U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Antoine De Saint-exupery - Le Petit Prince.
Deze versie komt van http://huiswerk.leerlingen.com/boekverslag/21011/ en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3189 woorden.

Le Petit Prince



1. De auteur van het boekje is Antoine De Saint-Exupery.

De titel is ‘Le Petit Prince’, van uitgeverij Wolters, in Groningen. De uitgave die ik gelezen heb komt uit 1950 en heeft 101 bladzijden. Het verhaal is bewerkt door H. de Lange en D.M. van Willigen.

Het genre van dit boekje is een sprookje.



2. Ik vond het leuk om te lezen maar om eerlijk te zijn kan ik niet zeggen dat het verhaal me aanspreekt en boeit. Het is grappig, maar er zit niets in dat mij aan het boek gekluisterd houdt. Dat vind ik wel jammer want ik had van klasgenoten die het hadden gelezen gehoord dat ze het echt een heel leuk boekje vonden, maar ik kan persoonlijk niet echt zeggen dat ik het erg leuk vind.



3. De schrijver is aan het woord en vertelt want hem overkomt.

In het verhaal komen de volgende personen aan bod: Le P.P. (petit prince), en verteller, de koning, de zakenman, de aardrijkskundige, de dronkaard, de ijdeltuit, de lantaarnopsteker, de slang en de bloem. Behalve le P.P. en de schrijver hebben deze figuren allemaal een boodsschap. Le P.P. komt al deze mensen tegen op de reis van de ene planeet naar de andere en op aarde komt hij de laatste twee figuren tegen.

Koning geeft constant bevelen (als je moet niezen geeft hij je de opdracht daartoe). Le P.P. vertrekt uiteindelijk door te zeggen dat hij ambassadeur wordt in opdracht van de koning. De koning denkt dat hij overal over geregeerd maar dit is een illusie die veel mensen op aarde ook hebben.

Zakenman Hij telt de sterren en denkt dat hij ze bezit. Zijn werk is natuurlijk nutteloos en hij staat voor alle geldgekte op de wereld.

Geograaf Hij is een dik boek aan het schrijven en vraagt Le P.P. voor hem op ontdekkingsreis te gaan want hij is natuurlijk te belangrijk om van zijn plaats weg te gaan en zelf op onderzoek uit te gaan.Eigenlijk is hij gewoon erg lui.

Dronkaard De dronkaard schaamt zich voor zijn eigen slechte eigenschap: het drinken. Vervolgens drinkt hij om zijn slechte eigenschap te vergeten. Le P.P. vint grote mensen toch wel een beetje vreemd als hij dit hoort.

Ijdeltuit Hij denkt dat Le P.P. een bewonderaar is, maar deze gaat al gauw weg.

Lantaarnopsteker Op de vijfde planeet, de kleinste van allemaal, is alleen ruimte voor een straatlantaarn en een lantaarnopsteker, die het heel moeilijk heeft omdat

hij als het nacht wordt de lantaarn aan moet steken, en als het dag wordt hem weer moet doven, maar aangezien zijn planeetje steeds sneller ging draaien, heeft hij nu geen minuutje rust meer, en is hij dag in, dag uit alleen maar bezig zijn lantaarn aan te steken of te doven. In tegenstelling tot de anderen is deze opsteker niet met zichzelf bezig maar met de opdracht die hij gekregen heeft.

Slang Dit was de eerste die Le P.P. tegen kwam op aarde. Aan hem vroeg Le P.P. waar de mensen waren, en de slang vertelde hem dat die zich buiten de woestijn, de Sahara bevonden.

Bloem Hij vindt een tuin vol rozen, maar geen van hen zijn even mooi als zijn eigen bloem op zijn planeet.



Die samenvatting van wat er in het verhaal gebeurdt en hoe het afloopt staat op de volgende pagina.





Toen de schrijver klein was, tekende hij graag. De volwassenen begrepen zijn tekeningen echter niet en zeiden dat hij zich moest concentreren op rekenen, aardrijkskunde, etc.

Met een vliegtuig maakt de schrijver een noodlanding in de Sahara. Daar hoort hij plotseling een stemmetje dat hem vraagt om een schaap te tekenen. Dat stemmetje behoort tot een klein mannetje: de kleine prins. De schrijver vindt het maar raar, maar tekent voor deze prins een paar schapen. De kleine prins vindt de schapen niet goed, want ze zijn ziek. Dan tekent hij een doos en zegt dat hier het schaap in zit. Dat vindt de kleine prins goed en hij is tevreden.



De kleine prins moet schapen mee hebben voor op z’n kleine planeet. Het schaap moet de baobabs (apenbroodbomen) opeten, want die bomen trekken z’n hele planeet uit elkaar. De planeet van de kleine prins is asteroïde B 612 en een Turk heeft hem ontdekt in 1909. Niemand geloofde hem, omdat hij zulke rare kleding aanhad. In 1920 trekt de Turk normale kleding aan en probeert het nog eens en nu geloven de mensen hem wel.

De schrijver schrijft dit verhaal om zijn kleine vriend nooit meer te vergeten. Hij begrijpt het droevige leven van de kleine prins. De prins is echter bang dat het schaap zijn roos met haar doornen op zal eten, maar de schrijver is zijn vliegtuig aan het repareren en heeft niet echt veel aandacht voor de prins. Dan vertelt de prins een verhaal over een man die altijd bezig was met optellen en nog nooit een bloem had geroken. De prins vindt dat het vliegtuig niet belangrijk is, de schrijver moet een muilkorf voor hem tekenen, zodat het schaap de roos niet kan opeten. De prins moet de muilkorf wel kunnen openen, zodat het schaap wel de baobabs kan opeten.



De kleine prins vetelt over z’n planeet. Hij heeft de ontwikkeling van zijn roos van knop tot mooie bloem meegemaakt. De roos wilde een windscherm, want verafschuwt tocht en wil ‘s avonds een stolp. Voordat de prins van z’n planeet wegging heeft hij z’n werkende en niet werkende vulkanen geveegd. Toen hij een stolp op de bloem wilde zetten, antwoordde ze eerst niet toen hij haar gedag zei, maar vertelde hem dat ze stom is geweest en veel te veel heeft gezeurd en dat hij moet proberen gelukkig te zijn. De stolp was niet nodig, want anders zouden er nooit rupsen op haar komen en zou ze nooit een vlinder zien. Hij moet niet treuzelen, maar gaan. Hij mag haar niet zien huilen, want ze is een trotse bloem. Ze houdt van de kleine prins en eigenlijk houdt de prins ook van haar. Hij vertrekt met de trek van de wilde vogels.



Als eerste komt hij op een nog kleinere planeet dan die van hem met één koning erop. Er leeft niemand anders op de planeet, omdat er niks te doen is. De kleine prins wil weer weg, maar de koning ziet de prins als een onderdaan en zegt dat hij minister mag worden.



Op de tweede planeet woont een ijdeltuit en die denkt dat iedereen langskomt om hem te bewonderen. Hij laat de kleine prins in z’n handen klappen en daarop salueert de ijdeltuit door bescheiden z'n’hoed op te tillen. Na vijf minuten is de kleine prins moe van eentonigheid. De ijdeltuit vraagt of de prins hem al erg bewonderd. Het interesseert de kleine prins niet veel. De man zegt dat hij de mooiste, de rijkste en de intelligentste van de hele planeet is. Dan gaat de kleine prins weg.



Op de derde planeet woont een dronkaard en dat maakt de prins zwaarmoedig. De man drinkt omdat hij zich schaamt dat hij drinkt en wil vergeten dat hij drinkt.



Op de vierde planeet zit een zakenman die allerlei optellingen maakt. Hij laat zich niet afleiden door de vragen van de kleine prins, want dat is hem al vier keer overkomen. De man telt de sterren. Hij bezit de sterren, omdat hij rijk is en de eerste is die het bedenkt. Hij zet het aantal sterren op papier en legt het in een lade. De kleine prins vindt het stom en gaat weg. Grote mensen vindt hij maar erg vreemd.

Op de vijfde planeet zit een lantaarn-aansteker en –uitblazer. Eén dag duurt één minuut, dus moet de man telkens de straatlantaarn aan- en uitdoen, aan- en uitdoen, aan- en uitdoen. Hij heeft reuze stress, want het gaat ontzettend snel. De kleine prins denkt een oplossing te hebben: als hij nou rond blijft lopen, is hij altijd in de dag en hoeft hij nooit de lantaarnpaal uit te blazen. Maar de man houdt erg van slapen, dus heeft hij pech. De kleine prins vindt deze man niet eens echt zo gek, want hij houdt zich tenminste met iets anders bezig dan met zichzelf. Hij zou een vriend van de kleine prins kunnen worden, maar de planeet is te klein voor twee mensen. De kleine prins mist z’n eigen planeet.



Op de zesde planeet, die tien keer uitgestrekter is, zit een geograaf. Hij brengt dingen in kaart (in enorme boerken) als bergen, oceanen, woestijnen, rivieren, etc, omdat dat vaste dingen zijn. Maar hij ontdekt ze niet zelf, dat moeten ontdekkingsreizigers hem komen vertellen en bewijzen. De kleine prins vertelt over zijn planeet met zijn drie vulkanen en de roos. De roos wil de geograaf niet in kaart brengen, omdat die niet het eeuwige leven heeft. De prins schrikt, want de roos heeft maar vier doorns om zich tegen de wereld te verdedigen. De geograaf raadt hem aan om naar de Aarde te gaan, want die heeft een goede reputatie.



De zevende planeet is de Aarde. De kleine prins noemt alle continenten aan de hand van de lampjes die op verschillende tijden aan en uitgaan. En allemaal na elkaar en telkens in dezelfde volgorde! De mensen nemen de hele aarde in beslag, maar met een beetje proppen kan je ze allemaal op een plein van vijf bij vijf mijl krijgen. De mensen vinden zichzelf heel wat.



De kleine prins komt aan in de woestijn in Afrika en als eerste ontmoet hij een slang. De vertelt hem dat de slang nog eens van pas zal kunnen komen als de prins weer terug wil naar z’n planeet. Dan ontmoet hij een bloem en die zegt dat de mensen, zes of zeven stuks, ergens zijn, alleen weet ze niet waar precies. Aangezien ze geen wortels hebben, neemt de wind ze mee. De prins gaat verder en klimt op een berg. Daar roept hij dingen en de echo zegt hem na. Hij vindt het wel leuk en denkt dat de mensen een fantasie missen.



Na heel ver lopen, komt hij bij een weg. Daar is een rozentuin met allemaal rozen die op zijn bloem lijken. De prins vertelt van zijn roos. Als hij in het gras gaat liggen, moet hij huilen.



Daarna ontmoet hij een vos. Die is niet getemd en speelt daarom maar niet met de prins. Hij vraagt wat hij hier doet, want de prins komt duidelijk niet van de Aarde. De kleine prins vertelt dat hij de mensen, een vriend, zoekt. De vos vindt mensen hinderlijk: ze hebben geweren en jagen en houden kippen. De kippen is hun enige interesse. Als de kleine prins vraagt wat tam betekent, antwoordt de vos dat dat “banden scheppen” is.

De kleine prins is voor de vos één van de honderdduizend andere kleine jongens en de vos is voor de prins één van de duizenden andere vossen. Maar als de prins de vos tam zou maken, zijn ze met elkaar bezig en wordt één uniek voor de ander. De prins begint het te begrijpen, net als de situatie met zijn bloem.De vos vertelt over zijn monotome leven. Hij jaagt op kippen, de mensen jagen op hem. De mensen lijken op elkaar, de kippen lijken op elkaar. De vos verveelt zich, maar als de prins hem temt, wordt z’n leven weer zonnig. Hij eet geen brood en het koren is onnuttig. De goudblonde korenvelden doen hem denken aan het goudblonde haar van de kleine prins. De vos wil getemd worden, maar de prins zegt weinig tijd te hebben, want hij zoekt vrienden. De vos zegt dat hij beter vrienden hem met kan worden, want de taal van de mensen is een

Bron van misverstand en mensen willen alles kopen, maar vrienden zijn niet te koop, dus mensen hebben geen vrienden meer. De kleine prins moet ver weg gaan zitten en elke dag een stukje dichterbij komen. Zo temt hij de vos. De kleine prins probeert het, maar komt na een dag alweer terug. Hij wil weg. De vos zegt dat de prins altijd welkom is bij hem.

De kleine prins zegt de vos dat hij speciaal voor hem is geworden en vertelt over zijn roos. Voordat hij weggaat vertelt de vos hem zijn geheim: je moet je hart laten spreken (afgaan op je gevoel), want het wezenlijke is niet zichtbaar met je ogen. De mensen zijn deze waarheid vergeten, maar de prins mag het nooit vergeten. Hij is verantwoordelijk voor z’n roos.

Als de prins verder gaat, komt hij een wisselwachter tegen die reizigers sorteert in “paketten” van duizend. Hij stuurt treinen, die de mensen vervoeren, soms naar links, soms naar rechts. De prins ziet dat ze gehaast zijn en vraagt wat ze zoeken. De wisselwachter zegt dat zelfs de bestuurder het niet weet. Een tweede trein dendert binnen en de wisselwachter vertelt dat de mensen wisselen van trein en nooit tevreden zijn met waar ze zijn. Hij vertelt dat de mensen in de trein slapen en de kinderen met hun neus platgedrukt tegen het raam naar buiten kijken.



Dan komt de prins een marktverkoper tegen die pillen verkoopt, waardoor je niet meer hoeft te drinken. Hij verkoopt het, omdat het een tijdsbesparing is van drieënvijfitg minuten per week en met die extra tijd kunnen de mensen doen wat ze willen. De prins zou in de tijd die over is zachtjes naar een put lopen.



Er zijn nu acht dagen voorbij in de woestijn en het drinkwater van de piloot is bijna op. Ze gaan samen naar een put zoeken. ‘s Avonds zitten ze samen naar de sterren te kijken. De prins vindt de woestijn mooi en de schrijver vergelijkt dit met z'’ huis waar een schat verborgen lag. Die schat was niet echt, maar de schat gaf tenminste inhoud aan het huis. Als de prins slaapt, kijkt de schrijver naar de prins en beseft dat hij speciaal is en dat het om het innerlijk gaat van iemand. Hij wil de prins beschermen, lichamelijk en geestelijk. Hij houdt van hem!



Ze komen bij een put en het lijkt wel alsof er een stad in de buurt is, want alles is er: een katrol, een touw en een emmer. Ze drinken water en dit water is bijzonder, want ze hebben er wat voor moeten doen om het te krijgen. De kleine prins merkt op dat mensen duizend rozen kweken, maar wat ze zoeken vinden ze maar in één roos of een beetje water terug. De prins zegt dat de ogen blind zijn en dat je moet zoeken met je hart. De prins wil nog dat de piloot een muilkorf tekent voor het schaap. Dat doet hij.



De prins vertelt dat hij de volgende dag een jaar op de Aarde is. De piloot moet zijn vliegtuig maken, maar de prins blijft waar hij nu is, in de buurt van zijn “val-plek”.

Als de piloot bij z’n vliegtuig is geweest, gaat hij naar de kleine prins terug. Die zit op een muurtje met iemand te praten. De piloot ziet eerst niet met wie, maar later ontdekt hij de slang in het zand. Hij pakt z’n revolver en wil hem doodschieten, maar de prins zegt dat hij het niet moet doen. Hij vertelt de piloot dat hij een jaar geleden op de Aarde kwam en nu weer terug wil, terug naar zijn eigen planeet met zijn eigen roos. De slang kan hem daarbij helpen. Zijn lichaam is te zwaar om terug te gaan en als de slang hem dan zou bijten, kan hij zonder lichaam, met z’n geest, terug naar huis. De piloot zegt dat hij dat niet mag doen, dat hij zo veel om de prins geeft. Als cadeau geeft de prins hem zijn lach cadeau. Daarna wordt hij door de slang in z’n enkel gebeten (de piloot ziet een gele flits) en valt geluidloos neer.



Als de piloot thuis is, is hij zeer verdrietig. Tegen z’n vrienden zegt hij dat het de vermoeidheid van de afgelopen dagen is. Hij is echter wel een beetje getroost doordat hij nu weet dat de prins terug is op zijn eigen planeet bij zijn roos. Hij heeft het lichaam van de prins niet kunnen terugvinden in de woestijn. Tot z’n schrik komt hij erachter dat hij geen leren riem heeft getekend voor aan de muilkorf van het schaap, zodat de prins de muilkorf niet open en dicht kan doen. Nu moet hij er telkens aan denken dat de roos misschien wel en misschien niet is opgegeten. Helaas zou geen enkele volwassene dit probleem begrijpen



De schrijfstijl is aan de ene kant kinderlijk, maar toch niet kinderachtig voor volwassenen. Leuk te volgen en best grappig. Het verhaal vindt plaats tijdens een reis door de ruimte, langs de planeten en uiteindelijk naar aarde.



Het thema van het boekje is de reis langs de planeten na de ontmoeting met de schrijver/ vliegenier. Het verband tussen het thema en de titel is dat Le P.P. de hoofdpersoon is die de reis voor de schrijver/vliegenier maakt. De tekstgedeelten die typerend voor dit thema zijn, zijn eigenlijk het hele boekje. Het hele boekje gaat over de reis en over Le P.P.



4. De positieve elementen die in het verhaal voorkomen zijn voor mij de betekenissen achter de personages die in het verhaal voorkomen, zoals de ijdeltuit en de koning. Ook vind ik het leuk dat Le P.P. zo anders tegen de volwassenwereld aan kijkt, precies zoals een kind. In dit boek wordt de grotemensen wereld een beetje kritisch bekeken en ik denk dat dat ook weleens goed is.

Eigenlijk heeft het boekje me wel aan het denken gezet over wie wij wel niet denken dat we helemaal zijn! De wereld is steeds meer geldgek, ijdel, machtsziek en dronken... daarom zet zo’n kinderboekje je eigenlijk wel aan t denken en blijft ‘t actueel.





























































Verwerkingsopdracht



Het milieu social van de hoofdpersoon bestaat uit de reis van zijn astroide naar de andere planeten op zoek naar schapen om de apenbroodbomen op te eten die zijn planeet kapot maken. Op die reis komt hij op de

· B612 astroide

‘J’ai de sérieuses raisons de croire que la planète d’où venait le petit prince est l’astéroïde B612’ blz 16

· de planeet met de koning

‘La permiere était habitée par un roi. Le roi siégeait, habilée de pourpe et d’hermine , sur un trône trés simple et cependant majestueux.’ blz 37

· de planeet met de ijdeltuit

‘Ah Ah! Voila la visite d’un admirateur! sécria de loin le vaniteux dés quíl apercut le petit prince’ blz 44

· de planeet met de dronkaard

‘Pourqoui bois-tu?’

‘Pour oublier que j’ai honte’

‘Honte de quoi?’

‘Honte de boire!’ blz 47

· de planeet met de zakenman

‘Comment peut-on posséder les étoiles?’

‘A qui sont elles?’ riposta, grincheux le businessman. blz 51

· de planeet met de straatlantaarn

‘La cinquiéme planéte était trés curieuse. Cétait la plus petite de toutes. Il y avait assez de plce pour loger un réverbére et un allumeur de réverbéres.’ blz 53

· de planeet met de ontdekkingsreiziger

‘Elle était habitée par un vieux Monsieur qui écrivait d’énormes livres.’ blz 57

· de aarde

‘La Terre nést pas une planete quelconque!’ blz 62

Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen