U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Jeroen Brouwers - Bezonken Rood.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/1011 en is laatst upgedate op 21/08/1998.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 770 woorden.

Druk: 13

Eerst uitgave: 1981





Korte samenvatting

In 1981 verneemt de schrijver dat zijn moeder is gestorven. Hij gaat niet naar de crematie. Op het moment dat zijn moeder gecemeert wordt, zal hij voorlezen uit het boek 'Daantje gaat op reis', dat hij op vijfjarige leeftijd van zijn moeder heeft gekregen in het Jappenkamp. Maar voor de schrijver was zijn moeder eigenlijk al dood. Dit kwam voornamelijk doordat zijn moeder in elkaar was geslagen in het Jappenkamp; vernederd. 'Op dit moment hield ik op met van haar te houden.'. Als de schrijver uit het kamp komt, stuurt zijn moeder hem naar een kostschool. Als zijn moeder hem dan een afscheidskus wil geven, valt de sluier van de rand van haar hoed tussen en in. Door deze gebeurtenis en ook anderen distancieert de schrijver zich van vrouwen. Tijdens zijn leven ontmoet hij ook Liza. Liza is voor hem de perfect vrouw. Een soort heilige. Een tekenen hiervoor is, dat ze meeloopt met de maria-optocht. Maar ook zij raakt 'be-schadigd' wanneer ze een kind baart.



Titel

Het rood is van de zon. Bezonken Rood is onderdeel van een triologie. De andere twee boeken heten: Zonsondergang bij zee en Het verzonkene. Het rood komt ook van de rode bol in de Japanse vlag. Natuurlijk staat het rood ook voor bloed. Ook staat er een keer in het boek: 'een rode waas voor mijn ogen'. Het verzonkene komt van dat hij wil wegzinken, verdwijnen. Hij gebruikt voor dat wegzinken ook pillen. Ook staat er zon in het woord verzonkene, zoals in de twee andere titels van de triologie zon voorkomt.



Thema

'Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.'



Eigen mening

Ik vind het een verschrikkelijk waardeloos boek. Ik hou helemaal niet van dat zogenaamde 'romantische'. Ik wil een echt verhaal lezen. Een verhaal waarin ook echt iets gebeurd. Bijvoorbeeld op blz. 9 al, maakt ie zich druk op niks. 'Bijtend in een boterham is mijn moeder dus gestorven (...) - terwijl niet meer kan worden geboekstaafd of het een witte of bruine boterham was, en of het oude kaas was, of jonge, of belegen, of komijne - .'. Als ik dat lees denk ik lazer een end op, mafkees. Het is echt niet verkeerd na te denken over het leven en alles daaromtrend, maar om zulke dingen ... nee, daar kan ik echt niet bijkomen. Ook vind ik het jammer, dat de schrijver er zoveel onwaarheden in heeft gezet. Onwaarheden is eigenlijk niet het goed woord. Meer onzin. Hij vindt Liza bijvoorbeeld 'beschadigd' als ze een kind heeft gebaard. Hij beschouwt haar als een soort Maria. Nou, Onze Maria heeft ook een kind gebaard! De schrijver zegt ook dat de Jappenkampen erger waren dan de duitse kampen. De meeste mensen vinden het omgekeerd. Wat ik nou jammer vindt is dat andere mensen dit boek lezen en dan denk dat Jappenkampen erger waren. Ze lezen onwaarheden. Ook al is een roman fictief, de mensen zijn gauw geneigd zoiets te geloven.



Ik weet wel zeker, dat u mij hoogstwaarschijnlijk niet zult begrijpen. Zo begrijp ik deze schrijver niet. Blijkbaar zit ik gewoon heel anders in elkaar.



DE BLEEKE JONGELING 'T AVONDT. AAN DEN WESTERTRANS ZINKT, IN GOUD GEHULD EN GLANS, STATIG 'T ZONNELICHT TER NEER IN DEN SCHOOT VAN 'T WIEGLEND MEER, DAT, ALS BLOOSDE 'T VAN VERLANGEN, OM HET IN ZIJN BED TE ONTVANGEN, INKARNAAT VOELT GLOEIEN OP ZIJN WANGEN. 'T AVONDT. DOOR HET HEIDEKRUID SUIST ALS ÆOOLSHARPGELUID 'T WINDEKEN EN KUST ZOO ZACHT AL DE BLOEMPJES GOEDENNACHT. 'T ORGLEND LIED DER VOOGLENKELEN ZWIJGT IN 'T LOOVER DE ABEELEN, 'T SJIRPEND KREKELTJEN IN DE STRUWEELEN. 'T AVONDT. AAN DEN ZOOM VAN 'T MEER ZIT EEN BLEEKE JONGLING NEER. 'T DONKER OOG, NAAR 'T WEST GERICHT, VOLGT HET SCHEIDEND ZONNELICHT. TRANEN AAN DAT OOG ONTLEKEN, DIE VAN GRIEVEND LIJDEN SPREKEN, LIJDEN, - DAT EEN JONGLINGSHART DOET BREKEN. 'T NACHT. EN LANGE REEDS VERDRONK OOK DE LAATSTE ZONNEVONK. DUISTERNIS ALS VAN HET GRAF DAALDE OP MEER EN VELDEN AF. SLECHTS HET SUIZEN VAN DE BLAREN HOORT MEN EN 'T GERUISCH DER BAREN. - IMMER BLIJFT DE JONGLING VÓÓR ZICH STAREN. 'T MORGENT. EN EEN MAAGDLIJK BLOND VERFT IN 'T OOST DEN HORIZONT. 'T BLOND VERZILVERT. 'T ZILVER SMELT TOT EEN GOUDZEE. TROTSCH ONTSNELT 'T VLAMMEND ZONVUUR AAN DE KIMMEN. DAMP EN NEVELEN VBRGLIMMEN STRAKS TOT PURPER BIJ ZIJN OPWAARTSKLIMMEN. 'T MORGENT. AAN DEN ZOOM VAN 'T MEER ZIT NOG STEEDS DE JONGLING NEER, 'T BLEEK GELAAT NAAR 'T WEST GERICHT. MAAR ZIJN OOG IS BLIND VOOR 'T LICHT, VOOR DE BLOEMEN, WEER ONTLOKEN. OPGEHOUDEN HEEFT TE KOKEN 'S JONGLINKS BLOED. - ZIJN HARTE WAS GEBROKEN. PIET PAALTJENS, 1851
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen