U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : J. Bernlef - Eclips.
Deze versie komt van http://huiswerk.leerlingen.com/boekverslag/20097/ en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3142 woorden.

Vragen boekanalyse.



De naam van de auteur: J. Bernlef.



De titel van het boek: Eclips



De plaats en het jaar van de uitgave: uitgeverij Querido, Amsterdam.

1e en 2e druk in 1993



Aantal bladzijden: 168



Auteursgegevens.

2a.

Naar aanleiding van de publicatie in het blad Hoos maakte de recensent Hans van Straten een vergelijking met de dichter Marsman. Dat was voor de jonge Hendrik Jan Marsman reden na te gaan denken over een pseudoniem. Op een boekhandelscursus had hij net gehoord over de middeleeuwse Friese dichter Bernlef, van wie geen werk bewaard was gebleven. Die naam, voorafgegaan door de beginletter van zijn tweede voornaam, werd zijn pseudoniem.

2b. Er zijn geen bijzonderheden over het leven van de schrijver waarvan ik weet of vermoedt dat die iets met het verhaal te maken hebben.

Het verhaal heeft niet echt een motto of een opdracht.

2c. Het boek is denk ik niet autobiografisch. Dit weet je natuurlijk nooit zeker, omdat het verhaal in zo korte tijd zich af heeft gespeeld. Als het autobiografisch was, dan was dit vast wel ergens vermeld en ik heb er niets over kunnen vinden.



Tijd

3a. Het verhaal speelt zich af in het heden. In totaal zijn het maar een paar dagen waarin het verhaal zich afspeelt. Het is ergens midden in augustus.

3b. Dit heb ik gehaald uit de tekst:

Blz. 19: Natuurlijk, natuurlijk dit is gewoon een transistorradio.

Blz. 26: onder de stammen liggen twee platgetrapte colablikjes en een wikkel waar ooit biscuitjes in gezeten hebben.

Blz. 27: ervoor zie ik kroketten en gepaneerde frikandellen liggen.

Blz. 48: Bedspiralen, een dressoir met gapende gaten op de plaats waar eerst ruitjes hebben gezeten, latten vol kromme spijkers, scheefgezakte ijskasten met witte opengeklapte deuren, veel plastic voorwerpen in giftige kleuren, een Tomado-rek waar wasknijpers nog aan zitten, flarden van kledingstukken, een kartonnen doos vol plastic strandschoenen. Blz. 60: Zelf wonen ze in een stacaravan.

Blz. 110: ‘Vrijdag, ’ zeg ik en neem een slok van de bittere Nescafé.

Blz. 112: Overal liggen stukken krant en plastic……

Blz. 112: In een van de knotwilgen aan de overkant van de sloot hangt een los brommerwiel.

Blz. 152: ……het huis verlaten hebt, in een Peugeot 203, kenteken DJ-34-ST, bouwjaar 1986.

3c. * Nieuwe uitvindingen

* Dingen zo comfortabel mogelijk maken voor de mensen. (vb. colablikje)

* Overbodige luxe

* Vriendelijk zijn voor andere mensen en aandacht hebben voor het milieu.

3d. Het verhaal wordt chronologisch verteld met af en toe een paar flashbacks.

3e. Er zitten niet echt grote sprongen in het verhaal, maar wel kleine tijdsprongen.

Blz. 24: Kees zit eerst op een volkstuinencomplex en dan ineens loopt hij tussen kantoorgebouwen, fabriekshallen en loodsen. Steeds als hij er even niet bij is met zijn gedachten, worden er volgens hem dingen neer gezet die er eerst niet waren.

3f. Ja, het verhaal bevat flashbacks.



'Zet de radio is aan.' Het klinkt als een bevel.

'De stroom is dood,' zeg ik en leg mijn rechterhand beschermend op het aluminium kastje voor mijn borst.

'Je bedoelt dat de batterijen leeg zijn,' zegt hij.

Ik knik.

'Zeg dat dan,' antwoord hij in en accent dat me vaag bekend voorkomt. De man is me totaal vreemd, maar het dialect dat hij spreekt ken ik.



Blz. 59. Dit stukje uit het boek geeft een soort flashback weer, zoals die de hele tijd in het boek voorkomen. Kees herinnert iets van zichzelf door het mee te maken. Hij hoort het dialect en weet dat ergens binnen in hem het antwoord is.

3g. Er verlopen 11 dagen tussen het begin en het einde van het boek.



Verhaalruimte.

4a. Het verhaal speelt zich af in Nederland, tussen Bergen aan Zee en Haamstede.

4b. Er wordt niet echt gepraat over steden maar meer over ruimtes: vuilnisstortplaats, nieuwbouwhuizen, braakland, weilanden en een autokerkhof.

De sfeer is soms heel gezellig, bij IJe bijvoorbeeld. Hij voelt zich daar erg op zijn gemak. Maar bij de autodieven is de sfeer weer heel anders, daar vond Kees het helemaal niet gezellig.



Verteller(perspectief)

5a. Het verhaal wordt verteld door de 'ik' -persoon Kees Zomer.

Degene die het verhaal leest ervaart het in het begin net als de hoofdpersoon, alle dingen die gebeuren zijn onduidelijk omdat Kees een hersenbloeding heeft gehad en daardoor moeilijk kan praten. Vaak kom je dan ook stukjes tegen als:

Mijn faam, wat natuurlijk mijn naam moet zijn.



Personages.

6a.

Kees Zomer.

Hij is de hoofdpersoon in het verhaal. Kees krijgt na een ongeluk een hersenbloeding en raakt daardoor een beetje de kluts kwijt. Hij heeft moeite om te communiceren en lopen gaat in het begin ook niet al te best. Hij heeft niet echt invloed op de andere personages, het is eigenlijk omgekeerd. IJe en Toos helpen hem alleen maar. Hoe oud hij precies is kun je niet uit het verhaal opmaken. Rond de 30 schat ik hem. Hij heeft een fijn karakter, maar dit is niet altijd zo. Door de hersenbloeding kan zijn karakter ook best beïnvloed zijn.

6b. Ja, Kees is ook de verteller van het verhaal.

6c. De belangrijkste bijfiguren:

Toos.

Kees ontmoet haar in een cafetaria, doordat Toos hem een paar broodjes aanbood. Samen gaan ze naar een afgelegen plekje, maar al gauw gaat Kees weer er van door. Ze helpt Kees voor een nacht onderdak.

Cor en Karel.

Dit zijn twee autodieven die Kees ontmoet op de vuilnisstortplaats Ze nemen Kees in de 'maling', ze maken misbruik van hem omdat ze toch zeker weten dat hij niet helemaal honderd procent is.

IJe.

Is een ex-boer en verdient zijn geld door spullen te ruilen tegen natuurproducten. Ook hij helpt Kees.



Novelle/roman

7a.

Het is een roman. Het heeft meer dan 120 bladzijden(168) en het heeft meerdere intriges.



Thema

8a.

het thema is desoriëntatie



Idee

9a.

Het idee is dat mensen raadsels zijn voor elkaar(en voor zichzelf). De schrijver probeert duidelijk te maken dat als je een 'handicap' hebt dat je meteen er buiten valt.



Motieven

10a.

electro-spel: het electro-spel komt een paar keer voor, en zorgt ervoor dat herinneringen weer geordend worden. Ik denk dat dit een motief is omdat het steeds terug keert in de tekst als hij iets bekends ziet.

Muziek: staat voor een middel dat zijn linkerhelft van zijn lichaam en de wereld terugbrengt. Door de muziek kan hij zijn linkerhelft weer beheersen en beter nadenken: 'Dan begint de muziek……… Het is er weer mijn linkeroor!' (Blz. 19) Ook roept de herinneringen uit het verleden op. Maar zo gauw als de muziek ophoudt, is het 'middel' voor het grootste deel uitgewerkt. Ik zet de radio overeind en draai aan de knoppen. Maar de muziek is onvindbaar. Een vrouwenstem kondigt een programma over bloemschikken aan en noemt de tijd. Halfelf. De tinteling blijft.

Een kleinood is geboren aan de linkerkant, in het omringende niets. Ik ontklem het met mijn rechterhand.

Spiegel: Hij confronteert zich met zichzelf.

Afval: Het is in het boek een symbool voor Kees zijn geheugen. Het afval is namelijk vergelijkbaar met het geheugen van Kees. Eerst waren de dingen die nu afval genoemd worden bruikbare spullen die door mensen werden gebruikt, maar nu is het afval geworden en nutteloos. En zo is het ook met geheugen: eerst was het geheugen nog intact en kon het goed gebruikt worden, maar dan is het geheugen opeens beschadigd en eigelijk nutteloos geworden, net als afval.



Titelverklaring

11a.

De titel van het boek is erg verklaarbaar: een eclips is een verduistering van de zon of de maan. Kees, de hoofdpersoon, voelt in het begin de linkerkant van zijn lichaam niet meer, maar het gevoel komt later weer terug. Dit kun je dus vergelijken met een verduistering want die wordt ook weer helder.















J. Bernlef werd als Hendrik Jan (Henk) Marsman op 14 januari 1937 geboren in Sint-Pancras in de buurt van Alkmaar. Zijn jeugd bracht hij door in Amsterdam-West en in 1949 verhuisde het gezin Marsman naar Haarlem. Terug in Amsterdam in 1954 kreeg de jonge Henk op de HBS Nederlands van de schrijver Rob Nieuwenhuys die hem en zijn vrienden Gerard Stigter en Gerard Bron

(de latere K. Schippers en Gerard Brands)

in contact bracht met het werk van

schrijvers als Nescio, Elsschot en Carmiggelt.

Na zijn eindexamen in 1955 studeerde hij zes

maanden aan de faculteit voor politieke en

sociale wetenschappen aan de Universiteit van

Amsterdam en werkte vervolgens bij een

boekhandel en een uitgeverij. Najaar 1956, vlak

voor de Hongaarse opstand, moest hij in dienst.

In 1957 verbleef hij drie maanden in het

Militair hospitaal Austerlitz. In deze periode

debuteerde hij met het onder zijn eigen

naam geschreven verhaal 'Mijn zusje Olga' dat later verscheen in het blad 'Hoos'. Naar aanleiding van die publicatie maakte de recensent Hans van Straten een vergelijking met de dichter Marsman. Dat was voor de jonge Henk Marsman reden na te gaan denken over een pseudoniem. Op een boekhandelscursus had hij net gehoord over de middeleeuwse Friese bard Bernlef, van wie geen werk bewaard was gebleven. Die naam, voorafgegaan door de beginletter van zijn tweede voornaam, werd zijn pseudoniem.



Na zijn diensttijd trok hij in 1958 naar Zweden, waar hij in de ban kwam van het weerbarstige landschap. Tot 1960 pendelde hij tussen Nederland en Zweden heen en weer. Definitief terug in Amsterdam werkte hij tot 1965, toen hij besloot van het schrijven te gaan leven, bij een grote importeur van boeken. In 1960 trouwde hij met Eva Hoornik met wie hij twee kinderen kreeg. Zijn vriend Gerard Stigter trouwde met Eva's tweelingzusje.

Met Stigter en Brands richtte hij het 'tijdschrift voor teksten' 'Barbarber' op dat tot 1971 bestond. In 1977 was hij betrokken bij de heroprichting van 'Raster', een blad waarvan hij geruime tijd redacteur was. Als criticus schreef hij daarnaast voor uiteenlopende kranten en tijdschriften, zoals 'De Groene Amsterdammer', 'De Gids' en de 'Haagse Post'.

Een specifieke belangstelling heeft Bernlef altijd gehad voor de jazz, een onderwerp waar hij dan ook het nodige over geschreven heeft. Hij vervulde een bestuursfunctie bij de Stichting Jazz in Nederland.





J. Bernlef, de naam van een blinde Friese dichter uit de achtste eeuw, is het pseudoniem van Hendrik Jan Marsman. Op 14 januari 1937 komt hij ter wereld in St. Pancras, en de rest van zijn kinderjaren woonde hij in Amsterdam en Haarlem. In 1960 debuteerde hij met de dichtbundel Kokkels en voor het prozawerk Stenen Spoelen kreeg hij datzelfde jaar de Reina Prinsen Geerligprijs. Dan, in 1964, wijdt hij zich geheel aan het schrijven.

Hersenschimmen (1984) was zijn doorbraak naar het 'grote publiek'. Hersenschimmen is een roman over dementie en over het bestaan daarvan.

Het boek Eclips heeft 168 bladzijden, en op de kaft van het boek is een foto van een Electro-spel afgebeeld. Dit heeft te maken met het feit dat het electromotief een belangrijke rol speelt in het verhaal.

De titel van het boek is ook erg verklaarbaar: een eclips is een verduistering van de zon of de maan. Kees, de hoofdpersoon, voelt in het begin de linkerkant van zijn lichaam niet meer, maar het gevoel komt later weer terug. Dit kun je dus vergelijken met een verduistering want die wordt ook weer helder. In het begin is het misschien niet helemaal duidelijk wat de kaft van het boek te maken heeft met het verhaal, maar hoe verder je komt, des te meer begrijp je het.



In de auto krijgt Kees Zomer een hersenbloeding, en rijdt daardoor de sloot in. Wonder boven wonder komt hij de auto uit, maar hij merkt dat de linkerhelft van zijn lichaam niet meer goed functioneert. Omdat hij niks meer van zich zelf herinnert, dus ook zijn naam niet, gaat hij zwerven. Hierdoor ontmoet hij een aantal mensen die net als hij eenzaam en alleen zijn. Doordat Kees naar het radiootje luistert, dat hij gevonden heeft in een tuinhuisje, krijgt hij bepaalde prikkels waardoor hij weer een beetje gevoel krijgt in de linkerhelft van zijn lichaam. Nadat hij door een paar boeven is gedumpt, en IJe (een ex-boer) heeft ontmoet, gaat hij verder met zijn zoektocht naar de bekende wereld. Hij wordt gevonden door een politieman en daarna weer veilig thuisgebracht.



Dan begint de muziek. Een piano. En opeens voel ik mijn linkeroor!

Trefzeker grijp ik het vast. Waar komt het zo opeens vandaan? Met mijn vingers masseer ik de tintelende oorrand, het lelletje. Het is er weer mijn linkeroor!



Dit moment is best wel belangrijk in het verhaal. Hier ontdekt hij dat wanneer hij het radiootje aanzet, hij het gevoel in de linkerhelft van zijn lichaam weer terug krijgt. Dat is ook de reden dat hij het radiootje om zijn nek hangt.



'Zet de radio is aan.' Het klinkt als een bevel.

'De stroom is dood,' zeg ik en leg mijn rechterhand beschermend op het aluminium kastje voor mijn borst.

'Je bedoelt dat de batterijen leeg zijn,' zegt hij.

Ik knik.

'Zeg dat dan,' antwoordt hij in een accent dat me vaag bekend voorkomt. De man is me totaal vreemd, maar het dialect dat hij spreekt ken ik.



Dit stukje uit het boek geeft een soort flashback weer, zoals die de hele tijd in het boek voorkomen. Kees herinnert iets van zichzelf door het mee te maken. Hij hoort het dialect en weet dat ergens binnen in hem het antwoord is.



Het boek Eclips is een leuk boek om te lezen. Het onderwerp sprak mij wel heel erg aan. Doordat het onderwerp mij heel erg aansprak, vond ik het moeilijk om het boek weg te leggen, en als je de tijd had zou je het boek zeker in een keer uit lezen.

Het taalgebruik was erg duidelijk.

Dat het taalgebruik erg eenvoudig is komt doordat er nauwelijks gebruik wordt gemaakt van moeilijke woorden of lange zinnen. Hieronder is een stukje uit het boek weergegeven.

Doordat de schrijver lange en korte zinnen door elkaar heeft gebruikt wordt het verhaal niet alleen makkelijker om te lezen maar ook levendiger. Je kunt je goed inleven in de gebeurtenissen van Kees, doordat het verhaal door Kees verteld wordt.

Ook zie je in deze tekst dat het taalgebruik niet zo heel moeilijk is. Er komen geen gekke dingen in het boek voor, zoals moeilijke spreekwoorden of gezegdes.



Ik kom overeind. Mijn knieën knikken en steken, kunnen het gewicht van mijn lichaam nauwelijks meer dragen als ik de naam op de steen voor mij opnieuw lees, nu alleen met mijn ogen.

Ik draai mij om en vlucht het kerkhof af. Het dorp ligt voor me. Een lange straat met aan weerszijden huizen en een paar winkels. De Bovenweg.

Ik houd mijn passen in. Onopvallend moet ik het dorp betreden. Alsof ik inderdaad dood ben, zoals Kees Tol die daar achter mij op het kerkhof ligt; alsof de mensen op straat mij niet kunnen zien zoals ik hen zie, zoals ik hen herken.





Toch is het taalgebruik ook wel een beetje ouderwets. Er staan veel stukjes in het die heel erg ouderwets overkomen:



* "Helaas heb ik geen papier om deze om deze feiten op te boekstaven."

* ……… nabij en toch veraf. Klaarblijkelijk of zo.

* Ik loop langs de zijkant van het doktershuis. De siertralies voor de keldervensters zitten



Door het ouderwetse, wat je eigenlijk helemaal niet gewend bent, is het soms moeilijk om je in het verhaal in te leven. Het taalgebruik wordt ineens heel leuk als Kees iemand tegenkomt en daar probeert iets tegen te zeggen: heel veel woorden in een super-onlogisch verband.



Eclips echt een aanrader. Het boek is te beschouwen als een pendant van Hersenschimmen. In Hersenschimmen gaf Bernlef de teloorgang van een wereld neer, maar in Eclips zien we hoe een wereld stapje voor stapje wordt teruggewonnen, tot hij bedrieglijk op de wereld van vroeger lijkt. Dan zonder de vanzelfsprekendheid van voor de eclips. Ga dus gauw naar de bibliotheek of boekhandel en zorg ervoor dat je dit leuke boek leest.







Samenvatting.



Als Kees Zomer op weg is naar een goede vriend van hem, krijgt hij een hersenbloeding, waardoor de linkerkant van de wereld verdwenen is. Daardoor trekt hij met zijn auto naar rechts en rijdt de sloot langs de weg in. De auto begint snel te zinken, maar wonder boven wonde komt hij toch weer boven water. Dan merkt hij dat niet alleen de linkerkant van de wereld er niet meer ziet, maar dat het ook lijkt alsof de linkerhelft van zijn lichaam niet meer bestaat. Hij is compleet uitgeput en raakt buiten bewustzijn.



Wanneer hij weer ontwaakt loopt hij door een grasland totdat hij bij een omheind gebouw komt. Hij wil daar wat vragen maar wordt daar weer weggestuurd omdat hij wordt aangezien als een zwerver. Na een lange wandeling komt Kees bij een volkstuinjescomplex. Hij vindt een huisje dat niet is afgesloten. Binnen probeert hij een krant te lezen, maar na een tijdje beseft hij dat hij dit ook al niet meer kan. Slapen, dat is het enige wat hij wil en hij valt dan ook al snel in slaap.



De volgende morgen wordt hij al weer vroeg wakker en ziet dan een radiootje naast hem liggen.

Terwijl hij het radiootje aanzet t en daaruit de muziek hoort spelen, voelt hij het linkerdeel van zijn lichaam terugkomen. Maar zodra de radio uit gaat, dooft dat gevoel ook weer meteen.

Kees schrikt, er staat een man naar hem te kijken. Het is de eigenaar van het tuinhuisje, en die stuurt Kees weg. Kees wist nog net het radiootje mee te nemen.



Met de radio om zijn nek gebonden loopt Kees weer verder tot hij bij een soort snackbar komt. Omdat hij sinds het ongeluk niets meer heeft gegeten gaat hij naar binnen. Toos, een onbekende vrouw voor hem, biedt hem een paar broodjes aan. Samen gaan ze verder zwerven en overnachten dan uiteindelijk in een nieuwbouwwijk. Als ze de volgende dag eten gaan zoeken op de vuilnisbelt vindt Toos een oude naaimachine. Deze gaat ze verkopen in de stad en ze laat Kees alleen achter. Dat Toos zoiets zou doen had Kees niet verwacht.



Kees was nog een beetje in een berg op de vuilnisbelt aan het zoeken, toen hij twee mannen zag die nummerplaten aan het verstoppen waren tussen het vuil. Kees wordt door de twee mannen ontdekt en ze nemen hem mee naar een autokerkhof waar Cor en Karel woonden. Kees wordt voor een klusje gebruikt en later gedumpt langs de weg.

Een andere man vindt hem. Het is IJe. Ook daar blijft hij niet lang. Als IJe aan het douchen is in het lijken huisje vertrekt hij, opzoek naar de bekende wereld.

Kees stopt bij een boekenwinkel. Kees herkent deze winkel en gaat daarom naar binnen. De verkoper kent Kees, maar Kees hem niet. De verkoper besluit de politie te bellen omdat hij door hij dat Kees niet helemaal normaal is. De politie vindt Kees even later op het strand. Kees is dan weer helemaal normaal en heeft zijn gevoel weer terug in zijn linker helft van zijn lichaam.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen