U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Nicolaas Beets - De Camera Obscura.
Deze versie komt van http://huiswerk.leerlingen.com/boekverslag/20037/ en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1950 woorden.

Veen, Wageningen (1839)

Titelverklaring:



De Camera Obscura is de voorloper van het huidige fototoestel. Het geeft de dagelijkse werkelijkheid aan.



De auteur:



Nicolaas Beets wordt geboren op 13 september 1814 in Haarlem. Hij studeert hij theologie in Leiden. In deze tijd vertaalt hij werk van Engelse en Franse romantici. Zijn grote voorbeeld, Bryon, probeert hij te benaderen in José, een Spaansch verhaal (1834), Kuser (1835) en Guy de Vlaming (1837). Onder het pseudoniem Hildebrand (ontleend aan Doctor Hildebrandius) schrijft hij Vooruitgang in de eerste jaargang van De Gids (1837). In 1839 promoveert hij tot eredoctor in de theologie. In dat jaar verschijnt de eerste druk van Camera Obscura in De Gids. Een jaar later wordt Beets predikant in Heemstede. Hij trouwt met Aleida van Foreest, die hem negen kinderen schenkt. Na 1854 oefent hij zijn ambt uit in Utrecht. Na het overlijden van zijn vrouw (1856) trouwt hij met haar zus, Jacoba Elisabeth. Uit dit huwelijk worden nog eens zes kinderen geboren. Van 1874 tot 1884 is hij hoogleraar in de kerkgeschiedenis. Beets schrijft onder zijn eigen naam gedichten, preken en literaire beschouwingen. Het meest bekend is hij echter onder zijn pseudoniem, Hildebrand. In 1903 overlijdt hij in Utrecht.



Overige werken:



De kruiswoorden (1843), Korenbloemen (1853), Madelieven (1869) en Dennenaalden (1900). In 1984 verschijnt Het dagboek van de student N. Beets, 1833-1836.



Literaire stroming:



Romantiek.



Genre:



Het is een verzamelroman van humoristisch-realistische opstellen, verhalen, beschouwingen, schetsen, boutades en fysiologieën.



Samenvatting:



Deze samenvatting gaat in op de vier grotere verhalen in Camera Obscura. De overige verhaaltjes zijn erg kort en verschillen per uitgave.



Een onaangenaam mensch in de Haarlemmerhout

Hildebrand vertelt over zijn verre neef uit Amsterdam, genaamd Nurks. Drie jaar geleden kreeg hij plotseling een brief van hem, waarin hij aankondigt dat hij op bezoek zou komen. Eigenlijk had Hildebrand al andere plannen die dag, maar hij moest deze maar verplaatsen. Boerhave, de vriend waarmee Hildebrand had afgesproken, moest maar met hem en Nurks meegaan. Direct bij aankomst maakt Boerhave al kennis maken met de hatelijke uitspraken van Nurks. Na de koffiemaaltijd begeeft het gezelschap zich Houtwaarts, naar ‘Stoffels’. Al snel heeft iedereen last van Nurks’ gedrag. Gelukkig kunnen ze hem aan het einde van dag in een diligence weer huiswaarts sturen.



De familie Stastok

Op een fraaie dag in oktober komt Hildebrand per diligence aan in de plaats D. Hij wordt daar opgewacht door Keesje en naar het huis van oom en tante Stastok gebracht. Bij aankomst wordt hij hartelijk door zijn familie ontvangen. Hildebrand informeert naar zijn neef Pieter, die in Utrecht studeert. Pieter komt zojuist thuis. Het blijkt dat hij Hildebrand heeft staan opwachten. Hildebrand heeft hem helaas niet gezien. Pieter krijgt de volgende dag zijn kans en laat Hildebrand de stad zien. Al snel blijkt dat Pieter alleen maar kan praten over zijn studie. Hildebrand stelt voor om een potje te gaan biljarten bij koffiehuis ‘De Noordstar’. De overige bezoekers van het koffie huis hebben grote lol, want Pieter kan er niks van. De verwaande Pieter merkt op de terugweg op, dat niemand echt uitmuntte.



Enkele dagen later zit Hildebrand te lezen in het prieel. Hij praat met Keesje, die hem over vroeger vertelt. Hij blijkt stiekem geld te hebben gespaard, terwijl hij weet dat verpleegden uit ‘het Huis’ geen geld mogen bezitten. Hij heeft geld geleend aan Klein Klaasje, die in een dronken bui verklapt dat Keesje geld heeft gespaard. Daarop heeft de vader van ‘het Huis’ Keesjes geld afgenomen. Hildebrand roept de hulp van zijn oom in, die ervoor zorgt dat Keesje zijn geld terugkrijgt.



Zondagavond is er visite. De heer Van Naslaan neemt zijn vrouw, dochter en zus mee. De heer Dorbeen is er met zijn vrouw. Op verzoek draagt mevrouw Dorbeen een stuk voor. Daarna is Hildebrand aan de beurt. Hij leest een stuk voor uit ‘Als ’t kindje binnenkomt’ van Victor Hugo. Pieter is geïnteresseerd in Koosje, de dochter van meneer Van Naslaan, maar hij krijgt niet de gelegenheid daar iets van te laten merken. Hildebrand heeft wel iets gemerkt van Pieters toenaderingspogingen en besluit hem een handje te helpen. Hij organiseert een roeitochtje, waarvoor Pieter, Koosje en haar nicht Christientje, de student Dolf van Brammen en zijn zus Amelia uitgenodigd zijn. Pieter voelt zich in de roeiboot niet op zijn gemak. Amelia wil vergeet-me-nietjes plukken, maar hierdoor komt de roeiboot vast te zitten. Pieter duwt de boot los en… valt in het water. Dolf reageert hilarisch en kan het niet laten Pieter uit te lachen. De kwestie eindigt bijna in een vechtpartij. Op de terugweg zit Pieter naast Koosje. De volgende dag keert Hildebrand weer naar huis.



Een oude kennis

Dr. Hendrik Johannes Bruis brengt een bezoek aan zijn oude studievriend, dr. Deluw. De wandeling naar het huis van dr. Deluw valt niet mee. Het is warm en bij aankomst blijkt dat dr. Deluw niet thuis is. De dienstbode vertelt hem dat de familie bij het buitenverblijf ‘Veldzicht’ is. Als hij aankomt, wil hij niet dat de meid hem aandient; het moet een verrassing zijn. Hij stelt zich zijn oude studievriend voor, maar de werkelijkheid blijkt iets minder fleurig. Dr. Deluw schreeuwt naar zijn zoontje, terwijl zijn vrouw en dochter geschrokken toekijken. De enige persoon die plezier heeft is een bleke dertienjarige jongen, die om het tafereel moet lachen. Nadat dr. Deluw zijn zoon in het turfhok heeft opgesloten, wendt hij zich tot dr. Bruis. Hij kan zich hem nauwelijks nog herinneren, maar mevrouw Deluw is zo vriendelijk om wat drank in te schenken. Dr. Deluw wordt onverwachts weggeroepen, om een patiënt te helpen. Mevrouw Deluw laat dr. Bruis kennismaken met haar oudste dochter, Mientje. Plotseling springt er een jongeman over de schutting, die Mientjes naam roept. Als hij ziet dat Mientje niet alleen is, vraagt hij naar haar broer. Hij maakt enkele brutale opmerkingen en verdwijnt weer. Dr. Bruis besluit maar afscheid van de familie te nemen. Als ze door de tuin lopen, hoort hij het jongste zoontje roepen: "Buikje!". Hij is al weer ontsnapt uit het turfhok. Bij thuiskomst vertelt dr. Bruis zijn vrouw over zijn bezoek aan dr. Deluw. Hij schetst daarbij een veel positiever beeld, waarin de familie harmonisch samenleeft.



De familie Kegge

Tijdens zijn studie maakt Hildebrand kennis met William Kegge. Williams is afkomstig uit West-Indië en studeert nu in Nederland. Het verschil in leeftijd is behoorlijk groot, waardoor de twee weinig met elkaar omgaan. Als William tyfus krijgt, verzorgt Hildebrand hem. Kort voordat hij overlijdt, geeft William een ring met de initialen E.M. aan Hildebrand. Hij moet er goed voor zorgen. Hildebrand besluit de ouders van William een brief te schrijven, waarin hij hun op de hoogte brengt van de situatie van hun zoon. Na Williams overlijden ontvangt Hildebrand een schrijven waarin vader Kegge zijn dank aan hem betuigt.



Na enkele jaren keert de, inmiddels rijk geworden familie Kegge, terug naar Nederland. Hildebrand krijgt een bezoek van dhr. Kegge, die hem nogmaals wil bedanken. Hij nodigt Hildebrand uit om eens te komen logeren. Enige tijd later lost Hildebrand deze belofte in. Hij maakt er kennis met o.a. mevrouw Kegge, de 17-jarige Henriëtte, een brunette, de grootmoeder en een aantal kinderen. Vader Kegge introduceert Hildebrand als zijn onsterfelijke vriend.



Na de maaltijd heeft Hildebrand een gesprek met Henriëtte, die van mening is dat de Nederlanders stijf zijn. Even later komt er opnieuw een bezoeker. Het is dhr. Van der Hoogen, die zeer gesteld is op Henriëtte. Henriëtte speelt piano. Van der Hoogen wil weten wanneer ze weer optreedt. Het concert is aanstaande vrijdag.



De volgende dag vertelt dhr. Kegge dat Henriëtte is gevraagd koek te vergulden bij De Groot. Dat zal vrijdag plaats moeten vinden. Henriëtte vindt het beneden haar stand. Dhr. Kegge benadrukt de rol van De Groot bij hun komst naar Nederland en Henriëtte gaat met tegenzin akkoord. Tijdens een rijtoer met zijn gast, krijgt dhr. Kegge berouw van zijn strenge optreden. Hij besluit een bosje bloemen voor zijn dochter mee te nemen, als goedmakertje. Bij thuiskomst is de ruzie al snel weer bijgelegd. Henriëtte is blij met de bloemen.



Diezelfde avond verschijnt na het diner dhr. Van der Hoogen. Hij kan alleen op de vrijdag het concert bijwonen en vraagt Henriëtte haar afspraak bij De Groot af te zeggen. Hildebrand biedt aan om in haar plaats naar het koekvergulden te gaan. De avond is erg gezellig en Hildebrand vermaakt zich prima. Na afloop brengt hij Suzette Noiret naar huis. Ze vertelt over haar zieke moeder.



De volgende dag ontmoet Hildebrand de grootmoeder van William in de bibliotheek. Ze komen aan de praat en al snel ontdekt Hildebrand dat de initialen E.M. in de ring van haar zijn. Hij geeft haar de ring, die een geschenk was aan haar kleinzoon, weer terug. Het concert van Henriëtte is een groot succes. Er zijn die avond mensen van verschillende rangen en standen aanwezig. Ook dhr. Van der Hoogen is aanwezig. Hij loopt nerveus rond.



Een dag later komt Saartje de Groot op bezoek bij de familie Kegge. Hildebrand ziet hoe Van der Hoogen een brief je in Henriëttes boeket stopt. ’s Avonds brengt hij Saartje naar huis. Op de terugweg komt hij Suzette Noiret weer tegen. Ze blijkt te zijn lastig gevallen door een aanrander, die haar een briefje in haar hand drukte. Uit het briefje bleek duidelijk dat het de ‘keurige’ heer Van der Hoogen betreft. Hildebrand neemt het bewuste briefje mee.



Het is zondag, een dag later. Hildebrand brengt een bezoek aan Van der Hoogen. Hij luistert een gesprek af tussen Van der Hoogen en ene Bout. Bout moet in opdracht van Van der Hoogen, de jongeman die verliefd is op Suzette, naar West-Indië verjagen. Van der Hoogen zou zodoende vrij spel hebben. Hildebrand dreigt vervolgens alles openbaar te maken, als hij Suzette en Henriëtte niet met rust laat. Als Hildebrand weer terugkeert naar het huis van de Kegges, ontmoet hij Saartje, die hem vertelt dat Suzettes moeder overleden is. Daarop gaan ze samen naar het kerkhof.



Bij thuiskomst vertelt Hildebrand over het overlijden van Suzettes moeder. ’s Avonds komt er een brief van Van der Hoogen. Hij schrijft dat hij ervan af ziet de familie nog langer te bezoeken. Hildebrand verklaart waarom. Later brengt hij een bezoek aan burgemeester Van Nagel. Hij weet hem ervan te overtuigen dat er opgetreden moet worden tegen de praktijken van Van der Hoogen en Bout. De burgemeester zal tevens proberen te voorkomen dat de jongeman, die verliefd is op Suzette, naar West-Indië gaat. Drie dagen later keert Hildebrand terug naar de Sleutelstad. Henriëtte trouwt later met een kapitein van de rijdende artillerie, Suzette Noiret trouwt met de jongeman in kwestie en grootmoeder Kegge overlijdt.



Tijd en tijdvolgorde:



De gebeurtenissen vinden plaats aan het begin van de 19e eeuw. De verhalen worden in chronologische volgorde en in de verleden tijd verteld. De vertelde tijd verschilt per verhaal. Dit zijn meestal enkele dagen tot weken.



Plaats/ruimte:



De gebeurtenissen spelen zich af in diverse Nederlandse dorpen en steden, waaronder Delft, Leiden en Schoorl.



Karakterbeschrijving en -ontwikkeling:



Hildebrand:



De figuur Hildebrand speelt in bijna alle verhalen de hoofdrol. Daarin wordt hij geprojecteerd als een held, die andere mensen een lesje leert. Hildebrand is het enige ronde karakter in de verhalen.



Alle overige karakters zijn typen, zoals bijvoorbeeld Suzette Noiret.



Onderlinge relaties:



Dit verschilt per verhaal.



Geloofwaardigheid van het verhaal:



….



Thematiek:



De ‘gegoede stand’:



In de verhalen neemt Hildebrand het gedrag van de ‘gegoede stand’ ironisch onder de loep. Hij vindt ze maar burgerlijk en heeft er geen goed woord voor over.



Motto:



‘Nec lusisse pudet, sed non incidere ludum’ (Horatius).



Taalgebruik:



Camera Obscura is geschreven aan het begin van de 19e eeuw. Het taalgebruik is ouderwets, waardoor enkele woorden onbegrijpelijk overkomen (bijv. ‘de bink steken’). Door de context van de zin wordt meestal de betekenis van deze woorden wel duidelijk.



Opdracht:



Het boek is opgedragen aan Abraham Scholl van Egmond (een studievriend).



Vertelsituatie:



Auctoriale vertelinstantie.



Perspectief:



Hij-perspectief.



Verhaalopbouw:



Camera Obscura is opgebouwd uit een verzameling van korte en lange verhalen.



Eigen mening:



…..



Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen