U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag :  - Multiculturele Samenleving.
Deze versie komt van http://scholieren.samenvattingen.com/documenten/show/6464844/ en is laatst upgedate op 01/07/2002.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2607 woorden.


Multiculturele samenleving:

  • Een samenleving waarin groepen van verschillende etnische groepen samenleven.

  • Een samenleving waarin groepen van verschillende etnische groepen gelijke kansen hebben (en hun eigen cultuur niet verliezen).



Etnische groepen:

  • Een groep die zichzelf ziet als een aparte groep of door anderen als zodanig beschouwd wordt op basis van hun etniciteit.



Etniciteit:

  • De culturele en fysieke kenmerken en gedragingen die door een groep mensen wordt gedeeld. (Erfelijke kenmerken, gemeenschappelijke afkomst)



Verschillende benamingen voor allochtone/ etnische groepen:

  • Vreemdeling of buitenlander: Mensen die geen Nederlands paspoort hebben. Juridisch

  • Migranten: personen in het buitenland geboren. Ongeacht nationaliteit. Demografisch

  • Gastarbeiders: Mensen in Nederland tijdelijk kwamen werken (jaren 60). Economisch

  • Etnische minderheden: Etnische groepen met een maatschappelijke achterstand. Beleids



Etnische minderheden:

  • Etnische groepen die gedurende langere tijd in een sociaal-economische en culturele achterstands positie verkeren en minder toegang tot materiële en immateriële zaken hebben.



Allochtonen:

  • Mensen van niet Nederlandse herkomst, die niet uit westerse landen komen (etnische groep).

  • Alle vreemdelingen + alle personen van wie ten minste één ouder buiten Nederland is geboren.



Maatschappelijke en politieke vraagstukken:

  • Problemen i.v.m. migratie en toelating. Toegenomen aantallen vreemdelingen (die zich in Nederland wilden vestigen) en illegalen.

  • Problemen i.v.m. sociale ongelijkheid. Etnische minderheden bevinden zich in een maatschappelijke achterstandspositie.

  • Optimalisatie van de verhouding tussen verschillende groepen en culturen in één samenleving. En het omgaan met de verschillen tussen de culturen (w.o. discriminatie)



Migratie heeft economische problemen opgelost en een verrijking van de samenleving:

  • Het oplossen van het tekort aan arbeids krachten.

  • Nieuwe impulsen door de komst van wetenschappers, artiesten e.a.

  • Grotere diversiteit op cultureel gebied. (religie, literatuur, voedsel, muziek, mode e.d.)

  • Vergroting van het besef dat de eigen cultuur er één is uit een groot geheel.

  • Evenwichtigere opbouw van de bevolking qua leeftijden. Verminderde druk op de sociale zekerheid.



Global Village met push en pull factoren:

  • De economische en ecologische situatie. Verschillen in werkgelegenheid, welvaart, en de ecologische situatie. (Asiel recht)

  • De politieke situatie. Verschillen i.v.m. mensenrechten schendingen (in dictaturen). Vrijheid van Meningsuiting, Vergadering, Godsdienst e.a.

  • Eerdere migratie. Kettingmigratie: gezinsvorming, hereniging voorbeeld van eerdere.

  • Het Nederlandse migratie beleid. Verwachtte kansen op bijv: een goede opvang, toelatingsprocedure e.d.



Motieven om naar Nederland te komen:

  • Koloniale geschiedenis. (Komst van personen met Nederlandse nationaliteit.)

  • Economische situatie. (Vraag naar arbeidskrachten en grote welvaartsverschillen)

  • Gezinshereniging en gezinsvorming.

  • Vervolging om politieke of godsdienstige redenen.

  • Oorlogsgeweld.



Redenen voor specifieke groepen om naar Nederland te komen:

  • Indische Nederlanders:

    • Bij de onafhankelijkheid van Indonesië moesten zij kiezen voor of een onzekere toekomst in Indonesië òf emigreren.


  • Molukkers

    • Zij wilden een Vrije Republiek der Zuid-Molukken die Nederland hen beloofd had. (Reminder: Molukse mannen in KNIL)


  • Surinamers

    • In de jaren ‘50 en ‘60 kwamen ze vooral voor studie.

    • Vanaf de jaren ’70 groeide het aantal Surinamers dat de slechte situatie wilde ontvluchten. (Economische motieven)

    • Vlak voor de onafhankelijkheid nam dat aantal toe omdat men weinig vertrouwen had in de politieke toekomst van Suriname en omdat men bang was het Nederlanderschap te verliezen en door een toenemende spanning tussen Creolen en Hindoestanen. (Politieke motieven)

    • Later ook gezinshereniging. (Persoonlijk motief)


  • Antillianen en Arubanen

    • Tot de jaren ’70 bijna niet in Nederland, wel tijdelijk verblijvende studenten.

    • Vanaf ’70 nam de werkgelegenheid af en kwam men naar Nederland om werk te zoeken. (Economisch motief)

    • De laatste tijd komen er Antilliaanse jongeren uit de sociaal lagere milieus naar Nederland in de hoop op een beter leven. (Economisch motief)


  • Turken en Marokkanen

    • In de jaren ’60 en ’70 kwamen ze als gastarbeiders naar Nederland. (Economisch motief)

    • Na 1973 (de oliecrisis) was gezinshereniging het grootste motief. (Persoonlijk motief)


  • Asielzoekers en vluchtelingen

    • Vertrekken om politieke, religieuze, oorlog’s redenen waardoor ze zich onveilig en bedreigd voelen in hun eigen land.

    • Toelating op grond van het Vluchtelingenverdrag van Genève. (criteria: het bedreigen van leven of vrijheid op grond van ras, politieke overtuiging, godsdienst of het behoren tot een bepaalde sociale groep.


  • Illegalen

    • Zijn personen die niet in Nederland zijn toegelaten. Maar stiekem wel in Nederland zijn gebleven.




Oorzaken voor de groei van etnische groepen:

  • Gezinsvorming en gezinshereniging.

  • Hoger geboorte niveau dan bij de autochtone bevolking.

  • Leeftijdssamenstelling. Meer jongeren die gezinnen vormen.

  • Geringe retourmigratie

  • Illegale vestiging



Nederland is al sinds 1500 een land waar mensen uit verschillende culturen heen zijn gekomen.

  • Economische redenen: In Nederland heerste een aantrekkelijke relatieve welvaart. Die ook nog eens arbeidskrachten vereiste.

  • Politieke redenen: Nederland kenmerkte zich dor een grote mate van gastvrijheid en tolerantie. En was dus aantrekkelijk voor vluchtende groepen.



Uitgangspunten van het te voeren beleid:

  • Artikel 1, lid 1 van de Grondwet: Het grondrecht dat het gelijkwaardigheid- en anti discriminatiebeginsel verwoordt.

  • De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en de Europese Verklaring van de Rechten van de Mens (EVRM). De artikelen over het recht op asiel en gezinshereniging.

  • Het vluchtelingenverdrag van Genève. (Asielzoekers moeten worden toegelaten als zij slachtoffer zijn van vervolging op grond van ras, godsdienst, politieke overtuiging, nationaliteit of het behoren tot een bepaalde sociale groep.)



Nederland voert een restrictief toelatingsbeleid drie toelatingsgronden zijn:

  • Een Nederlands nationaal belang. (gastarbeiders of specialisten)

  • Internationale verplichting om burgers van EU landen toe te laten.

  • Humanitaire overwegingen, gezinshereniging, gezinsvorming, vluchtelingschap.

    • Er zijn ook asiel zoekers die op deze gronden geen recht hebben maar die toch een (voorwaardelijke) verblijfsvergunning krijgen. Onmenselijke situaties.




Toelating, verblijf en uitzetting van niet-Nederlanders wordt geregeld in de Vreemdelingenwet.

  • Asielzoekers dienen een aanvraag in bij een Aanmeldcentrum. ? Eerste selectie.

  • Rest wordt naar een Opvangcentrum gebracht. ? Nader onderzoek.

  • Conform het Vluchtelingenverdrag van Genève goedgekeurd? ? Asielzoekerscentrum. Vanuit daar wordt een woning gezocht.

    • Afgewezenen tijdens dit proces dienen het land te verlaten, doen ze dat niet zijn zij illegaal.




Nederland is in de loop der jaren een restrictiever vreemdelingenbeleid gaan voeren.

Dilemma:

  • Enerzijds een humanitaire opstelling en een eerlijk individueel onderzoek.

  • Anderzijds het probleem van de vergrote aantallen asielzoekers met economische motieven, en de moeilijkheden rond het uitzettingsbeleid.


Tegenstanders van het restrictieve veemdelingen beleid:

  • Willen een ruimer toelatingsbeleid.

  • Vinden dat mensen het recht hebben op een serieus individueel onderzoek.

  • Zij wijzen op de grote ongelijkheid in de wereld.

  • Ze wijzen er ook op dat er in bepaalde sectoren nog genoeg werk is.



Voorstanders van het restrictieve veemdelingen beleid:

  • Voeren vaak aan dat het maatschappelijk draagvlak zou ontbreken.

  • De kosten van asielbeleid worden erg hoog.

  • Er is onvoldoende werk, en niet genoeg woonruimte.

  • De Nederlandse cultuur wordt bedreigd.



Verschillende vormen van het minderhedenbeleid:

  • Als gevolg van dekolonisatie kwamen er twee te onderscheiden groepen naar Nederland:

    • Indische Nederlanders: Beleid was gericht op een snelle assimilatie.

    • Molukkers: wilden tijdelijk blijven (in afwachting van eigen Republiek), naar integratie werd niet gestreefd.


  • In de Jaren ’60 en ’70

    • kwamen er gastarbeiders naar Nederland, zij zouden tijdelijk blijven, eerst geen maatregelingen voor permanente huisvesting.

    • Toen bleek dat zij wilden blijven werd het beleid aangepast.


  • Rond 1975

    • kwam een grote groep Surinamers naar Nederland van wie ook duidelijk werd dat hun verblijf niet van tijdelijke aard was.


  • Vanaf 1980

    • ging het beleid zich duidelijker richten op de blijvende aanwezigheid van etnische minderheden in Nederland.

    • Als hoofddoelstelling de integratie, met name van etnische minderheden.

    • Vooral aandacht aan het bestrijden van de achterstands situatie terwijl de culturele identiteit werd behouden.


  • In het begin jaren ‘90

    • Werd er een nieuw beleid ontwikkeld t.a.v. nieuwkomers.

    • Zij moesten een inburgerings contract afsluiten waarin zij zich verplichten Nederlands te leren, kennis over de Nederlandse samenleving te verwerven en zich te oriënteren op de arbeidsmarkt.

    • Relatief grote criminaliteit onder sommige etnische groepen kreeg politieke aandacht




Maatregelen die de kansen van etnische minderheden kunnen bevorderen op de Arbeidsmarkt, in het Onderwijs en op de Woningmarkt.

  • m.b.t. onderwijs

    • Het onderwijs voorrangsbeleid (extra middelen geven aan scholen met hoge percentage leerlingen uit etnische groepen)

    • Introductie van opstapprojecten en schakelklassen.

    • Onderwijs in eigen taal en cultuur en Nederlands-als-tweede-taal-lessen.

    • Ontwikkeling van intercultureel onderwijs en bijscholing op dat gebied.


  • m.b.t. werk

    • Stimuleren van bedrijven om meer mensen van etnische minderheden in dienst te nemen.

    • Positieve actie, als overheid een voorbeeld functie geven door zelf mensen van etnische minderheden in dienst te nemen.


  • m.b.t. wonen

    • Effectieve overheidsbeleid om de discriminerende belemmeringen weg te halen bij woning instanties.

    • Spreidingsbeleid, mag officieel niet, maar gemeenten willen liever concentraties etnische minderheden voorkomen.


  • m.b.t. politiek

    • De grondrechten zoals die voor Nederlanders vast gelegd zijn gelden ook voor buitenlanders.

    • Vanaf 1985 bestaat er op lokaal niveau actief en passief stemrecht voor mensen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben en langer dan 5 jaar in Nederland zijn.

    • Sommige politieke partijen willen het stemrecht voor buitenlanders ook laten gelden voor te Tweede Kamer en de Provinciale Staten.



    • Stratificatie: Het verschijnsel dat een samenleving uit maatschappelijke groepen en lagen bestaat waartussen een verhouding van sociale ongelijkheid bestaat.

    • Ontstaat door ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken

    • En Ongelijke waardering en behandeling van personen en groeperingen op grond van hun maatschappelijke positie.




Verschillende verklaringen voor deze maatschappelijke ongelijkheid . De interactie tussen:

  • Arbeid en Kapitaal (beroep, beroepsprestige, inkomen, bezit)

  • Het Sociaal milieu (etniciteit, intellectueel klimaat, ondersteuning door ouders, leermotivatie, carrièregerichtheid)

  • Onderwijs

  • Persoon (o.a. sekse)



Verschillende Theorieën over maatschappelijke ongelijkheid:

  • Marxistische theorieën:

    • leggen de nadruk op de verschillende economische posities, met name bezit, de controle over productiemiddelen, en beroepspositie.


  • Weber:

    • Stratificatie wordt door meerdere factoren bepaald, klasse/sociaal aanzien en politieke macht. (deze beïnvloeden elkaar onderling)


  • Functionalisten:

    • Ongelijkheid in een samenleving heeft een functie. Hogere beloningen voor bepaalde taken, leveren motivatie om te gaan studeren en die taken te vervullen.




Onderverdeling in klassen:

  • Onderklasse van mensen met zeer lage inkomens of uitkeringsgelden

  • Werknemers- of arbeidersklasse

  • Professionele middenklasse van hoog opgeleide werknemers

  • Ondernemersklasse van eigenaren van kleine en middelgrote bedrijven.

  • Bovenlaag van kapitaalbezitters en top bestuurders van o.a. grote ondernemingen

    • De kloof tussen de onderklasse en de andere klassen wordt steeds groter, zo ontstaat er een tweedeling in de samenleving.




Kansen op hoger onderwijs, daarmee de sociale mobiliteit, blijken sterk met de maatschappelijke positie van de ouders samen te hangen.



Sociale mobiliteit is een beweging van individuen of groepen tussen verschillende maatschappelijke posities.

  • Intra-generationele mobiliteit

    • Daling of stijging van maatschappelijke positie binnen iemands loopbaan.


  • Inter-generationele mobiliteit

    • Duidt op een hogere positie van iemand t.o.v zijn ouders.




Twee soorten samenlevingen i.v.m. sociale mobiliteit:

  • Gesloten samenleving

    • Hierin hebben de leden nauwelijks of geen kans om te stijgen op de maatschappelijke ladder.


  • Open maatschappij

    • In westerse, geïndustrialiseerde samenlevingen is de mobiliteits kans vergroot, omdat er meer banen beschik baar zijn waar een hoge opleiding voor nodig is.

    • De Intra-generationele mobiliteit is echter afgenomen omdat de toegenomen betekenis van opleiding de kansen om uit een lager gewaardeerde beroepspositie op te klimmen aanzienlijk verkleint.



    • Meritocratie theorie

    • Gaat er vanuit dat personen een positie in de samenleving veroveren op basis van hun persoonlijke capaciteiten en onderwijs deelname.



    • Reproductie theorie

    • Met name het culturele kapitaal en de socialisatie in de gezinnen beïnvloedt de school prestaties, de beoordeling en aanpak door leerkrachten beïnvloedt de beslissing om opleidingen door te zetten of te beëindigen.




Vele leden van etnische minderheden bevinden zich in de lagere klassen.

  • Slechte positie op arbeidsmarkt en woningmarkt.

  • Lager inkomen dan autochtonen.

  • Geringere spreiding van de inkomens.

  • Relatief weinig opleiding. (Waardoor weinig kans op sociale mobiliteit.)

    • Het gevaar van een etnische onderklasse ontstaat.




Bij positieverwerving en –toewijzing gaat het zowel om het individueel handelen als om de rol die de organisatie en instituties spelen.

  • Positietoewijzing

    • Factoren vanuit de samenleving: vooroordelen en discriminatie op de arbeidsmarkt, onderwijs dat geen rekening houdt met culturele achtergronden, de mate waarin autochtone organisaties openstaan voor etnische minderheden.


  • Positieverwerving

    • Factoren aan de kant van de etnische minderheden: Houding van de jongeren en hun ouders t.a.v onderwijs, de mate waarin ouders onderwijsdeelname stimuleren en de mate waarin eigen organisaties ontwikkeld worden/zijn.




De achterstands positie van etnische minderheden op de arbeidsmarkt blijkt o.a. uit:

  • Een hogere werkloosheid.

  • Langdurigere werkloosheid (t.o.v. autochtonen).

  • Veel vaker lager functies (nauwelijks hogere functies).

  • Vaker een tijdelijk dienst verband.



Verklaringen voor deze achterstand op de arbeidsmarkt zijn:

  • Positietoewijzing:

    • T.g.v de automatisering worden eerder werknemers in lagere functies ontslagen.

    • De verschuiving van werkgelegenheid naar de diensten sector is niet gunstig voor mensen met een lagere opleiding.

    • Bij hoge werkloosheid is er sprake van verdringing op de arbeidsmarkt.

    • Discriminatie bij het toewijzen van banen. (Indirecte discriminatie, tests en sollicitatiegesprekken).


  • Positieverwerving:

    • Geringe taalbeheersing en opleidingsniveau.

    • Niet vertrouwd met de Nederlandse sollicitatieprocedures.

    • Onvoldoende toegang tot het netwerk dat toegang geeft tot vacatures.




De gevolgen van werkloosheid:

  • Lager inkomen

  • Minder ontplooiingskansen

  • Minder status

  • Minder sociale contacten

  • Verveling

    • Negatieve beeldvorming van etnische minderheden.

    • Verslechtering van hun culturele positie.

    • Kan discriminatie in de hand werken.

    • Sprake van een wisselwerking tussen de sociaal-economische positie en de culturele positie.




De achterstands van etnische minderheden op de woonsituatie heeft te maken met:

  • Arbeidsmarkt waarop zij een slechte positie innemen.

  • En dus lage inkomens hebben.



Verklaringen voor deze achterstand op de woonsituatie zijn:

  • Positietoewijzing:

    • Het toewijzingsbeleid was lange tijd vaak discriminerend:

      • Langere wachttijden, daardoor aangewezen op het kopen van mindere kwaliteit woningen.

      • Inmiddels zijn veel discriminerende belemmeringen weggehaald.



  • Positieverwerving:

    • Een gedeelte zoekt een woning in een wijk waar sprake is van een concentratie van etnische minderheden.

      • Relatief goedkopere woningen.

      • Makkelijker om sociale contacten te leggen.





De achterstands positie van etnische minderheden in het onderwijs blijkt o.a. uit:

  • De kinderen hebben vaak een lager opleidingsniveau.

  • Presteren relatief slechter op de basisschool.

  • Stromen minder vaak door naar hogere onderwijsvormen.

  • Er zijn relatief meer drop-outs.



Verklaringen voor deze achterstand in het onderwijs zijn:

  • Positietoewijzing:

    • Er wordt in het onderwijs onvoldoende rekening gehouden met mindere taalbeheersing.

    • Stereotypering en vooroordelen bij docenten maken dat zij minder van deze leerlingen verwachten en vragen.

    • Leermiddelen en toetsen zijn onvoldoende toegesneden op etnische minderheden.


  • Positieverwerving:

    • Door een zwakke beheersing van de Nederlandse taal.

    • Weinig cultureel kapitaal. Weinig aandacht van ouders voor onderwijs, schoolprestaties met name van meisjes.




Cultuur:

  • Omvat de totale leefwijze van een groep, zoals die op verschillende wijze tot uiting komt in: waarden, normen, gewoontes, regels, tradities, rituelen, symbolen en kunst



Culturen zijn relatief:

  • Tijd en plaats gebonden.

  • Dynamisch. Ze veranderen onder invloed van wijzigende omstandigheden (bijv. politieke of economische situaties).

  • Acculturatie. Het overnemen van aspecten uit andere culturen.

    • Ideële dimensie:

      • Waarden, mens- en maatschappijvisies en godsdienstige ideeën.


    • Normerende dimensie:

      • Normen, wetten, straffen en gewoontes.


    • Materiële dimensie:

      • Wat is mooi, functioneel e.d.





Waarden:

  • Oriëntatie punten voor het gedrag van mensen. Ze geven aan wat mensen, nastrevenswaardig en waardevol vinden. Waarden liggen ten grondslag aan normen.


Normen:

  • Specifieke gedragsregels. Die voortkomen uit waarden.



Dominante cultuur:

  • Meestal de cultuur van de meerderheid.

  • Of de cultuur van een minderheid met een invloedrijke politieke of economische positie.



Subcultuur:

  • Levensstijlen van groepen mensen, die waarden normen en symbolen ontlenen aan de dominante cultuur. Maar daar ook duidelijk vanaf wijken.



Socialisatieproces:

  • Tijdens het socialisatieproces worden in een beïnvloeding en aanpassingsproces waarden en normen overgedragen op de volgende generatie.

    • Door bijv. Gezinsleden, school, vrienden en massamedia.


  • Internalisatie:

    • Als men naar die waarden en normen handelt uit ‘eigen’ overtuiging. De cultuur wordt als vanzelfsprekend ervaren.




Cultuur geeft:

  • Richting aan het denken en doen van mensen: het vormt een gedragsregulerend kader.

  • De mogelijkheid om zich te identificeren.

  • Legt ook beperkingen op gedrag. Afwijkend gedrag wordt niet geaccepteerd.

    • Sociale controle.




Elke grotere groep is te onderscheiden in verschillende subgroepen met hun eigen subculturen

  • Plattelands- en stedelijke subcultuur:

    • Mate van de aanwezigheid van burenplicht, sociale controle.


  • Cultuur van lagere milieus, en hogere:

    • Mate waarin scholing wordt gestimuleerd.


  • Religieuze subculturen:

    • Bijv. meer orthodoxe opvattingen tegenover liberale interpretaties.




Cultuur relativisme:

  • Andere culturen bekijken zonder die te beoordelen naar de normen van de eigen cultuur.

  • Het gedrag moeten we proberen te begrijpen en zeker niet veroordelen omdat het anders is.

    • Kritiek: onverschillig lijkende vrijblijvendheid t.a.v. misstanden.




Cultuur universalisme:

  • Bepaalde waarden gelden domweg voor iedereen (vrijheid van godsdienst en de gelijkwaardigheid van man en vrouw).

  • Er moet opgetreden worden tegen misstanden.

    • Kritiek: etnocentrisme ? er wordt teveel uitgegaan van westerse waarden en normen.




Sociale categorisatie:

  • Het indelen van mensen in groepen om ze gemakkelijker te kunnen plaatsen.



Stereotypering:

  • Meestal negatieve beeldvorming met weinig kennis of ervaring met die anderen.

  • Vaak moeilijk veranderbaar beeld (zelfs met nieuwe informatie).

  • Gebaseerd op: geloven, horenzeggen of eenmalige ervaringen.



Verklaringen voor stereotypering:

  • Resultaat van leerproces: in massamedia komen etnische minderheden vaak negatief in het nieuws

  • Mensen willen hun eigen identiteit gunstig laten afsteken t.o.v. anderen.

  • Het afzetten tegen andere groepen kan de cohesie bevorderen.

  • Xenofobie: mensen zijn bang voor datgene dat afwijkt.

  • Confrontatie met andere culturen kan onzekerheid over de eigen cultuur tot gevolg hebben, zij zetten zich er daarom tegen af.



Racisme:

  • De mening dat groepen mensen als minderwaardig beschouwd kunnen worden op grond van veronderstelde erfelijke lichamelijke kenmerken die verbonden worden met culturele kenmerken.



Oorzaken en gevolgen van discriminatie:

Persoonlijke factoren die kunnen leiden tot discriminatie zijn gelegen in de ervaringen met en beeldvorming van anderen.

  • Sociale factoren:

    • Sociale druk.

    • Sociale controle.

    • De mate van persoonlijk contact.


  • Maatschappelijke factoren:

    • Sociaal economisch:

      • Met name in perioden van recessie ? meer discriminatie.

      • Politiek juridisch



      • Anti discriminatie wetten.

      • Mogelijke straffen.

      • Pakkans.

      • Daadwerkelijke straffen.





Discriminatie:

  • Het ongelijk behandelen van personen of groepen, namelijk op basis van groepskenmerken die in de betreffende situatie niet relevant zijn:

    • Sociaal milieu.

    • Huidskleur.

    • Afkomst.


  • Zodat algemene ook voor hen geldende rechten hen worden ontnomen.



Institutionele discriminatie:

  • Door regelingen of procedures die tot gevolg hebben dat etnische groepen systematisch minder kansen hebben

    • Psychologische tests voor autochtonen.

    • Sollicitatiegesprekken voor autochtonen.




Gevolgen van discriminatie:

  • Minder kansen op de arbeids- en de woningmarkt.

  • Gevoelens gekwetst of bedreigd te zijn.

  • Het ontstaan van spanningen tussen bevolkingsgroepen.

  • Self-fulfilling prophecy.



Modellen:

  • Multiculturele samenleving:

    • Een samenleving waarin groepen van verschillende etnische groepen gelijke kansen hebben (en hun eigen cultuur niet verliezen).


  • Melting pot:

    • Een samenleving waarin 2 of meer verschillende etnische groepen versmelten tot één geheel nieuwe bevolkingsgroep.


  • Assimilatie:

    • Een samenleving waarbij die nieuwkomers zich volledig aanpassen aan de domante cultuur.


  • Segregatie:

    • Een samenleving waarin de etnische minderheden strikt gescheiden zijn van de dominante groep.







Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen