U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Ferdinand Bordewijk - Bint.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/974 en is laatst upgedate op 10/05/1999.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 4146 woorden.

Titel

Bint



Standpunt

Hij-standpunt van het hij-verhaal met verschil van vertellend en belevend hij vb. p.5 B: De Bree zijn denken was hoekig en nors.



Ruimte/Plaats

Indelingscriterium

Nederland: de school van directeur Bint, die zich bevindt in een niet nader genoemde stad, die op p.74 'de werkstad' wordt genoemd. Dit kan in verband staan met Rotterdam, de stad waar de auteur enkele jaren als leraar aan de handelsschool, aan het Van Alkemedeplein, les gaf.

België: vb. p.49 M: Het ging die dag over Brugge op Torhout aan.

Frankrijk: vb. p.57 B: Ze Overnachtten in Roubaix, en de volgende dag passeerden zij weer de grens op weg naar Yperen.



Niet-indelingscriterium Sfeerscheppend: vb. p.7 B: Dit moest een kelder geweest zijn. Er was één wand met vier hoge kleine ramen. Zij waren van gewapend matglas, ijzerstaven nog ervoor.



Tijd

Indelingscriterium

Chronologisch: ongeveer 10 maanden



Niet-Indelingscriterium

Verteltijd: 72 pagina's

Vertelde tijd: ongeveer 10 maanden: van een dag in november tot september volgend jaar

Fasentijd: ongeveer 10 maanden

Tijdverdichting: Naar kerstmis p.24-27

Naar pasen p.41-44

Naar zomer p.56-61

Naar zomervakantie p.67-99





Opbouw

28 hoofdstukken die onderverdeeld zijn in paragrafen en alinea's



Samenvatting

Deel 1: De eerste maanden van De Bree, kennismaking met Bint en klas 4D: p. 5-27

Op een sombere, winderige novemberochtend meldt een nieuwe leraar, De Bree, zich bij de school van Bint. Hij zal voor de rest van het schooljaar invallen voor een leraar die het niet meer aankon. Het is zijn eerste job als leraar en hij wil ook niet langer dan tot het einde van het schooljaar blijven. Zijn eerzucht ligt op het gebied van de wetenschap. Hij is bezig met een studie over Anna Maria van Schuurman, een geleerde vrouw uit de 17e eeuw (1607-1678). De inleiding staat al op papier en hij is over het resultaat tevreden. Maar De Bree kan niet al zijn energie kwijt in het wetenschappelijk werk. Daarnaast wil hij zijn kracht meten met de werkelijkheid.



De school van directeur Bint is in de stad berucht geworden door het meedogenloos strenge regime dat Bint vijf jaar geleden heeft ingevoerd. Hij is hierdoor in conflict gekomen met de ouders en de wethouder. Als gevolg daarvan zijn er al drie jaar lang geen leerlingen meer toegelaten, zodat er alleen nog maar vier vierde en drie vijfde klassen over zijn. Over twee jaar zal de school dus uitgestorven zijn, maar Bint zet zijn systeem door.



De Bree moet les geven aan de vier vierde klassen. Voor hij op die bewuste novemberochtend met zijn eerste les, in klas 4D begint, neemt Bint hem nog even apart om hem te waarschuwen voor die klas. Klas 4D bevindt zich in een kelder, waar bet daglicht nauwelijks doordringt, zodat bet licht er altijd aan is. Als De Bree bet lokaal betreedt, voelt hij dit aan als een hel, als de hel (p.6). Voortaan noemt hij 4D dan ook 'de Hel'. Inderdaad blijkt de klas te bestaan uit louter kwelduivels. Bint heeft de lastigste elementen uit een leerjaar bij eikaar gezet en gebruikt deze om ook zijn leraren te selecteren. Wie het in deze klas redt, is sterk genoeg voor het systeem van Bint, de anderen vallen vanzelf af.



De Hel probeert De Bree uit. De Bree verklaart de klas de oorlog. Hij weet zich, ondanks het feit dat Bint hem controleert, maar niet steunt, te handhaven. Met de drie andere klassen heeft hij weinig moeite. Ook deze klassen geeft hij Karakteristieke namen. Een zeer leergierige klas noemt hij 'de bruinen'; een ijverige, maar nogal kleurloze: 'de grauwen'; een klas van zeer vreedzame leerlingen is voor hem 'de bloemenklas'. Aan een leerling uit de bloemenklas, Jérôme Fléau, 'een jongen als een mooie vrouw' (p.14), heeft hij op bet eerste gezicht al een gruwelijke hekel. Hij voelt in die jongen een gevaar. Zo ontdekt De Bree, dat een klas, ondanks alle individuele verschillen, een wezen is. Hij merkt ook dat Bint erin geslaagd is zijn lerarenkorps tot een wezen te vormen. Alle leraren, behalve Keska, staan achter Bints systeem, hoe groot de onderlinge verschillen ook zijn. Ook De Bree raakt in de ban van Bint. Hij is steeds meer overtuigd van de juistheid van diens opvoedkundige theorieën en het systeem van stalen tucht dat daaruit voortvloeit.



Deel 2: De rapportvergaderingen, de kwestie van Van Beek en de oproer: p.27-44

Welke consequenties dit systeem voor de leerlingen heeft, hoort hij tijdens de vergadering voor bet kerstrapport. Behalve cijfers voor de diverse vakken, de 'lerarencijfers', komt er een 'schoolcijfer' op bet rapport. Dit schoolcijfer, dat niet per se het gemiddelde van de lerarencijfers is, wordt door de lerarenvergadering vastgesteld. Leerlingen met een onvoldoende schoolcijfer hebben een 'slecht rapport'. Wie met kerstmis een slecht rapport heeft, kan dit niet meer ophalen en blijft zitten.

Maar omdat Bint zittenblijvers zo veel mogelijk wil vermijden, krijgt zo'n leerling met kerstmis het advies van school te gaan. Dit lot treft o.a. de leerling Van Beek uit de grauwe klas. Hij krijgt een onvoldoende schoolcijfer en heeft dus een slecht rapport. Bint wenst geen rekening te houden met zijn omstandigheden: de jongen komt ut een arm gezin en moet naast zijn schoolwerk zijn moeder, een weduwe, helpen de kost te verdienen. Ook dat Van Beek heeft gedreigd zelfmoord te zullen plegen als bij een onvo1doende schoolcijfer krijgt, maakt geen indruk op Bint. Wel voorziet hij ernstig verzet als Van Beek dit werkelijk zal doen. Hij waarschuwt de leraren in dit verband voor Fléau. Maar het eventuele verzet kan hij gebruiken om de school te zuiveren van ongewenste elementen, zoals Fléau zelf en de conciërge, die vermoedelijk met Fléau samenspant tegen bet systeem van Bint. Voor Bint heiligt het doel de middelen. Door een meedogenloze selectie wil hij 'een kweek van reuzen kweken'. Hij zet zijn opvattingen nog eens uiteen tijdens de vergadering.



Tijdens de kerstvakantie doet Van Beek een poging tot zelfmoord. Hij springt in het water, wordt opgehaald, maar sterft aan de gevolgen van longontsteking. Zijn moeder gaat naar de wethouder en er worden vragen gesteld in de gemeenteraadsvergadering. Geholpen door de conciërge, organiseert Fléau een protest- en stakingsactie onder de leerlingen, die plaats zal vinden op de eerste dag na de kerstvakantie. Bint, die dat voorziet, bespreekt dit met de leerlingen van de Hel, die als een man achter hem staan, ook Schattenkeinder, de enige 'vrouw' in het gezelschap.



Op de eerste dag na de vakantie komt het op het plein voor de school tot een treffen tussen de opstandelingen en de Hel. Op bevel van Bint houden de leraren zich daarbij afzijdig. De Hel weet het verzet te breken, doordat die een hechte eenheid vormt. De conciërge wordt ontslagen, Fléau van school gestuurd. Bint beeft zijn doel bereikt: Van Beeks dood en de daaruit voortvloeiende protestactie hebben de school van ongewenste elementen gezuiverd. Door het gebeurde is De Bree nog meer dan eerst overtuigd geraakt van de juistheid van Bints systeem van stalen tucht, blinde gehoorzaamheid en ontdekking van de eigen wil door knechting. De Hel is Bints gaafste werk: '4D erkende zijn systeem, was het' (p.40).



Deel 3: De schoolreis: p.44-58

De Bree ondervindt nogmaals het effect van Bints systeem als hij tijdens de paasvakantie met een deel van de Hel een fietstocht maakt door Zeeuws-Vlaanderen en Vlaams België. Twee jongens die er voor een nacht en een dag vandoor gaan, worden bij hun terugkomst ongenadig door hun klasgenoten afgestraft. Evenals Bint duldt de Hel geen enkele ongehoorzaamheid.



Deel 4: De laatste maanden van het schooljaar: p.58-70

Met de examentijd nadert het einde van het schooljaar. Bints school zal daarna nog maar een jaar bestaan. De Hel wordt volledig bevorderd naar het laatste jaar. Na de overgangsvergadering zegt Bint tegen De Bree, dat hij automatisch herbenoemd zal worden, als hij dat laatste jaar nog zou willen blijven. Eerst weigert De Bree want hij kan dit niet combineren met zijn wetenschappelijke ambitie. Maar thuisgekomen, begint hij te twijfelen. Hij herleest zijn inleiding op de studie over Anna Maria van Schuurman, waar hij al maanden niet meer aan heeft gewerkt. De inleiding valt hem nu tegen en hij denkt nu helemaal anders over zichzelf dan een jaar geleden. Hij besluit dan ook om nog een jaar langer in Bints dienst te werken.



Deel 5: Het ontslag van Bint: p.70-76

Na de grote vakantie deelt onderdirecteur Donkers mee, dat Bint ontslag heeft genomen. iedereen vermoedt waarom, maar alleen Keska durft te zeggen dat het om Van Beek is. De Bree meent het te begrijpen: 'Bint was zwakker dan zijn systeem geweest. Hij had de ijzeren consequentie van zijn systeem niet kunnen verdragen'(p.71). Maar De Bree vindt ook dat Bints systeem niet verloren is. Bint heeft het doorgegeven aan zijn volgelingen. Tijdens zijn eerste les aan de Hel ziet De Bree dat de leerlingen in de vakantie veranderd zijn, hij vindt ze meer volwassen, meer menselijk. Maar de klas begint te rumoeren, vraagt om dezelfde orde en tucht als vorig schooljaar. En De Bree verklaart hen opnieuw de oorlog. Die avond gaat De Bree naar Bints huis om afscheid van hem te nemen. Bint wil hem echter niet ontvangen, ook niet bij een tweede poging, enkele dagen later. De volgende dag gaat De Bree zeer vroeg naar school en neemt daar afscheid van Bint in dezelfde waar hij hem voor het eerst in de school ontmoet.



HoofdKarakters

De Bree: Een interim-leerkracht die bezeten geraakt door het schoolsysteem van Bint.

Autoritair

1. vb. p.7 M: Hij grijnsde zonder lach.

2. vb. p.7 O - 11 B: Intrede in de klas op autoritaire wijze.

3. vb. p.7 O: Dat jullie door elkaar zit en verkeerde namen opgeeft beschouw ik niet als kinderachtigheid. Net zo min als wat jullie daarnet hebt uitgehaald met deze tafel.



Trots

vb. p.15 M: Hij was te trots om te vragen.

-Ook heeft De Bree en oogje laten vallen op de werkster

vb. p.17 M: De mond was anemisch en sensueel, iets open. Vervloekt wat een wezen, dacht De Bree.

-De Bree ziet de klas, de hel, als één geheel.



Bint: -Directeur van een school die hij op uiterst autoritaire wijze leidt. -Hij wil niet onderrichten, maar opvoeden tot maatschappelijke reuzen die het land zullen redden.

Cfr. Bordewijk: Bordewijk is zelf voorstander van macht en tucht omdat hij vreest dat de moderne technieken van de mens een robotachtig wezen zullen maken.

-Autoritair/ wil tucht:

vb. p.5: een bril van bloed

vb. p.6: De directeur tutoyeerde ongevraagd, niet uit familiariteit, maar uit gezag.

vb. p.6: Ik eis van ieder: tucht…

vb. p.6 O: Ik eis: een-stalen-tucht. Nu ga.

-Kort van zeg: vb. p.6: Ik houd van weinig woorden.

-Grote denkkracht



NevenKarakters

Keska

Een leerkracht op de school van Bint die daar niet thuishoort, door zijn zwakheid en gevoelens. vb. p.13: Ze lijken goed behalve keska. ; tegen de dood van Van Beek; geeft zwak hand



Conciërge

-Zwak en ongewenst door De Bree en Bint, heeft een oogje op de werkster.

-Zwak: vb. p.5 M: Heeft de stem van een weekdier.

-Heult samen met de zwakken (Fléau)

-Ongewenst: vb. p.12: Een groot bleek kalf met een opgezwollen kalfskop en in zijn borst sloeg een groot, koud kalfshart, heel langzaam. Met dikke wormvingers



De werkster

-In dienst genomen om een reden te vinden om de conciërge te kunnen ontslaan.

-Beschrijving: vb. p.17: Ze had iets grofs interessants. Het diepzwart haar was niet zonder behaagzucht gekort. De ogen waren licht in een teint van opvalend wit. De mond was anemisch en sensueel, iets open.

-Bint wil hem weg.



Juffrouw To Delorm

-Energiek, onknap, fris van de wind. vb. p.13: Er kwam een lerares, energiek, onknap, fris van de wind.

-Ze is ook intelligent. vb. p.13: Haar mond was te wijd en te dun, maar beweeglijk en intelligent.



Nox

-Een sombere persoon met een lange snor. vb. p.13: Er kwam een vierkante in het zwart, met somber oog, een lange zwarte snor.



Remigius

-Kent Bints verleden en overtuigingen (vb. p.20-21)



Ridderikhof

-Onknappe, vroeg oude leerkracht, een zwakkere.

vb. p.16 B: Het was Ridderikhof, een voos mens, vroeg oud, puilogen tegengehouden door strak

-Gespannen linten van oogleden. Hij had met zijn hand in dun grijzend haar gezeten.

-Zwak. vb. p.16 M: Hij had iets vriendelijks, iets dat voor de school een tikje te zak leek.



De leerlingen van de hel

-Allen hebben een raar uiterlijk. vb. p.17: God, wat een klas dacht De Bree. En zo waren er meer dan twintig. Er was goud mee te verdienen op kermissen.

-Elite van Bint. vb. p.6 M: Die klas is uniek.



Whimpysinger -Beschrijving: vb. p.17: Whimpysinger was groot en bleek Whimpysinger had hardgroen tandschimmel en rossige ogen.



De Moraatz

-Beschrijving: vb. p.17: De Moraatz was klein en bleker. De Moraatz zijn tanden waren groot en bruin. Zijn krieloogjes zonder wit pasten als een git in een ring. Zij keken met de woedende wanhoop van een rat die wordt geworgd.

-Een onafscheidelijk duo: vb. p.17: Hij zou later zien dat ze onafscheidelijk waren. Het toeval had hen gelegeerd tot een twee-eenheid.



Kiekertak

-Beschrijving: vb. p.26: Kiekertak, een diepzeemonster enkel gebit, twee gebitten.



Voorzanger

-Beschrijving: vb. p.18: Deze was de meest menselijke van allen. Hij was een bleke jood met een bril. Hij dreef een vrijpostige blik door hooggeleerde glazen. Als zijn oog niet brutaal stak, glinsterden brutaal zijn glazen. Hij was hoogst effen en afwezig, een jong geleerde.



Ten Hompel

-Beschrijving: vb. p.17: Hij hapte onder het werken naar een insect. Hij had een zwarte doggentronie. Hij was voor een dog te levendig. Deze keek onder het werk vlug op naar De Bree, honderd maal. Zijn oogjes waren meer wolf dan herder. Deze was vrij stevig, en enkel kaak.



Heiligenleven

-Beschrijving: vb. p.17: Het hoofd van Heiligenleven, van breed naar spits, was tegen een roffel aangeboetseerd met slordige kwakken natte kalk. Het zat met een rare steel op zijn schouders. Hij was heel klein, enkel hoofd.



Klotterbooke

sfinx



Schattenkeinder

-Sloddervos. vb. p.17 B: De vrouw Schattenkeinder was een sloddervos met een ragebol. Tien toppen zaten dik onder de inkt. Ze kauwde aanhoudend.

-Onordelijk: vb. p.15 O: Het boek van Schattenkeinder was afgevreten en verscheurd.

-Vrouw: vb. p.15 O: De Bree kon in haar geen meisje zien. Zij leek er niets op. Het was een vrouw, jong of oud, stuitend.



Van der Karbargenbok

-Een roofvogel met klauw.

-Bestaande namen vernederlandst. Klotterbooke waarschijnlijk van 'Clutterbuck': Een gewone Engelse familienaam.



De leerlingen van de bloemenklas

Stientje en Mabelle Kret

-Beiden jonge vrouwen: vb. p.13: Beiden heel klein en heel vrouwelijk, al borstjes als kaasjes Mabelle een poezele madonna, donker en roze. Stientje een onschuldig schalkje, dapper vonkjes in de grauwe ogen, leuke krullen.

vb. p.13: …de laatste een poezele madonna, donker en roze, de eerste een onschuldig schalkje, dappere vonkjes in grauwe ogen, leutige krullen van bruin.



De leerlingen van de bruine klas

-Zeer slim. vb. p.23: In de bruine klas had hij plezier. Er waren daar twee bruine jongeren die hij al eens eerder had gezien. Er lag een waas van bruin. Er was doodstille aandacht. Vijftig ogen weken niet van zijn mond, hij sprak elk woord tegen klankborden van oren. Vingers gingen omhoog, aldoor aan de strak gespannen armen, zo hoog mogelijk. Het was niet van de lucht, het ging bij vier, vijf tegelijk. Wanneer er werd geschreven vielen ze als roofdieren over hun schriften.



De leerlingen van de grauwe klas

-Een klas van leerlingen die wel willen, maar niet even hard kunnen. vb. p.23: De grauwe was goedaardig, arbeidzaam, kleurloos, slecht. Ze wilde zo graag mee. Onder het schrijven kwamen tongpunten te voorschijn, klonk gesteun, glinsterden voorhoofden van inspanning.



Thematiek

Nieuw-zakelijke roman

Hoofdthema: Het kweken van kerels, reuzen door middel van Bints systeem: stalen tucht en een ijzeren hand.

Neventhema: Het land en de samenleving sterker maken.

Leidmotief: De studie van Anna Maria van Schuurman.



Bespreking kaft

Wijzende vinger: Opgepast! Altijd aandachtig, oplettend zijn. Vinger in de lucht: Om het woord te vragen in de klas.



Structuur

Enkelvoudig: vb. p.54 O: 'Ontbijten!'

Samengesteld:

1. Onderschikkend: vb. p.60 M: Ja, begreep De Bree, zij liet Bint het laatste jaar niet in de steek, zij bleef hem trouw, zij bleef hem helpen kerels af te leveren.

2. Nevenschikkend: vb. p.20 M: Bint nam zijn dochter met twee kinderen in huis en ging de schuld afbetalen. 

3. Tussenzinnen: vb. p.10 M: Hij had haar echter, meende hij, eronder.

NB: Foutieve zinsbouw: vb. p. 74 O: 'Haha,' zei De Bree,'jullie verbeeldt je dat het vrede is?'



Modus

Actief



Rede

Direct: vb. p.36 M: 'Let op,' zei Donkers.

Indirect: vb. p.44 M: Hij dacht dat kameraadschap het beste strookte met hun primitieve wezens.



Tijd

O.V.T. vb. p.5 B: Hij had er van gehoord.



Woordkeuze

Eenvoudig, zakelijk, concreet

Ernstig, symbolisch

Woordsoorten: bn, bw, bwb ; werkwoorden ; substantieven



Stijl

Het woordopstapeling

Polysyndeton: vb. p.5 B: De Bree zijn denken was hoekig en nors.

Asyndeton: vb. p.13 B: Er kwam een lerares, energiek, onknap, fris van de wind.

Gradatie: vb. p.20 M: Hij zal nog twintig, dertig jaar betalen.

Woordherhaling

Anafoor: vb. p.52 B: Met de fiets. Met de vélo.

Epifoor: vb. p.75 B: Hier woont toch meneer Bint. Ja, hier woonde meneer Bint.



Klankwaarde

Alliteratie: vb. p.5 B: De lucht lag laag morsig roetig.

Assonantie: vb. p.44 B: Zij waren des avonds samen gekomen in Bergen op Zoom.



Contrastkenmerken

Synesthesie Visueel-tactiel: vb. p.12 O: Met dikke witte wormvingers voelde hij aan de verwarming.

Oxymoron: vb. p.12 O: Toch geen bleke zwarte.

Paradox: vb. p. 13: Haar mond was te wijd en te dun, maar beweeglijk en intelligent.



Beeldspraak

Metafora

-Vergelijking: vb. p.13 O: Hij viel binnen als een onweer.

-Van-vergelijking: vb. p.5 O: Hij keek door een bril van bloed.

-Genitief vergelijking: vb. p.50 M: Het leem der aarde gaf machtig stof.

-Assyndetische vergelijking: vb. p.12 O: Hij was een groot bleek kalf met een gezwollen kalfskop, en in zijn borst sloeg een groot, koud kalfshart, heel langzaam.

-Metafoor: vb. p.9 M: De gier vloog hoog de volière in.



Metonymia

-Perifrase: vb. p.58 M: Hij overschouwde de twaalf haarkoppen, de steile, de verwarde, de slordige, de verwilderde, Steijd zijn zwarte beenvacht, de Torschilden van Neutebeum, de unieke roestbruine krulchrysant van Surdie Finnis.

-Pars pro toto: vb. p.51 B: De koppen stonden alle ernstig.

-Personificatie: vb. p.5 B: De wind danste lomp om de hoeken.



Biografie van Ferdinand Bordewijk

Ferdinand Bordewijk heeft zijn literaire werk grotendeels onder eigen naam gepubliceerd. Maar in de schaarse interviews die hij over zijn oeuvre toestond hield hij consequent vast aan de scheiding tussen persoon en auteur. Zo wilde hij in de serie radio-interviews met Nol Gregoor, in 1962, alleen in de derde persoon over 'de auteur' Bordewijk spreken. Toch blijkt uit de hierna volgende levensschets, dat het werk van deze auteur soms naar het leven van de persoon Ferdinand Bordewijk verwijst. Dat geldt bijvoorbeeld voor de plaats van handeling van diverse verhalen en romans. Bordewijk werd op 10 oktober 1884 geboren in de Jan Steenstraat in Amsterdam. Een jaar later nam het gezin zijn intrek in een huis aan Het Singel, no.198. Dit huis zal later beschreven worden in de novelle Keizerrijk uit de bundel De wingerdrank (1937). In 1894 verhuisde de familie naar Den Haag. Dit was het begin van een hele serie verhuizingen, steeds echter binnen de grenzen van de residentie. De talrijke woonhuizen hebben misschien bij de jonge Ferdinand de kiem gelegd voor de opvallende belangstelling voor architectonische eigenaardigheden die de auteur Bordewijk later in zijn werk aan de dag zal leggen.



Na het gymnasium ging Bordewijk rechten studeren in Leiden. In december 1911 verloofde bij zich met de componiste Johanna Roepman. Na zijn promotie tot doctor in de rechtswetenschappen in 1912, werd hij in januari 1913 beëdigd als advocaat. In datzelfde jaar volgde zijn aanstelling op een groot advocatenkantoor aan de Boompjes, no.11, in Rotterdam. Dit pand zal later in de roman Karakter (1938) beschreven worden als het advocatenkantoor van mr. Stroomkoning. Bordewijk werkte daar tot 1919. Intussen was hij op 1 augustus 1914 getrouwd met Johanna Roepman; ze zouden twee kinderen krijgen. Van 1918 tot 1920 was Bordewijk tevens leraar handelsrecht aan de Handelsschool aan het Van Alkemade-plein in Rotterdam. Het schoolgebouw is plaats van handeling van de roman Bint (1934). In 1919 vestigde Bordewijk zich voor de rest van zijn carrière als zelfstandig advocaat in Schiedam, maar hij bleef in Den Haag wonen. Intussen was hij ook begonnen met het publiceren van zijn eerste proeven op het gebied van de literatuur. In 1919 verscheen zijn eerste prozawerk, de verhalenbundel Fantastische vertellingen, in 1923 en 1924 gevolgd door twee gelijknamige bundels in hetzelfde genre. Als schrijver zou Bordewijk zichzelf altijd blijven beschouwen als een dilettant: schrijven was voor hem misschien een persoonlijke behoefte, maar zijn beroep als advocaat behield de voorrang. Bij hun verschijnen bleven de bundels Fantastische vertellingen vrijwel onopgemerkt. Meer aandacht, zij het niet altijd in positieve beoordelingen, schonk de kritiek aan de als 'romans' gepresenteerde werken Blokken (1931), Knorrende beesten (1933) en Bint (1934), alle drie verschenen bij uitgeverij De Gemeenschap in Utrecht. In 1938 volgde Karakter, een roman die speelt in de wereld van de advocatuur. Opzet en stijl van dit werk sloten meer aan bij het traditionele genre van de breed uitgewerkte psychologische roman. Misschien is het mede daaraan toe te schrijven, dat Karakter niet alleen bij de meeste recensenten een gunstig onthaal vond, maar ook bijval oogstte bij een breder publiek. Van nu af aan gold Bordewijk als een van de belangrijkste prozaïsten van de eigentijdse Nederlandse literatuur.



Dit had tot gevolg, dat de bezetter in de Tweede Wereldoorlog sterke druk op hem uitoefende om zich aan te melden als lid van de Cultuurkamer. Bordewijk reageerde daarop echter met de mededeling, dat hij geen schrijversarbeid meer verrichtte, zodat aanmelding geen zin had. Intussen was in 1941 nog wel zijn roman Apollyon verschenen. Gedurende de oorlog verscheen bij de illegale uitgeverij De Bezige Bij in 1944 nog Verbrande erven; een plaatsbeschrijving, onder het pseudoniem Emile Mandeau. De oorlogsjaren gingen ook aan het gezin Bordewijk niet ongemerkt voorbij. Bij het bombardement van het Haagse Bezuidenhout (1944) ging hun huis, en daarmee ook de bibliotheek van de auteur Bordewijk, in vlammen op. De aangevraagde schadevergoeding (voor de bibliotheek) werd niet toegekend, omdat Bordewijk advocaat van beroep was: voor de wet was hij als schrijver een dilettant. Hiermee werd van hogerhand Bordewijks eigen visie op zijn schrijverschap bevestigd. Toch raakte Bordewijk na de oorlog meer betrokken bij het officiële literaire leven. In 1945 werd hij benoemd tot voorzitter van de Ereraad voor letterkunde, die bevoegd was schrijvers die met de bezetter hadden gecollaboreerd tijdelijk een publicatieverbod op te leggen. Van zijn eigen publicaties in de eerste naoorlogse jaren kreeg vooral zijn roman Noorderlicht (1948) een gunstige beoordeling. Bordewijk zelf beschouwde deze roman als zijn beste werk. Evenals Blokken, Knorrende beesten, Bint en Karakter werd hij herhaaldelijk herdrukt.



De erkenning van Bordewijk als auteur van formaat kwam ook tot uitdrukking door zijn benoeming tot voorzitter van de Jan Campertstichting. In 1953 werd hem de P.C. Hooftprijs toegekend voor Studiën in volksstructuur (1951) en voor de roman De doopvont (1952). In 1954 werd hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Voor zijn hele oeuvre kreeg hij in 1957 de Constantijn Huygensprijs van de Jan Campertstichting. Op 25 april1965 overleed hij, tachtig jaar oud, in Den Haag, waar hij vanaf zijn tiende jaar bijna onafgebroken had gewoond. Bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar verscheen in 1982 het eerste deel van zijn Verzameld werk, dat in totaal elf delen zou gaan omvatten. Gedurende de laatste jaren houdt de literatuurwetenschap zich in toenemende mate met het onderzoek van Bordewijks werk bezig.



Bibliografie van Ferdinand Bordewijk

De meest bekende werken:

1919-1924 Fantastische vertellingen, drie verhalenbundels

1931 Blokken, roman

1933 Knorrende beesten, roman

1934 Bint, roman

1936 Rood paleis, roman

1938 Karakter, roman

1941 Apollyon, roman

1946 Eiken van Dodona, roman

1948 Noorderlicht, roman

1952 De doopvont, roman

1955 Bloesemtak, roman

1961 Tijd van ver, roman

1982 Zeven Fantastische vertellingen: nagelaten feuilletons.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen