U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Antoine De Saint-exuperie - Le Petit Prince.
Deze versie komt van http://www.studentsonly.nl/uittreksels/bv.asp?BvID=65 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 966 woorden.

Overige
Het verhaal begint wanneer de schrijver/verteller met zijn vliegtuig(je)een noodlanding moet maken in de woestijn in Afrika. Hij heeft maar voor een paar dagen drinkwater mee, en kan zijn vliegtuig niet repareren. De volgende ochtend hoort hij tot zijn verrassing een stemmetje dat hem vraagt om een schaap voor hem te tekenen. Hij heeft in zijn hele leven alleen nog
maar een gesloten boa die een olifant heeft ingeslikt en het interieur van diezelfde boa getekend, dus wil hij dit verzoek aanvankelijk afslaan, maar
'de kleine prins', aan wie het stemmetje blijkt te behoren, weet hem over te halen, en dus doet hij enkele pogingen om een schaap te tekenen, totdat
de kleine prins tevreden is.

Stukje bij beetje komt de verteller te weten waar de kleine prins vandaan komt en hoe hij daar in the middle of nowhere is terechtgekomen.

Hij komt van een andere planeet, waar hij in zijn eentje woonde. De planeet is erg klein, en hij heeft alleen drie vulkanen die tot zijn knie komen, twee actieve, en een gedoofde (maar je weet maar nooit) die hij regelmatig veegt en een bloem, die erg arrogant is, en hem maar voor haar laat zwoegen zonder ook maar een beetje dankbaarheid te tonen. Uiteindelijk
besluit hij daarom ook maar weg te gaan van zijn planeetje.

Hij besluit een aantal asteroïden die op dat moment in de buurt zijn te bezoeken. Op de eerste asteroïde woont een koning, wiens hermelijnen mantel zijn toch
al niet zo grote planeet geheel in beslag neemt. Hij is dolgelukkig met de komst van het kleine prinsje, want hij heeft verder geen onderdanen om over
te heersen. Hij is een absoluut vorst, en alles en iedereen volgt zijn bevelen op, omdat die altijd redelijk zijn (als je moet niezen, beveelt hij
je om te niezen). Toch wil het prinsje na een tijdje wel weg van die vreemde snuiter.

De tweede planeet wordt bewoond door een ijdeltuit, die de prins aanziet als een bewonderaar. Deze raakt al gouw verveeld, en gaat verder op zijn reis.

Op de derde planeet woont een dronkaard, die, volgens zijn eigen zeggen, drinkt om te vergeten dat hij zich schaamt voor zijn drinkgedrag. Het kleine prinsje vindt de grote mensen toch wel heel vreemd.

De volgende planeet is van een hele rijke zakenman, die alles bezit. Hij telt zo'n vijfhonderd miljoen sterren die allemaal van hem zijn. Daarmee is hij zo rijk dat hij weer nieuwe sterren kan kopen wanneer die gevonden worden. Hij heeft het zo druk met tellen hoeveel sterren er zijn, dat hij geen tijd heeft om te praten.

Op de vijfde planeet, de kleinste van allemaal, is alleen ruimte voor een straatlantaarn en een lantaarnopsteker, die het heel moeilijk heeft omdat
hij als het nacht wordt de lantaarn aan moet steken, en als het dag wordt hem weer moet doven, maar aangezien zijn planeetje steeds sneller ging draaien, heeft hij nu geen minuutje rust meer, en is hij dag in, dag uit alleen maar bezig zijn lantaarn aan te steken of te doven. De kleine prins vindt dat hij misschien wel dwaas is, maar zeker niet zo dwaas als de koning, de ijdeltuit, de dronkaard en de zakenman, want die zijn alleen maar met zichzelf bezig, en de lantaarnopsteker is trouw aan de opdracht die hem gegeven is.

Op de zesde planeet, die wel tien keer zo groot is als de vijfde, treft hij een aardrijkskundige aan, die een dik boek aan het schrijven is. Hij weet echter niets van zijn planeet, omdat hij een tekort heeft aan
ontdekkingsreizigers met wiens vondsten hij een kaart kan samenstellen (hijzelf is natuurlijk te belangrijk om op ontdekkingsreis te gaan). Hij vraagt het prinsje om zijn planeet te beschrijven, want de prins is een
ontdekkingsreiziger.

Vervolgens komt hij terecht op de zevende, en tevens de laatste planeet, de Aarde. De Aarde is natuurlijk niet zomaar een planeet, maar het is gigantisch. Het telt namenlijk "honderd en elf koningen, driehonderdelf
miljoen ijdeltuiten, zeven en een half miljoen dronkaards, negenhonderdduizend zakenmensen en zevenduizend aardrijkskundigen." Alles bij elkaar zo'n twee miljoen grote mensen.

Als de prins in een woestijn op Aarde is beland, verbaast hij zich erover dat er nergens mensen zijn. Een slang vertelt hem dat die alleen buiten de woestijn te vinden zijn. Dan komt hij bij een plek vol rozen, die er allemaal precies zo uitzien als de bloem op zijn planeet, waar hij zo van hield.

Dan ontmoet hij een vos die hem vraagt of hij hem wil temmen, zodat ze vrienden worden. Hij zegt de prins dat die verantwoordelijk is voor zijn bloem, omdat hij haar heeft verzorgd, en ze elkaar dus hebben 'getemd'. De prins voelt zich heel schuldig dat hij zijn bloem alleen heeft achtergelaten.

De prins ontmoet ook een wisselwachter. Ze zijn het met elkaar eens: grote mensen weten niet meer wat ze zoeken, alleen kinderen weten dat.

Intussen zijn er al acht dagen verstreken sinds de verteller neerstortte, en zijn water is op. De prins stelt voor om met z'n tweeën een put te gaan zoeken, en hoewel hij dat een stom plan vindt, gaat de verteller toch mee. Ze vinden ook een put, een kunnen eindelijk hun dorst lessen.

De prins vertelt hem dat het precies een jaar geleden was dat hij op Aarde was terechtgekomen, en dat vannacht zijn planeet precies boven deze plek
staat. Hij wil weer terug naar zijn planeet, en zijn bloem. Hij ziet de slang die hij ook had ontmoet toen hij voor het eerst op Aarde was gekomen, en vraagt deze of hij hem wil doodbijten, omdat zijn lichaam te zwaar is voor de reis terug. De verteller is heel verdrietig, want hij was heel erg van het prinsje gaan houden, en het prinsje zegt tegen hem: "Ga elke nacht
naar de sterren kijken. Een ervan is van mij, en al weet je niet welke, ze zullen je troosten, en alle sterren zullen je vrienden zijn.


Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen