U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : G.a. Bredero - De Klucht Van De Koe.
Deze versie komt van http://www.studentsonly.nl/uittreksels/bv.asp?BvID=13 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2204 woorden.

Bibliografie
Gelezen druk: 5e druk
1e druk: 1612


Samenvatting
Het stuk speelt in de omgeving van Amsterdam. Ghijsje, de gauwendief, opent met een monoloog. Als dief moet je voortdurend op je tellen passen. Een waarzeg-ster had hem voorspeld, dat hij omtrent zijn achttiende jaar aan de galg zou sterven. Maar tot nu is alles goed gegaan. Laatst nog heeft hij een goede vangst gedaan in de Rederijkerskamer. In sommige dorpjes bestaan zelfs wetten, waar-door de burgers verplicht worden beter op hun zaakjes te passen. Op velerlei wijzen wordt er gegapt en gestolen; ieder doet het op zijn eigen manier: de een smokkelt met het gewicht van de koopwaar, de ander speelt vals bij het kaartspel, een derde - de boekhouder - besteelt zijn meester. En al die rijke meneren, wie zegt dat ze eerlijk aan hun geld zijn gekomen? Dan komt hij bij een huis in de buurt van de kalkoven. Voor het huis zit Dirk Thijssen, de boer. Ghijsje vraagt onder-dak, en wat te eten. Dat kan, er is genoeg in huis.

De gauwdief eet en drinkt dat het een lust is. Hij blijkt in Ouderkerk te zijn aangekomen. Hij vertelt de boer dat hij uit Keulen komt. De boer zegt hem dat hij tot zondag moet blijven. Dan is er feest en maakt men muziek. Men danst en drinkt en eet, want moeder de vrouw, die kan koken als de beste. Maar de tijden zijn slecht geworden; het volk dat aankomt is ook al niet best. Gelukkig hebben we nog de koe: dat is er een, die je in de hele streek niet beter vindt.

De gauwdief, die de rijke koopman speelt, vraagt vroeg gewekt te worden. Hij wil op tijd in Amsterdam aankomen. De boer, die ook meegaat, zal hem om twee uur wekken, dan zijn ze om vijf uur in de stad.

In een volgend tafereel bevinden we ons in Amsterdam, waar Joosje, de optrekker (=doordraaier) op straat loopt te zingen: hij heeft ruzie met zijn vrouw gehad. Trouw nooit, want dan ben je verloren! Hij geeft een beschrijving van zijn vrouw, die zeer onvoordelig uitvalt. Hij heeft inmiddels Het Swarte Paert bereikt, en besluit daar eens een kijkje te nemen. De waardin Giertje van Vrieslant weigert hem open te doen: het is al elf uur, er wordt niet meer getapt. Vanzelfsprekend zit hij even later achter een pot bier. Uiteindelijk valt hij op zijn stoel in slaap, dronken. Giertje maakt de rekening op, die ruim wordt opgenomen. Het is inmiddels twee uur geworden; de ratelwacht doet zijn ronde. Giertje gaat tevreden naar bed.

In het volgende toneel bevinden we ons ergens tussen Ouderkerk en Amsterdam. Midden in de nacht in de Gauwdief opgestaan, heeft de vette koe uit de stal gehaald en brengt haar nu bij een hooiberg in de buurt van Cost-verloren, een hofstede. Hoe het zal aflopen, is voor de dief ook nog een probleem. Met spoed keert hij weer terug naar de boer. Niet lang daarna komt de boer hem wekken, en dan begeven ze zich op weg, vrolijk pratend over allerlei dingen; pas echter op voor de boerenknechten zoals Hans Poodt, want die staan zo met het mes klaar.

Dan naderden ze Cost-verloren. Ghijsje vertelt de boer dat hij nog geld tegoed heeft (met alle rente) van de eigenaar van de hofstede. Dat kan hij nu meteen innen. De boer zal op hem wachten.

In een monoloog van de boer horen we het een en ander over de buurt: Lange Dirk van Diemen is door en door gierig. Piet Quist-goed die met Dirks dochter Marietje vrijt, weer echter wel raad met het geld. Dat geldt ook voor Jelis Francxsz Licht-hart, die met Mary Mosels is getrouwd. Haar vader had heel wat geld opgepot, maar Jelis verkwist het. Trouwens, zegt de boer, het gebeurt vaak dat een spaarzaam mens bestolen wordt door een oplichter. Met enig ongeduld wacht hij op Ghijsje, die spoedig komt met de koe! De boer van de hofstede zou hem deze koe hebben aangedrongen, inplaats van geld.Ghijsje speelt de komedie zeer knap.

De boer bewondert de koe en zegt dan: "Ja dat ick 't niet wel en wist. Ick seyde 't is mijn koe, seker me dunckt, hij ist." Ghijsje brengt het gesprek handig op een ander onderwerp: wat een stuk werk is de inpoldering toch! Dan vraagt hij brutaal of de boer de koe voor hem wil verkopen: hij, de koopman, kan zoiets toch niet doen. (Tevoren hebben we gehoord: "Ick bin t'Amsterdam om mijn boevery wel bekent.") De boer stemt erin toe. Zij zullen elkaar daarna in Het Swart Paert ontmoeten.

Daar is inmiddels Joosje, de optrekker, uit zijn roes ontwaakt. Hij begint dadelijk weer te drinken, want om nu thuis te komen bij zijn vrouw, is geen prettig vooruitzicht. Liever vrijt hij met Giertje, de waardin. Dan komt de gauwdief binnen. Het woordenspel dat nu volgt, is een prachtig voorbeeld van sterke dialoog. Het drietal klinkt samen! De komst van de boer brengt nieuwe vrolijkheid. Hij heeft de koe verkocht voor 10 pond rood geld, dat hij aan de gauwdief geeft. Nu kan het feest echt beginnen; de gauwdief zal betalen. Vlees of vis moet er komen. Giertje mag dat niet verkopen. Geen nood, de gauwdief zal het gaan halen bij Pieter de Kock. Giertje leent hem twee plattelen, de optrekker leent hem zijn mantel, waaronder hij de lekkernijen kan verbergen. Ghijsje heeft zijn plannetje al klaar: de geleende spullen zal hij wel weten te verkopen. De boer en de optrekker feesten ondertussen door, met Giertje op hun schoot. De domme boer kan geen kwaad woord horen van de Gauwdief: het is zo'n fijne meneer.

Het volgende fragment is vooral spottend. De mode van velen om Frans te spreken wordt fijntjes aan de kaak gesteld. Het feest wordt verstoord als Keesje komt, het zoontje van de boer. Huilende komt hij de herberg binnen en vertelt zijn vader, dat de koe is gestolen. Nu begrijpt de boer dat hij door de gauwdief op slimme wijze is beetgenomen.

Voor hij weggaat, moet hij echter het gelag betalen (een Spaanse kluit). Giertje is haar borden kwijt en de optrekker zijn mantel. De boer vraagt de waardin te zwijgen over het gebeurde: "Hij het ons allegaer over een kam geschoren." De optrekker betaalt zijn aandeel in het gelag en spreekt het slotwoord: "Hij hetter niet gestolen, wij hebben hem alle drie gegheven."


Personages
De gauwdief is een slank, schrander en keurig gekleed type. Zijn optreden is gereserveerd, alsof hij eigenlijk te goed is voor de boer. Soms doet hij opzettelijk joviaal.

Dirk Thijssen is een naïef boertje: goedig, argeloos, dom, trots op zijn vrouw, zijn koe, zijn rederijkerskunst en zijn mensenkennis (die hij niet heeft). Hij acht de dief een eerlijke en net man, wiens eer men niet na hoeft te komen. Als hij bedrogen blijkt te zijn, weet hij in 't onvermijdelijke te berusten. Hij heeft zelfs nog gevoel voor humor voor het geval.

Friese Giertje is - haar naam zegt het al - een gierige, inhalige vrouw, die van haar klanten haalt, wat er van te halen is. Ze is bijdehand en niet op haar mondje gevallen. Om haar doel te bereiken is ze afwisselend flemerig, joviaal en vinnig. Dit komt duidelijk uit aan het slot.

Joosje, de optrekker heeft geen kwaad karakter, maar is zwak: een vent zonder ruggegraat, die vaak behoefte heeft om moed te drinken. Zijn uiterlijk is niet erg verzorgd.

Keesje, de boerenzoon is klein van postuur. Hij heeft een flinke, vrij hoge stem.


Literatuur geschiedenis
OORSPRONG

Bredero heeft deze geschiedenis niet zelf verzonnen of aan de werkelijkheid ontleend. Zijn werk is dus niet oorspronkelijk. Vermoedelijk heeft hij het verhaal gelezen in de Hollandse vertaling van een 16e eeuws Duits boekje met grappige vertelsels in proza. De verhouding van Bredero's klucht tot het oorspronkelijke verhaaltje is echter ongeveer als die van een schilderij van vrijwel volmaakte compositie, treffend van toon en prachtig van kleur, tot een eenvoudige potlood-schets.

De 17e eeuwse Amsterdamse dichter, die zo treffend het lagere vol wist uit te beelden, heeft de gegeven stof uitgewerkt tot een toneelstuk, dat eigenlijk alleen verouderd is wat de taal betreft.

Om het hoofdmotief van het stuk heeft Bredero allerlei bijwerk aangebracht. Zo heeft hij tussen het ter ruste gaan van de hoofdpersonen en de diefstal, diep in de nacht, een toneeltje ingevoegd, dat ons vertrouwd maakt met de persoon van de waardin en met de sfeer van de herberg, waar de ontknoping zal plaats vinden.

De ontknoping zelf is zo natuurlijk als het maar kan: de gauwdief is al lang en breed uit de voeten als Keesje de situatie komt ophelderen.

Inmiddels heeft de boer, in afwachting van een welverdiende smulpartij, ruim-schoots de tijd gehad om zijn redrijkerskunsten ten beste te geven. Met dit tafereeltje laat de auteur zien, dat de rederijkerij haar bloeitijd achter de rug had en dat ze hard bezig was een aangelegenheid van boeren te worden. 't Is een gegoochel met onbegrepen Franse woorden.



ACHTERGRONDEN

Bredero (1585 - 1618) behoorde tot de gegoede kleine burgerij en heeft een degelijke, maar eenvoudige schoolopleiding gehad. Naar eigen getuigenis was hij "een slecht (=eenvoudig) Amstelredammer, die maar weinig kindsschoolfrans in 't hoofd rammelde". Die kennis was weliswaar nog wel toereikend om een Frans sonnet te schrijven, maar inderdaad stond hij in ontwikkeling bij Cats, Hooft, Huygens en Vondel ten achter.

De klucht van de koe dateert van 1612. Van Cats en Huygens was toen nog niets verschenen. Vondel was destijds nog een onbelangrijk poeët; pas in 1625 zou deze dichter met zijn treurspel Palamedes algemeen de aandacht trekken.

Van Hooft waren evenwel reeds lyrische gedichten uitgegeven en drie toneelspe-len vertoond, o.a. Granida, waaruit zijn weergaloos meesterschap over de taal was gebleken. Uit zijn werk spreekt de renaissance in de Nederlandse letterkunde het sterkst en het duidelijkst. Hij was de begaafste der jongeren en Bredero nam de tweede plaats in.
Omstreeks 1585 begint de renaissance in de Nederlandse letteren. In Amsterdam kwam ze aan het woord in de rederijkerskamer De Eglantier, waarvan later Hooft en Bredero beiden lid zijn geweest. Vooral Spieghel en Roemer Visscher waren de mannen die de vernieuwing bevorderden. Op hun werk bouwden de jongeren voort.

De renaissance streefde naar een strengere taaltucht: bondige uitdrukking van gedachten, het gebruik van het juiste woord op de juiste plaats en zuiver Neder-lands. Er ontstond een meer beheerste kunst.

Een kenmerk van de nieuwe dichtkunst was een strenger versritme. De ontwikke-ling van het rederijkersvers tot het renaissancistische voltrok zich geleidelijk. In Bredero's lyriek treft men reeds heel veel regels aan met een duidelijk te onderkennen metrum. Vaak zijn het jamben: de z.g. Franse versmaat.

De klucht van de koe is evenwel nog geheel geschreven in de traditionele rederij-kersversregels. Daar in dit realistische toneelstuk personen van geringe stand praten, d.w.z. niet al te correcte taal gebruiken, is ook van taaltucht weinig of niets te bemerken. De taal heeft wel een duidelijk Hollands karakter en wijkt dus af van de 16e eeuwse Dietse modetaal, het Brabants, waarin uit den aard der zaak ook meer Franse woorden voorkwamen.

Het stuk vertoont kenmerken van het rederijkersvers, als de ongelijkheid in lengte van de regels; het dubbelrijm en het middenrijm. Bredero kende de lagere standen door dagelijkse omgang. Hij wist de taal ervan goed te imiteren. Maar ook Hooft en Huygens, ofschoon aanzienelijke burgers, doen in Warenar en Trijntje Cornelisdr. niet voor Bredero onder in de weergave van de omgangstaal van de mindere man.



SCHRIJVER

Een van de boeiendste schrijvers uit de zeventiende eeuw was de dichter Gerbrand Adriaanszoon Bredero, die in 1958 in een huis aan de Nes, in het hartje van Amsterdam geboren werd en in 1618 - op drieëndertigjarige leeftijd - stierf. Een ziekte die hij had opgelopen, toen hij met een slee door het ijs zakte, was hem fataal geworden.

Zijn korte leven heeft Bredero vrijwel uitsluitend in Amsterdam doorgebracht, een stad waarvan het inwonertal zich in zijn tijd uitbreidde van 30.000 tot 100.000. Zwervend door de stegen van deze stad, waar plotselinge rijkdom en schrijnende armoede hand in had gingen, heeft Bredero het leven met al zijn plezier en verdriet kunnen gadeslaan. Typerend is dan ook dat hij in zijn werk bewust koos voor de Amsterdamse volkstaal van zijn tijd in tegenstelling tot de literaire taal die door zoveel andere schrijvers gebruikt werd.

In zijn vele gedichten beschreef Bredero vooral de onweerstaanbare charmes van de meisjes, het genot van de alcohol en de kater van de volgende ochtend als zowel de meisjes en de drank de ongelukkige dichter in de staak hebben gelaten. Steeds terugkerend motief is hoe alles in het leven kan veranderen: Het kan verkeren. Vaak treft daarbij een ontroerend vertrouwen in God. Bredero's gedich-ten werden in 1622, dus na zijn dood, in het Boertigh, amoreus en aendachtigh groot loedboeck samengebracht.

Als toneelschrijver werd Bredero wel geïnspireerd door allerlei buitenlandse voorbeelden - vooral Spaanse ridderromans boeiden hem -, maar hij verwerkte ze meestal toch tot door en door Amsterdamse stukken, waarin prachtige beschrijvin-gen gegeven worden van het leven in de roerige, rosse binnenstad. Zijn belangrijk-ste stukken zijn: Griane (1612), De klucht van de koe (1612), De klucht van de molenaer (1613), Moortje (1615) en vooral De Spaanschen Brabander (1617).


Eigen mening
Het was wel een aardig boekje, alleen vond ik het erg storend dat het een klucht is. Want dan heb je echt zo'n soort toneelstuk idee en dat vind ik niet prettig lezen. Verder vond ik de domheid van de boer wel geestig.


Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen