers het individualisme en de woordkunst gemeen.



(De informatie heb ik van Internet gehaald: http://odur.let.rug.nl/~gosse/nederlands/galerij/Sluiten.html en ook van het Spectrum Encyclopedie)



Vergelijking met andere auteurs of literaire werken

De Naturalisten is een groeperingen die heel veel het Noodlot zien van de mens. De mens is een product van krachten en omstandigheden en daaraan kan hij niet ontsnappen. Wat je heel erg duidelijk terug ziet in de boeken van Couperus en vooral in dit boek is vooral het schilderen met woorden wat de Naturalisten heel veel doen. Ook analyseert Couperus het driftleven van mensen en de aandacht voor de seksualiteit zie je ook wel, maar niet zo heel erg sterk in dit boek.

Het psychologisch realisme van Flaubert en het naturalisme van Zola, vonden weerklank in Den Haag. Daar had Jan ten Brink (1834-1901) als redacteur van het tijdschrift Nederland al in 1873 de aandacht op Zola gevestigd. Couperus werd duidelijk door hem beïnvloed evenals Marcellus Emants (1848-1923) en Frans Netscher (1864-1923). Couperus’ romans voldeden echter minder aan de formele eisen van het naturalisme dan die van andere, destijds populaire maar nu vrijwel vergeten romanschrijvers.



(Informatie uit een stencil die we van onze leraar hebben gekregen: Nederland Literatuur – Achtergronden stromingen en ook uit Spectrum Encyclopedie)



Behandeling vanuit cultuurhistorische of maatschappelijke context.

Couperus kwam uit hogere kringen. Toen hij uit Indië terug kwam vond hij deze wereld helemaal niet leuk. Hij had er zelfs een gruwelijke hekel aan. Deze decadentie komt heel erg duidelijk te voor schijn in dit boek. Lucius was heel erg rijk, maar toen hij aan het einde van het boek opeens heel erg arm was had hij daar helemaal geen erg aan. Het lijkt haast alsof hij dat prettig vond.

De vernieuwing op prozagebied kwam uit Frankrijk.

Vanwege Couperus’ betrokkenheid bij de naturalisten heeft hij de boeken geschreven zoals hij ze geschreven heeft. Historische romans waren voor de naturalisten heel erg populair.



Evaluatie



Ik vond het aan de ene kant wel leuk om eens een boek te lezen van een Nederlandse schrijver die in de vorige eeuw leefde. Maar aan de andere kant vond ik de stijl heel erg moeilijk te lezen. Het is absoluut niet mijn stijl. Ik kon de beschrijving van de omgeving ook absoluut niet volgen. Ik kon de grote lijn nog wel volgen. Maar door het zo levendig mogelijk voor te schilderen, heeft Couperus het te gedetailleerd gedaan, naar mijn menig, dat je het niet meer kunt volgen. (Deze zin is nu misschien ook niet meer te volgen vanwege de omvang.) De lijn en het grote plaatje zijn door alle details moeilijk te lezen.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen