U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Tim Krabbe - De Renner.
Deze versie komt van http://www.verslagen.com/index.php?page=boek_toon&boek_id=141 en is laatst upgedate op 01/01/2004.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3246 woorden.

1. De BOEKBESCHRIJVING



–Bibliografie van het boek



Tim Krabbé, De renner. 9e druk. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 1987. (juni 1978)



-Uiterlijke aspecten



Op een zwarte achtergrond lopen diagonaal twee neongroene banden, waarvan er 1 met een tipje tot aan de achterkant rijkt. Centraal op de voorkant staat een vrij kleine prent van een renner in het hooggebergte. Deze foto is bewerkt zodat enkel de renner zijn originele kleuren behouden heeft ; de rest heeft een marsachtig karakter gekregen. (foto : een andere versie)







-Titel



‘De renner’ verwijst zeker en vast naar de inhoud, nl. een autobiografische vertelling die de belevenissen van Krabbé tijdens ‘De Ronde van de Mont Aigoual’ verslaat.



-Opdracht



Dit boek is NIET aan iemand opgedragen.



-Motto(’s)



Men kan uit dit boek niet echt een motto distilleren. Wel kan ik iets aanhalen wat ook Maarten Ducrot voor mij al ‘Krabbé’s gevleugelde woorden’ noemde ; « Batüwü Griekgriek – en dan gaat het weer even. »



Hiermee bedoelde Krabbé niets specifieks. ‘Batüwü Griekgriek’ is gewoon een eigen gefabriceerd woord (pagina 33-34) dat Krabbé gebruikt bij zijn filosofische gedachten over het ontstaan van dingen. Later gebruikt hij datzelfde ‘woord’ om zichzelf en de wereld rondom hem te relativeren.



Op zijn website geeft Krabbé zelf als allesoverheersende motto:



Wij moeten met fijn gevoel

en met heilige overtuiging

geloven in wat de dichter

per ongeluk heeft gezegd.





Nico Scheepmaker (1930-1990)







2. Het VERTELPERSPECTIEF



De verteller is de schrijver. Hij treedt direct in het verhaal op.



à Een autobiografische vertelling die de belevenissen van Krabbé tijdens ‘De Ronde van de Mont Aigoual’ verslaat.







3. De PERSONAGES



Soorten:

a.) Hoofdpersonage : Tim Krabbé, een Nederlands wieleramateur die deelneemt aan ‘De Ronde van de Mont Aigoual’.



b.) Nevenpersonage :



Meespelers : Barthélemy, Teissonnière, Kléber, Lebusque, en de renner van Cycles Goff; de renners die samen met Krabbé en Reilhan de kopgroep zijn.



Tegenspelers : Reilhan en zijn vader, die vanuit de wagen de wedstrijd volgt. Door zijn laf gedrag werkt Reilhan woede op bij Krabbé en andere leden van de kopgroep.



Tekening van de personages :

a.) Alle personages zijn zowel individuen als types ; in de beperkte wereld van de kopgroep zijn er geen 2 renners met gelijke eigenschappen, maar bekeken in het perspectief van het volledige peloton merk je dat ze allen een bepaald type renner vertegenwoordigen.



b.) Door in te spelen op kennis en gevoelens die hij door de loop van de jaren als renner verzameld heeft, weet Krabbé zijn medevluchters mooi te nuanceren. Hij beschrijft hun denkwijze en karakter, ze blijven geen ‘platte karakters’.



c.) De kopgroep is zeer statisch, ze maken geen evolutie door. Nadien zouden ze nog net hetzelfde handelen als daarvoor.



d.) Niet gedetermineerd door MILIEU



e.) De rol van het ONDERBEWUSTE is niet belangrijk







4. De STRUCTUUR



Uiterlijke geleding : Het boek is niet onderverdeeld in hoofdstukken. Door middel van witregels worden ‘flashbacks’ en heden gescheiden. De enige vorm van onderverdeling die men kan terugvinden is het vermelden van de plaats in de wedstrijd. (door midel van het aantal afgelegde kilometers)



Innerlijke geleding : Dit boek gebruikt niet de gebruikelijke ‘begin-midden-slot’-structuur. Net zoals in een kortverhaal stap je meteen midden in het verhaal en kom je geleidelijk aan te weten waar je nu eigenlijk precies bent, wat er aan de hand is en wie wie is.





5. De TAAL/STIJL



Op de vraag ‘Ik had graag geweten tot welke stijlstroming het boek behoort’ antwoordde Krabbé:



“Wil je alsjeblieft je leraar Nederlands verzoeken om je niet met zulke plezierbedervende, nutteloze, helemaal-niets-van-literatuur-begrijpende vragen op pad te sturen?”





6. De TIJD



A. Het TIJDSVERLOOP

Chronologisch, maar met flashbacks



B. De TIJDSDUUR

a.) De VERTELDE TIJD



De wedstrijd speelt zich af gedurende 137 km, een viertal uurtjes dus.



Via de flashbacks beschrijft Krabbé ook zaken die zich vanaf de jaren 50 tot de schrijftijd afspeelden.



b.) De VERTELTIJD



130 Pagina’s, die ik gelezen heb in 3,5 uur.



Ik moet zeker nog vermelden dat de eindsprint, die maximum een 5-tal seconden in beslag neemt, beschreven wordt in 2 pagina’s ! Onnodig dus om te zeggen dat Krabbé hier zeker en vast een groot belang aan hecht.





7. De RUIMTE



a.) Geografisch decor : Meyrueis, Lozère, Frankrijk (Alpen) : een zware klimkoers



b.) Sociaal milieu : Het peloton



c.) Sfeerschepping : De spanning die samenhangt met een wielerwedstrijd : een platte band, een valpartij, even niet opletten en de hele inspanning is voor niks geweest.



d.) Symbolische ruimte : Ik denk dat het geografisch decor symbool staat voor zijn jeugddromen van de ‘Tour de France’.







8. De SPANNING



a.) Prospectiviteit : De aankomende beklimming van de Mont Aigoual en de finish.



b.) Informatieverdeling :



1.) Kennisvoorsprong : geen



2.) Kennisachterstand : geen



3.) Identificatie : geen





9. MOTIEVEN en THEMA‘s



a) conceet motief : /



b) Abstract motief : /



c) Sluit- of grondmotief :



« We hadden een schrijfmachine, daar mocht ik soms op tikken. Ik tikte alle getallen. Ik begon bij 1 en zo steeds hoger. Ieder getal was hoger dan het vorige. Mijn leven was een doorlopende recordverbetering. »







10. De AUTEUR en zijn VERHAAL:











A. BIOGRAFIE (door Krabbé zelf geschreven)







Geboren 13 april 1943 in Amsterdam, waar ik nog woon. Eindexamen 1960 HBS-B aan het Spinoza Lyceum. Leef sinds 1967 van de pen.

Ik ben getrouwd geweest met Liz Snoijink, en heb een zoon Esra. (http://www.xs4all.nl/~timkr/esra.html) Mijn vader en grootvader waren en zijn bekende schilders, evenals mijn broer Jeroen, die ook acteur en regisseur is. Mijn moeder is filmvertaalster en schrijfster. Ik heb ook wat geacteerd, en een tijdje psychologie gestudeerd aan de GU in Amsterdam, maar van beroep ben ik altijd schrijver geweest. Mijn debuten als schrijver en als journalist vielen samen in 1967.

Mijn romans zijn in 12 talen vertaald, en vier ervan zijn verfilmd. 'Spoorloos', naar Het Gouden Ei, waar ik zelf het scenario voor schreef, won het Gouden Kalf 1988 voor de beste Nederlandse film. Hij wordt nog steeds gedraaid in Amerika, en in 1993 werd er daar een remake van gemaakt onder de titel 'The Vanishing.' Niet zo goed als het origineel. In maart 2000 zijn er twee films naar romans van mij in voorproductie; zie onder.

Naast mijn romans, verhalen en journalistieke werk heb ik vele artikelen en een paar boeken over schaken geschreven. Van 1967-1972 hoorde ik bij de beste twintig schakers van Nederland, maar nooit bij de beste tien. Ik heb een aantal schaakproblemen en studies gecomponeerd. Zie ook mijn schaak-site. (http://www.xs4all.nl/~timkr/chess/chess.html)



Boeken: (sinds 1978 bij uitgeverij Prometheus/Bert Bakker)



-- De werkelijke moord op Kitty Duisenberg (1967, roman)

-- Flanagan of het einde van een beest (1970, roman)

-- Fischer (1972, schaak-biografie)

-- 15 goede gedichten (1973, gedichten)

-- Red Desert Penitentiary (1975, roman)

-- De Stad in het Midden (1978, verhalen)

-- De Renner (1978, roman)

-- 43 Wielerverhalen (1984, verhalen)

-- Het Gouden Ei (1984, roman)

-- De Man die de Babson Task wilde maken (1986, schaak-essay)

-- De Matador (1991, verhalen)

-- Vertraging (1994, roman)

-- De Paardentekenaar (1995, verhalen)

-- De Grot (1997, roman)



Schaakboeken:

-- Schaakkuriosa (1974)

-- Nieuwe schaakkuriosa (1977)

-- Chess Curiosities (1985, Engels)



Bloemlezingen:

-- De Koning (1987, schaakstukken van J.H. Donner; samen met Max Pam)

-- Nico Scheepmaker Over Alles (1991, Nijgh & Van Ditmar)



Literaire onderscheidingen:

-- 1969, voor Flanagan: Eervolle vermelding Reina Prinsen Geerlings Prijs



Journalistiek werk:

Redacteur 1970-1973 Propria Cures. Werkte mee aan vele bladen, o.m. Vrij Nederland, Haagse Post, Parool, De Tijd, NRC/Handelsblad, Elseviers Magazine, HUMO, Playboy, Intermagazine, Esquire.



Verfilmingen:

-- Flanagan (Adriaan Ditvoorst 1975)

-- De Paardentekenaar (Thijs Chanowski 1983; korte film naar het gelijknamige verhaal)

-- Red Desert Penitentiary (George Sluizer, 1984)

-- Spoorloos (George Sluizer, 1988, naar Het Gouden Ei)

-- The Vanishing (George Sluizer, Amerika 1993, naar Het Gouden Ei)



In voorproduktie, per maart 2000: 'The Cave' naar De Grot, te regisseren door Martin Koolhoven en 'Delay' naar Vertraging, regisseur nog onbekend.



Scenario's:

-- Spoorloos (naar Het Gouden Ei), 1986

-- De Grot (naar De Grot), 1998





Vraag & Antwoord:



Relevante vragen van lezers, rechtstreeks van Krabbé’s site geplukt (http://www.xs4all.nl/~timkr/tim.htm)



V: Heb je uit de (professionele) wielerwerld door de jaren heen veel reacties gekregen op de renner?



A: Niet veel, maar wel sommige, en leuke. Hennie Kuiper zei me eens dat hij het twaalf keer heeft gelezen. Maarten Ducrot zegt dat hij door De Renner is gaan wielrennen, en citeert er in bijna ieder interview uit. Knetemann schonk mij een flaptekst: Tim Krabbé heeft HET gevoeld. Hij heeft HET meegemaakt. Daar ben ik erg trots op. Maar er zijn ook profrenners over wie ik heb gehoord dat ze het romantische onzin vonden.



V: Onlangs beweerde mijn fietsenmaker, die uiteraard ook De Renner op zijn boekenplank heeft staan, dat de beschreven wielerwedstrijd niet door jou gefietst is. Is dat zo? Als dat zo is, neemt mijn respect voor jouw schrijverscapaciteiten alleen maar toe, want ik zou bijna zweren dat jij die wedstrijd werkelijk gefietst hebt.



A: Ik heb gewielrend, ik heb in Frankrijk gewielrend, ik heb op 27 juni 1977 een wedstrijd gereden met start in finish in Meyrueis, in het departement Lozère. Verder wil ik alleen zeggen wat ik al zovaak heb gezegd: de werkelijkheid is er voor de schrijver om te plunderen, niet om te gehoorzamen.



V: Een collega vertelde mij dat de koers van De Renner in Meyrueis echt verreden is, dit neem ik direkt voor waar aan, en dat u die koers won. Volgens hem vond u het mooier voor het verhaal om tweede te worden. Is dit waar??



A: Nee. Maar het zal duidelijk zijn dat er in de wedstrijd van het boek een combine van overwegingen bestond die mij de overwinning onthield. Zie ook vraag 67.



V: Ik had graag geweten tot welke stijlstroming het boek behoort.



A: Wil je alsjeblieft je leraar Nederlands verzoeken om je niet met zulke plezierbedervende, nutteloze, helemaal-niets-van-literatuur-begrijpende vragen op pad te sturen?



V: Bent u van mening dat elke recensent altijd zijn/haar oprechte mening over een boek geeft, of is het in sommige gevallen ook wel eens een kwestie van pennenmacht en frustratie?



A: Ik geloof zeker dat recensenten in principe een eerlijke mening geven. Maar niemand heeft nog ooit een recensie geschreven die niet veel liever zelf een gerecenseerd schrijver zou zijn. Een enkele recensie is doelbewust oneerlijk. Dat kan uit frustratie zijn, vanwege persoonlijke wraak, of zelfs als gimmick. Het Parool had een tijdlang iemand in dienst die de opdracht had boeken even waardeloos te vinden als hij zelf was.

Dat eerlijke recensies niet altijd zinnig zijn spreekt vanzelf.



V: In hoeverre hebben minder lovende recensies invloed op uw werk en humeur?



A: Ik heb gunstige recensies van mijn werk gelezen waarbij ik in stilte naar mijn voorhoofd wees. En ongunstige waarvan ik moest toegeven dat er iets inzat. Maar in het algemeen neig je er natuurlijk toe het eens te zijn met gunstige, en oneens met ongunstige recensies. Van heel erg domme ongunstige recensies spring je uit je vel. Maar dat is zo voorbij, en veel gevaarlijker zijn lovende recensies - trouwens ook lovende reacties van gewone lezers. Die zouden je in de verleiding kunnen brengen het bewonderde in je werk een volgende keer herhalen, louter om die bewondering nog eens te oogsten.



V: Denkt u dat recensies in het algemeen een grote invloed hebben op het lezersaantal?



A: In de uitgeverswereld geldt de wet dat het aantal vierkante centimeters dat de recensie beslaat meer invloed heeft dan de inhoud ervan - maar die invloed is niet groot.



V: Waarom zijn uw boeken literair, terwijl ze toch voor iedereen te begrijpen zijn?



A: Dat terwijl veronderstelt een tegenstelling - het is ver gekomen met de opvatting over literatuur in Nederland.

Mijn boeken zijn zeker aan de oppervlakte voor iedereen te begrijpen - daar stel ik hoge prijs op. Soms denkt daardoor een oppervlakkige literatuurcriticus dat ze oppervlakkig zijn.



V: Hoe onthield u die (in De Renner) soms bizarre gedachten die onstaan bij extreme inspanningen? Ik vergeet 90% van wat tijdens zo'n rit in me opkomt. Het wordt eenvoudigweg uitgewist. Heeft u een uitzonderlijk geheugen of is het discipline?



A: Dan zal het bij mij zo'n 85 % geweest zijn. Die 5 % verschil zal inderdaad door discipline komen, want ik probeerde natuurlijk, omdat ik nu eenmaal schrijver ben, bewust bepaalde gedachten te onthouden, soms zelfs met ezelsbruggetjes. Maar inderdaad, als de inspanningen extreem zijn helpt dat allemaal niet meer. Ik beschrijf dat trouwens uitgebreid in het boek zelf.

Dat ik schrijver was toen ik wielrende, hield natuurlijk ook in dat ik voortdurend aantekeningen maakte van de wielergedachten waarvan het me lukte ze thuis te krijgen. Zo sprokkel je in de loop der jaren het nodige bijeen. Verder bedacht ik tijdens het schrijven wat ik tijdens het wielrennen zou kunnen hebben gedacht.

Uw vraag is eigenlijk een compliment omdat ik kennelijk de indruk heb weten te wekken dat ik een precies verslag heb gedaan van mijn gedachten tijdens een wielerwedstrijd. En via de omweg van dat jarenlang sprokkelen heb ik dat ook wel gedaan.



V: Wat dreef u ertoe om 45 kilometers criterium door DIEMEN te gaan rijden?



A: Dat was het soort wedstrijd waarop ik in Nederland nu eenmaal was aangewezen. Ik zou liever week in week uit klimwedstrijden hebben gereden zoals ik ze in Frankrijk reed, maar ik moet zeggen dat die criteriums op den duur toch heel beslist hun eigen aantrekkingskracht hadden.



V: Hoe speelde u het klaar om in de jaren '70 maandenlang in Frankrijk te bivakkeren?



A: Ik had (en heb) geringe eisen op het gebied van luxe, dus dat viel wel mee. Nooit een baan gehad, dat helpt ook.



V: Over welk(e) onderwerp(en)/thema(s) schrijft u meestal/vaak?



A: Ikzelf zie een terugkerend thema in al mijn werk, en ik ben er erg trots op dat ik dat soms pas zag toen het boek al in de winkel lag. Slechte schrijvers kiezen thema's, goede schrijvers kiezen verhalen. Slechte lezers zien thema's, goede lezers zien een verhaal.



V: Hoe zit het met het motief ''afdaling'' in De Renner'?



A: Is dat een motief? Ik weet wel dat ik nogal slecht was in afdalen, en dat komt in het boek voor. Een vindingrijke lezer zal daar mogelijk een diepere betekenis in kunnen zien. Misschien zou ik het zelf wel kunnen.



V: Ik heb van u het boek 'de renner' gelezen wat ik geweldig vind. De reden waarom ik deze e-mail schrijf is omdat we op school een boekverslag moeten schrijven. Je moest ook vertellen waar het boek nou eigenlijk over gaat. Ik heb gezegd dat dat 'afzien' is. Bent u het daar met mij mee eens of zit ik er naast?



A: Beste Rens, je schreef me een buitengewoon leuke mail. Ik heb je daar al persoonlijk op geantwoord, maar hier in het openbaar: als je zoals jij zo'n brief kan schrijven, laat je dan nòg minder dan anderen lastig vallen met vragen zoals waar een boek 'nou eigenlijk' over gaat. Iemand als jij snapt dat toch zelf, en moet zich niet in de war laten brengen: De Renner gaat eigenlijk over een man die zijn hele leven heeft willen wielrennen, die nu wielrent, en die de wedstrijd wil winnen.



V: Toen de wedstrijd was afgelopen was er een man die u vertelde dat u te vroeg was begonnen met de sprint en als u hem later was aangegaan dat u dan de wedstrijd had gewonnen. U vertelt niet of die man nou eigelijk gelijk had. Heeft u er later nog over nagedacht of die man het juist had?



A: Hij zou wel eens gelijk kunnen hebben gehad. Maar die Reilhan was een rappe, dus... Overigens is die man voor mij Joris van den Bergh, de schrijver van het beroemde 'Temidden der Kampioenen' over de sprinter Moeskops. In eerdere versies beschreef ik ook even het uiterlijk van Van den Bergh (benig gezicht, dun grijs haar achterovergekamd) en ik heb er een beetje spijt van dat ik dat eruit heb gehaald.



V: Waarom heeft u van al die wedstrijden die ene wedstrijd opgeschreven?



A: Hij leek me op veel manieren geschikt voor het boek. Lang, zwaar, mooie landschappen, heldendom. Een Nederlands criterium zou me minder hebben geïnspireerd. Let wel, ik heb die wedstrijd als uitgangspunt gebruikt. Van niets in het boek is er reden om aan te nemen dat het zich in werkelijkheid precies zo heeft afgespeeld als ik het beschreven heb.



Een van de meest bekende wielerverhalen van Krabbé:

HUIZE MERCKX

(Uit '43 Wielerverhalen', 1984)



Om mijn vijfhonderdste wedstrijd te vieren had ik een passend wielerweekeinde in België bedacht. Na een wedstrijd op zaterdagmiddag om drie uur in Arendonk zou zondag het jubileum plaatsvinden in Meensel-Kiezegem. En dat is niet zomaar een Belgisch plaatsje, dat is de geboorteplaats van Merckx. Bovendien, daar was de start om één uur, wat gezien de afstand van 80 kilometer betekende dat ik na afloop in een café de televisie-reportage van de Ronde van Vlaanderen zou kunnen volgen.

Maar toen ik zaterdag om half twee in Arendonk arriveerde reden daar wielrenners door de straten. Wanhopig schatte ik hun leeftijd een paar doorkomsten lang op zeventien, maar ik herkende er meer en meer - het was mijn veteranenwedstrijd. Er was regen, storm, slijk, echt Vlaams koersweer, wat mijn woede alleen maar groter maakte.

Goed, 499 is ook een mooi getal, maar toen ik de volgende dag om twaalf uur in Meensel-Kiezegem arriveerde was het daar verdacht stil. Nu drong de vergissing ten volle tot mij door: ik had de twee starttijden verwisseld. Ook de reportage van de Ronde van Vlaanderen zou aan mijn neus voorbijgaan.

In elk geval had ik nu tijd Merckx' geboortehuis te zoeken en te bezichtigen. Het stond op een hoek met meteen daarachter het open veld. Een vrij groot, gewoon huis. Ik had me er meer van voorgesteld: dat er geen museum was ingericht, met bekers en Merckx' eerste lekke band, dat was tot daar aan toe - maar dat in de voorgevel zelfs de geringste herinneringsplakette ontbrak, dat ging toch wel ver.

Aan de andere kant: het is niet ongewoon dat er zo met wielerhelden wordt omgesprongen. In Dax heb ik er het telefoonboek moeten bijhalen om een kopje koffie in Café Darrigade te kunnen drinken, en in Toledo ontbrak de naam Bahamontes in alle folders. Zijn huis, in een achteraf steegje, moest ik me door inwoners laten aanwijzen, maar daar hing tenminste wel een groot bord waar CASA BAHAMONTES op stond.

Voor een wieler-pelgrimstocht leent Meensel-Kiezegem zich ook om andere redenen niet; Merckx is jong naar Brussel verhuisd. Hooguit zou je de bandensporen van zijn kinderfietsje kunnen drukken. Het enige bij dat huis dat aan wielrenners deed denken waren de pijlen in alle richtingen die op het wegdek voor de deur geschilderd stonden. Er was daar dus wel eens een koers langsgekomen, en het was niet ondenkbaar dat mijn koers dat ook zou doen.

Ik bedacht het Volmaakte Wielerongeluk: dáár een lekke band krijgen, uit balans raken, reddeloos door de toevallig openstaande voordeur naar binnen vliegen, tegen de salonmuur mijn nek breken en op de plek waar Merckx het levenslicht had aanschouwd de laatste adem uitblazen.

Het ging niet door, toen de wedstrijd begon bleek het voor mij uitgestippelde parkoers niet langs Huize Merckx te voeren. Maar eindelijk kreeg ik dan toch wat geluk. Want toen ik halfkoers viel, bij een hek waar opwaaiend papier tegen kleefde en waar een bord 'Vuilstort' bij stond, bleek ik dat juist op tijd te hebben gedaan om in de auto van de vriendelijke Belg die mij opraapte het radioverslag van de laatste twee kilometer van de Ronde van Vlaanderen te kunnen horen. Pollentier won de eindsprint tegen Moser en Raas, wat mijn vermoeden versterkte dat ik op mijn hoofd was gevallen.

Maar het was waar, en even later hoorde ik de buitengewoon aardige manier waarop dat was gegaan. Op de laatste hindernis, de Bosberg, had Pollentier gemerkt dat hij samen met Moser een lichte voorsprong had. Een stukje achter hen reed Raas, die wanhopig probeerde erbij te komen. Wat deed Pollentier dus? Hij liet het tempo zakken, om zéker te zijn dat Raas hem inhaalde. Tegen één sprinter wist hij kansloos te zijn, hij reed liever tegen twee sprinters. Sprinters hebben nu eenmaal de neiging hun krachten tegen elkaar weg te strepen. Dat deden Moser en Raas, en Pollentier won.



(c) Prometheus/Bert Bakker, Tim Krabbé, 1984

Oorspronkelijk verschenen in NRC, april 1980
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen