U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Beginselen - Abortus Ingezonden Door: Sofie Parmentier Categ.
Deze versie komt van http://www.scholieren.be/huiswerk/show_stuk.php?id=149 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3161 woorden.

Het probleem





Tientallen jaren lang was abortus een onderwerp waarover niet werd gepraat. Nagenoeg iedereen was van mening dat abortus een misdrijf tegen het leven was. Een vrouw die abortus wilde laten plegen, moest dat stiekem doen. Met een ander praten over haar moeilijkheden was niet mogelijk. De meeste huisartsen verleenden geen enkele medewerking, omdat ook zij van mening waren dat het plegen van abortus een misdrijf was. En de paar artsen die daar anders over dachten, moesten in ieder geval rekening houden met het feit dat abortus plegen strafbaar was. Zwangere vrouwen konden twee dingen doen. Of het kind laten komen, of een adres zoeken waar zij illegaal werden geholpen. Koos een zwangere vrouw voor het laatste, dan wachtte haar vaak nog ellendige omstandigheden. De meeste aborteurs hadden nauwelijks medische kennis. Als gevolg van de behandeling kregen de behandelde vrouwen vaak bloedingen en liepen zij inwendige verwondingen op. De hygiënische verzorging was vaak slecht, met als gevolg infecties. Het kwam zelfs voor dat vrouwen aan de gevolgen van een abortusingreep overleden. Veel vrouwen hielden aan abortus schuldgevoelens over. Vaak hun leven lang. Abortus was niet alleen in strijd met de wet, maar ook met de voorschriften van de rooms-katholieke kerk en protestantse kerk. Volgens de christelijke moraal is abortus niet alleen een misdrijf tegen een menselijk leven, maar ook tegen de door God geschapen natuur. Een ernstiger misdrijf is nauwelijks denkbaar. Vrouwen die abortus overwogen, of hadden laten plegen, verkeerden in een geïsoleerde positie.





Ervaringen van een vrouw die een abortus wilde





Ik had in mei 1964 een kind gekregen en ik vond het nog te pijnlijk om een pessarium te gebruiken en ik heb een vreselijke hekel aan condooms. Dus we vreeën op eigen rekenarij volgens het boekje van Van Emde Baas. Maar daar kun je pas op af gaan als je menstruatie twee jaar regelmatig is. Zeker niet vlak na een zwangerschap. Dat moest dus misgaan.


Toen ik merkte dat ik zwanger was, ging ik naar de huisarts, maar zij wilde mij niet aan een abortus helpen. Ze wilde me ook niet doorverwijzen naar iemand die het wel wilde doen. Het enige wat ze wel wilde, was mij verder helpen als ikzelf of iemand anders al een aanzet had gegeven. Ze gaf daarbij afschrikwekkende voorbeelden van vrouwen uit haar praktijk die ze zo al had geholpen, bijvoorbeeld een vrouw die met een haaknaald in haar baarmoeder verder leefde en meer van dat soort gruwelijke toestanden. Daar voelde ik niet zo veel voor, ten eerste weet je niet wat je aan jezelf zult verprutsen. Ten tweede, als er toch een kind komt en het is niet helemaal goed, dan zou het voortdurend als een levend verwijt voor me zijn.


Ja, wat moest ik toen? Na de dokter ging ik naar de NVSH, waar ik met een soort maarschappelijk werkster zedenprekerige gesprekken voerde. Het beleid van de NVSH was er toen opgericht om mij van de abortus af te houden. Ze waren zeer huiverig voor abortus. Ze vonden als ik al twee kindje had, dat er dan nog best eentje bij kon. Daar kwam ik dus niet verder mee. Via mijn moeder kwam ik bij een zogenaamd verantwoorde drogist, die onder de toonbank een drankje verkocht. Dat drankje moest je slikken veertien dagen na de bevruchting en dan zou het wel goed komen. Maar ik heb het niet geslikt om dezelfde reden als ik al vertelde: je weet niet wat je aan jezelf of aan een eventueel kind verprutst.


Ten slotte bracht mijn zusje uitkomst. Ze was in café Reynders een hoertje tegengekomen, die haar het adres had gegeven van een ‘operatiezuster’. Die deed illegale abortus met de zeepspuit.


Daar ben ik toen heengegaan. Ik belde aan, liep de trappen op en vroeg of ik haar kon spreken. Ik was heel bibberig, ze had immers wel een kamer vol visite kunnen hebben. Ik vertelde mijn verhaal en noemde de naam van het hoertje. Ze wist eerst van niets. IK zou wel verkeerd zijn. Uiteindelijk zei ze toe dat ze me zou helpen, maar dat ze eerst de spullen in huis moest halen. We maakten een afspraak op een bepaald tijdstip, omdat ze een kostganger in huis had.


Maar of iemand zich nu operatiezuster noemt of wat anders, ik was toch constant bang. Het was ook heel akelig. Ik lag daar op de keukenvloer en ze spoot me vol troep, zodat de vlammen me uitsloegen en ik kon weer gaan.


Je krijgt ook allerlei psychologische bijverschijnselen. Ik liep bij de ‘operatiezuster’ vandaan over het Frederiksplein op weg naar een taxi en dan denk je dat iedereen je zo ziet lopen met die handdoek tussen je benen. Je bent zo met jezelf bezig, dat je het idee hebt dat iedereen op straat weet wat er met je aan de hand is.


Na twee dagen kwam er iets van de vrucht los en toen heeft de huisarts me doorverwezen naar het Annapaviljoen. Daar werd ik heel aardig opgevangen. Ik werd zorgzaam op een bank gelegd met een deken over me heen. Hoewel het Annapaviljoen katholiek was. De behandelende geneesheer, die mij curetteerde, wist wel dat het een abortus provocatus was, maar hij maakte er geen probleem van. Per ambulance werd ik naar huis gebracht, waar mijn moeder de kinderen had verzorgd.





Tegen het einde van de jaren zestig werd abortus onderwerp van een algemene discussie en de tegenstellingen tussen voor- en tegenstanders van abortus laaiden hoog op. De meningsverschillen leken nauwelijks te overbruggen, een tussenweg of compromis uitgesloten. Vanwaar deze grote en vaak heftige tegenstellingen?





- Het al dan niet toelaatbaar achten van abortus is een ethisch probleem. Dat wil zeggen dat er tegenstrijdige normen (beginselen) in het geding zijn die zo belangrijk worden gevonden, dat overeenstemming nauwelijks mogelijk is.


Zij die een strafrechtelijke regeling van abortus willen, beroepen zich op de fundamentele waarde van menselijk leven. Wanneer zij spreken over ongeboren leven, dan leggen ze de nadruk op leven en niet op ongeboren. Zij zien geen principieel verschil tussen ongeboren en geboren leven. Elk leven heeft recht op bescherming, dus ook het ongeboren leven. Alle andere belangen zijn aan dit principe ondergeschikt.


De voorstanders van legalisering van abortus – dat wil zeggen abortus uit het Wetboek van Strafrecht – bepleiten daartegenover in de eerste plaats de belangen van de zwangere vrouw. Naar hun mening dienen de belangen van de zwangere vrouw in bepaalde omstandigheden zwaarder te wegen dan die van het ongeboren leven; bijvoorbeeld wanneer, als gevolg van de zwangerschap, het leven van de vrouw gevaar loopt. Maar ook wanneer de vrouw, als gevolg van economische en/of sociale omstandigheden, het krijgen van een kind niet zou aankunnen; bijvoorbeeld in een gezin dat voortdurend onder spanning en in ruzie met elkaar verkeert, als gevolg van bijvoorbeeld slechte huisvesting.


Wanneer de vraag wordt gesteld welk principe voorrang heeft – het recht op bescherming van het ongeboren leven of de belangen van de zwangere vrouw – dan valt daar geen antwoord op te geven. Althans, niet een antwoord dat beide partijen tevreden kan stellen.





- Voor velen is het abortusvraagstuk ook een religieus vraagstuk. Zowel de rooms-katholiek kerk als de protestantse kerken pleiten voor handhaving in het Wetboek van Strafrecht. Met name de rooms-katholieke kerk neemt een bijzonder duidelijk en scherp standpunt in. Het nog ongeboren leven heeft absolute voorrang. De Nederlandse bisschoppen nemen overigens een wat minder absoluut standpunt in. Zij laten wel de mogelijkheid voor abortus open wanneer het leven van een zwangere vrouw in gevaar komt.


Vroeger was de invloed van de kerken op grote delen van de bevolking buitengewoon groot. Officiële uitspraken van de kerk waren voor hen bindend. En de kerken – in het bijzonder de rooms-katholieke kerk – hebben hun gelovigen altijd voorgehouden dat abortus volstrekt ontoelaatbaar is. Door de enorme invloed van de kerken was het dan ook niet verwonderlijk dat velen heftige tegenstanders waren van het schrappen van het abortusverbod uit het Wetboek van Strafrecht.


Het feit dat het abortusvraagstuk voor velen ook een religieus vraagstuk is, geeft evenmin een oplossing die alle partijen tevreden kan stellen. Voor een niet-gelovige zijn de religieuze beweegredenen van een gelovige moeilijk te volgen. En andersom geldt hetzelfde.





- De discussie rond abortus is vaak zeer emotioneel. Na het voorafgaande is dat misschien ook niet zo verwonderlijk. Wie een standpunt inneemt over abortus heeft het uiteindelijk over een kwestie van leven en dood. Een discussie over leven en dood verloopt nu eenmaal vaak in een minder zakelijke sfeer dan een discussie over de vraag of bijvoorbeeld het openbaar vervoer meer bevorderd moet worden.





- De discussie wordt nog eens extra bemoeilijkt door de vraag wat verstaan moet worden onder ‘menselijk leven’. Die vraag laat zich nauwelijks beantwoorden. In ieder geval zouden dan twee voorafgaande vragen moeten worden beantwoord. Wat is leven en wat is (het kenmerkende) van de mens? Het enige dat opgemerkt kan worden ten aanzien van deze twee vragen is dat er wel allerlei verschillende ideeën hierover bestaan, maar dat er geen duidelijk antwoord is.


Tegenwoordig menen de medici dat de ontwikkeling van het leven van de mens begint vanaf de periode dat de bevruchte eicel zich genesteld heeft in de baarmoederwand. Maar de vraag wanneer nu in dit ontwikkelingproces gesproken kan worden van menselijk leven en wanneer niet, valt niet op een wetenschappelijke wijze te beantwoorden.


Een ieder zal daar zelf een antwoord op moeten geven.


Dat is dan ook een van de redenen waarom het zo moeilijk is om tot overeenstemming te komen tussen voor- en tegenstanders van abortus. Waar de een bijvoorbeeld een abortus in de tiende week van de zwangerschap aanvaardbaar vindt, omdat er volgens hem/haar nog geen sprake is van menselijk leven, stelt de ander dat er juist wel sprake is van menselijk leven en dat abortus ontoelaatbaar is.





De discussie rondom 1900





De abortusdiscussie dateert vanaf de jaren zeventig, maar rond 1900 vond er ook een hevige discussie plaats. Met als uiteindelijke resultaat de invoering van het beroemde/beruchte artikel 251 bis in het Wetboek van Strafrecht. Aan het eind van de jaren zestig barst de discussie opnieuw los. Met als voornaamste mikpunt het al dan niet afschaffen van juist dit artikel.





Artikel 295, 296, 297 en 298, Wetboek van Strafrecht





Art. 295. De vrouw, die opzettelijk de afschrijving of den dood van hare vrucht veroorzaakt, of door een ander laat veroorzaken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.


Art. 296. Hij, die opzettelijk de afdrijving of den dood der vrucht van eene vrouw zonder hare toestemming veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. Indien het feit den dood van de vrouw tengevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.


Art. 297. Hij, die opzettelijk de afdrijving of den dood der vrucht van eene vrouw met hare toestemming veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden. Indien het feit den dood der vrouw ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.


Art. 298. Indien een geneeskundige, vroedvrouw of artsenijbereider medeplichtig is aan het misdrijf in art. 295, of schuldig of medeplichtig aan één der misdrijven, in de artikelen 296 en 297 omschreven, kunnen de in artikelen bepaalde straffen met een derde worden verhoogd, en kan hij van de uitoefening van het beroep, waarin hij het misdrijf begaat, worden ontzet.





De artikelen 295 tot en met 298 waren de voornaamste artikelen met betrekking tot abortus die vermeld stonden in het Wetboek van Strafrecht uit 1881. In deze artikelen werd het plegen van abortus strafbaar gesteld.


Tot veel vervolgingen kwam het in die tijd – eind 19e eeuw – echter niet. Nederland werd door liberalen geregeerd. De liberalen van toen waren van mening dat de overheid zich zo weinig mogelijk moest bemoeien met het doen en laten van haar burgers. Bovendien werd al vrij spoedig duidelijk dat een vervolging door de officier van Justitie ook nauwelijks mogelijk was. De Hoge Raad, het hoogste rechtscollege, was namelijk van mening dat er alleen van strafbaarheid sprake was indien het afdrijven op een levende vrucht betrekking had. En dat bewijs was nauwelijks te leveren.


De houding van de overheid ten opzichte van abortus veranderde echter met de opkomst van de christelijke partijen, rond 1900. De eerste kabinetten met ministers afkomstig van christelijke partijen kwamen tot stand.





Voor de opkomst van de christelijke partijen hadden de kerken al duidelijk hun mening ten aanzien van abortus verkondigd. Abortus behoorde onder geen enkele omstandigheid goedgekeurd te worden.


Vooral de rooms-katholieke kerk nam een scherp standpunt in. De rooms-katholieke leer gaat uit van een onlosmakelijke band tussen seksualiteit, huwelijk en voortplanting. Het met elkaar naar bed gaan is alleen geoorloofd binnen het huwelijk. Bovendien moet de geslachtsdaad gericht zijn op de voortplanting, het krijgen van kinderen. Elk menselijk ingrijpen in het voortplantingsproces is een vergrijp tegen de door God gewilde orde. Niet alleen abortus, maar ook het gebruik van voorbehoedmiddelen is verboden. Beide zijn gericht tegen potentieel menselijk leven.


Ook de protestantse kerken keerden zich tegen zowel het gebruik van voorbehoedmiddelen als tegen abortus.


De sterke opkomst van de christelijke partijen maakte het mogelijk de ideeën van de kerken in de praktijk te brengen. In 1910 werd door de katholieke minister van Justitie, Regout, een wetsontwerp ingediend dat een strengere regeling van abortus mogelijk maakte, het artikel 251 bis.





Artikel 251 bis, Wetboek van Strafrecht





Hij die opzettelijk eene vrouw in behandeling doet ondergaan, te kennen gevende of de verwachting opwekkende dat daardoor zwangerschap kan worden verstoord, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste drieduizend gulden. Indien de schuldige uit winstbejag heeft gehandeld, van het plegen van het misdrijf een beroep of eene gewoonte maakt, of geneeskundige, vroedvrouw of artsenijbereider is, kunnen de straffen met een derde verhoogd. Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.





Op grond van dit artikel kon de arts, of de niet-bevoegde aborteur(seuse), strafbaar gesteld worden als hij/zij bij de zwangere vrouw het idee opwekte dat vanwege de ingreep de zwangerschap zou worden verstoord. Het wetsontwerp van minister Regout was echter algemeen van aard en omvatte niet alleen het artikel bis.


Niet alleen abortus werd streng aangepakt. Ook advertenties voor voorbehoedmiddelen, pornografie en geslachtelijke omvang van meerderjarigen met minderjarigen, werden verboden. Op seksueel gebied ontstond er in die tijd een klimaat waarin niets kon en niets mocht. Tot de jaren zestig zou dat ook zo blijven.





Het begin van de abortusdiscussie





In de tweede helft van de jaren zestig kwam het abortusdebat langzaam op gang. Huisartsen werden in toenemende mate geconfronteerd met vrouwen die om een abortus vroegen. Sommige artsen wisten niet goed raad met deze toenemende behoefte aan een abortusingreep. Zij wenden zich tot hun organisatie, de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van Geneeskunde (de KNMG), met het verzoek om advies.


De problemen voor een arts die verzocht werd om een abortus te plegen, waren niet gering. Naast de puur medische problemen was er een moreel probleem. Welke beginselen moest hij in acht nemen? Wat dient zwaarder te wegen: het belang van de vrouw die om abortus vraagt, of het belang van het ongeboren leven?


Naast deze medisch-technische en morele problemen zijn er juridische problemen. Is een arts die abortus pleegt altijd strafbaar? Tot 1966 was men van mening dat abortus zonder meer strafbaar was. In 1966 verscheen er echter een artikel van de strafrechtjurist prof. Enschedé dat niet in alle gevallen de arts zonder meer strafbaar is. Een arts die de abortusingreep noodzakelijk acht voor de algehele gezondheid van zijn patiënt, is volgens Enschedé niet strafbaar. Met andere woorden: abortus is op grond van een medische indicatie is niet strafbaar. Vanaf dat moment begon onder juristen en medici een discussie. Want wat moet er nu verstaan worden onder de algehele gezondheidstoestand van de vrouw? Gaat het bij de algehele gezondheidstoestand alleen om lichamelijke factoren? In het begin van de discussie was dit wel het geval, maar er kwam al snel verandering in: ook geestelijke factoren spelen een rol bij de algehele gezondheidstoestand. En ten slotte kwam de vraag naar voren of ook niet de sociale omstandigheden een rol dienen te spelen bij de beoordeling of abortus al dan niet is toegestaan.





De abortuspraktijk





In 1969 werd de ‘Stichting Verantwoorde Zwangerschapsonderbreking’ (STIMEZO) opgericht. Doel van deze stichting is het scheppen van mogelijkheden om te komen tot een medisch verantwoorde zwangerschapsonderbreking. Tot dan toe was abortus een handeling die in het geheim plaatsvond. Soms verrichtten huisartsen de abortus, soms een ‘medisch onbevoegd iemand’.


Het buitenland bood aan sommige vrouwen ook uitkomst. Vanaf de tweede helft van de jaren zestig lieten duizenden vrouwen zich in Groot-Brittannië aborteren. Daar was de wetgeving in die tijd namelijk een stuk soepeler dan in Nederland.


Om een einde te maken aan de wanpraktijken die samenhingen met het verrichten van abortus door onbevoegden en om aan elke vrouw de kans te geven zich te laten aborteren als zij dat nodig vonden, werd Stimezo opgericht. Lang niet alle vrouwen konden een reis naar Engeland betalen en lang niet alle huisartsen verleenden hulp aan zwangere vrouwen die daarom vroegen. In 1971 werd de eerste abortuskliniek geopend in Arnhem. En er volgden meer: Amsterdam, Maastricht, Rotterdam en Heemstede.


In de tweede helft van de jaren zestig werd het aantal illegale abortussen geschat tussen de 20.000 en 60.000 per jaar. Voor de periode daarna zijn er meer betrouwbare cijfers.





Aantal zwangerschapsafbrekingen bij Nederlandse vrouwen





Jaar Totaal Ziekenhuizen Abortusklinieken Totaal aantal


levend geborenen


1972 21.000 7.000 14.000 214.000


1973 20.000 6.000 14.000 194.993


1974 17.500 5.000 12.500 185.982


1975 15.000 4.500 10.500 177.876


1976 15.000 5.000 10.000 177.090


1977 16.500 4.500 12.000 173.296


1978 16.500 4.500 12.000 175.550








De rol van de overheid





Gedurende lange tijd beperkte de overheid zich tot controle op naleving van de abortusartikelen in het Wetboek van Strafrecht. Rond 1970 werd het duidelijk dat de abortuswetgeving nauwelijks meer werd gehandhaafd. Bovendien had de juridische discussie naar aanleiding van het artikelen van Enschedé duidelijk gemaakt dat een strengere handhaving van de abortuswetgeving heel moeilijk zou zijn. Volgens Enschedé mocht een arts aborteren wanneer hij van mening was dat de ‘algehele gezondheidstoestand’ van de zwangere vrouw dit nodig maakte. En een officier van justitie kon moeilijk aantonen dat een arts de algehele gezondheidstoestand van de zwangere vrouw verkeerd beoordeeld had.


De oude abortuswetgeving voldeed niet meer. Een nieuwe wet was nodig.





Sinds eind 1984 is abortus provocatus in Nederland bij de wet onder bepaalde voorwaarden toegestaan. In deze wet wordt abortus provocatus als een misdrijf beschouwd. De voorwaarden worden nauwkeurig omschreven:





- Abortus is alleen toegestaan in speciaal daarvoor bestemde klinieken of ziekenhuizen


- Tussen het ogenblik waarop de vrouw zich tot een arts wendt en de ingreep zelf, dient een periode van vijf dagen in acht genomen te worden. De zogenaamde ‘wachttijd’, opdat de vrouw nog eens rustig kan nadenken of zij de ingreep nu wel of niet wil.


- Niemand kan verplicht worden aan abortus mee te werken.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen