U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Kees Van Beijnum - Dichter Op De Zeedijk.
Deze versie komt van http://huiswerk.leerlingen.com/boekverslag/20094/ en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2456 woorden.

1. De auteur van het boek is Kees van Beijnum. Deze naam is geen pseudoniem.



2. Het boek heet Dichter op de zeedijk.



3. De uitgever van Dichter op de zeedijk is Nijgh & Van Ditmar. Deze uitgever zit in Amsterdam. Het boek dat ik gelezen heb is de vijfde druk. Deze druk is gemaakt in november 1995.



4. Samenvatting

Het grootste deel van zijn leven had Constant Wegman onder het biljart doorgebracht. Daar, in dat schemerige hol, bereikten de stemmen en de muziek hem als het holle gerommel wan een schelp. Soms versmolten de mannen en vrouwen in het café voor zijn ogen tot een groot, drinkend, grommend en rokend wezen met tientallen koppen en handen die hun best deden de dorst van het monster te lessen. Een andere keer, zoals nu, trok juist een enkel paar benen zijn aandacht; de bedachtzame wijze waarop ze voor zijn hol langs schoven maakte hem onrustig, zonder dat hij precies begreep waarom.



Uit: Kees van Beijnum, Dichter op de Zeedijk

Een boek dat zich afspeelt in de Amsterdamse rosse buurt loopt het gevaar een soort streekroman te worden vol pittoreske details en valse romantiek à la Albert Mols Wat zien ik. Kees van Beijnum (1954) ontwijkt dit gevaar subliem. Hij beschrijft het milieu dat tenslotte alleen door buitenstaanders als romantisch wordt ervaren, van binnenuit. Dichter op de Zeedijk is allerminst pathetisch of sentimenteel. Wel nostalgisch, want de Zeedijk waar de hoofdpersoon Constant Wegman opgroeit in het ietwat louche hotelcafé van zijn grootmoeder, bestaat niet meer. Die is ten onder gegaan aan drugs en de daarbij behorende verloedering.

De overgang van een wat ruwe, ordinaire maar wel gezellige uitgaansbuurt naar een onveilig gebied waar junks en dealers de sfeer bepalen, voltrekt zich tegen het einde van het boek. Het kind is dan een jaar of veertien en ondergaat de verandering met pijn in zijn hart. Allerlei dramatische gebeurtenissen wijzen vooruit naar het onherstelbare verlies van zijn buurt dat tegelijkertijd het einde van zijn jeugd zal zijn.

Dichter op de Zeedijk, Van Beijnums tweede roman, bevat op het eerste gezicht voornamelijk een reeks prachtige en duidelijk authentieke caféverhalen. Onbevangen observeert en beluistert het kind de merkwaardige klandizie van zijn grootmoeder: hoeren, pooiers, opscheppers, hele of halve criminelen, zielenpieten. De vaste klanten, notoire zuiplappen, zijn hem net zo vertrouwd als naaste familie. Ze nemen de plaats in van zijn vader die hij nooit heeft gekend en zijn moeder die in een psychiatrische inrichting zit. De grootmoeder, tante Griet voor de habitués, is het epicentrum van zijn wereld. De auteur tekent een geestig en levensecht portret van deze archetypische waardin. Zij is een onmogelijk mens: keihard, vulgair, drank- en gokzuchtig, zeer op de centen en begiftigd met een zurige, platte humor die altijd ten koste van anderen gaat. Voor het kind is ze op haar manier zorgzaam en lief, wat alleen al blijkt uit het feit dat hij na de lagere school naar het gymnasium mag.

Wat het boek tot meer dan een verzameling mooie en goed vertelde verhalen maakt is dat de couleur locale, hoe nadrukkelijk ook aanwezig, toch voornamelijk als decor dienst doet. Het drama speelt zich af in het hoofd van het jongetje. Daar worden uit nood verdedigingsmechanismen geboren, waarmee hij zich in een wereld van onbetrouwbare volwassenen staande kan houden. De binnenwereld is per saldo interessanter dan de buitenwereld. Ontroerend en zuiver is bijvoorbeeld de manier waarop Van Beijnum laat zien hoe het jongetje in het norm- en cultuurloze milieu zijn onschuld bewaart en zijn fantasieën in stand houdt. Als hij verliefd wordt op de beeldige nieuwe buffetjuffrouw Muis die de passie van alle klanten opwekt, weet hij dat zijn gevoel voor haar groter is dan dat van haar volwassen belagers. Haar verloedering - als meisje uit de provincie is ze niet bestand tegen de Zeedijk - doet aan dat gevoel niets af. Tegelijk is haar aftakeling symbolisch voor het verval van de buurt.

Een belangrijke ervaring doet Constant trouwens buiten de buurt op als hij in het Rijksmuseum naar aanleiding van een schilderij van Vermeer ontdekt dat er achter de zichtbare werkelijkheid nog vele andere werkelijkheden kunnen schuilgaan. Met deze stille verwijzing naar de Vermeer-minnende Marcel Proust laat de schrijver zien hoe zich in het kind een kunstenaar aan het vormen is.

Minder subtiel zijn de talloze verwijzingen naar Vondel. De dichter die een paar eeuwen eerder als winkelier in de Warmoestraat een buurtgenoot was en bovendien een zoontje had dat Constantijn heette wordt een soort vader voor Constant. In imaginaire gesprekken geeft hij de jongen dicht- en levenslessen.

Deze gelukkig niet zo talrijke passages zijn de minst geslaagde. Ze veroorzaken een stijlbreuk met de in soepel en beeldend proza beschreven avonturen en observaties van het kind. Ook inhoudelijk stellen de Vondel-stukjes niet veel voor. Intrigerende dan Vondels nogal zouteloze wijsheden zijn de levenslessen die Constant in het café krijgt. Zo wordt hij al jong geconfronteerd met de vraag of je als leverancier van drank of dope medeplichtig bent aan iemands ondergang.



Waarom Vondel



Van Beijnum; “En waarom Vondel: niet omdat ik nou zo verschrikkelijk veel met hem als dichter heb. Het heeft te maken met het feit dat ik als jongen ontdekte dat Vondel een paar huizen van ons af in de Warmoesstraat had gewoond. Ook op school merk je al vlug dat Vondel een hele naam is. En die beroemde dichter heeft in dezelfde straat als jij gewoond, bij wijze van spreken over dezelfde keitjes... een dichter waar straten naar zijn vernoemd, die een park heeft waarin zijn standbeeld staat.. Hij betekent nog steeds veel voor me, want nu ik zo dicht bij het Vondelpark woon, ga ik eerlijk gezegd vaak eventjes bij hem langs. Soms zomaar om te zien hoe hij er staat: net op het punt een hele mooie zin op te schrijven, maar hij wacht op het laatste stukje inspiratie. Ondertussen staart hij in de richting van de buurt waarin wij nu samen in dit boek zitten. Toen: het boek klaar was, heb ik het ook aan hem laten zien: wat vindt u, is het goed zo?"

Dat het antwoord erop niet eenduidig is en dat de grens tussen medelijden en medeplichtigheid in de praktijk moeilijk te trekken valt, blijkt uit het roerende verhaal over de verslaafde café-hond Stella. Elke avond mocht het beest de in een lekschaal opgevangen bierrestanten opdrinken. Tot ze wegens een leververgroting werd drooggelegd. Het dier leed zwaar onder deze abstinentie: iedere avond zag de hond met een onverdraaglijk vertoon van smart toe hoe de inhoud van de lekschaal werd weggespoeld. De grootmoeder kan dit uiteindelijk niet meer aanzien. 'Zo is het toch ook geen leven', zegt ze en de jongen is het met haar eens. 'Die avond slobberde Stella de lekschaal weer leeg. Ze hadden hem extra vol gedaan, omdat ze zo lang niets had gehad. Een paar uur later lag ze stijf en koud op zijn grootmoeders bed. Ontkennen had geen zin: hun schuld'. Soms nuchter en zakelijk, soms uitvoerig, plechtig en bijna sentimenteel is de verteltrant van Van Beijnum. Lange, gedetailleerde beschrijvingen van personen, of voor Constant belangrijke gebeurtenissen worden vaak direct gevolgd door een korte zin. De stijl is fragmentarisch, hij schrijft in scènes en een klein voorval kan Van Beijnum aangrijpen om van iemand in sfeervolle taal een uitvoerige beschrijving te geven. Wanneer Van Beijnum gaat uitweiden over abstractere zaken, zoals onzichtbaarheid, dan wordt de taal waarvan hij zich bedient ook abstracter en poëtischer met meer dichterlijke adjectieven. Zo is het gezicht van zijn moeder 'gevangen in een egaal sneeuwwitte vlakte' (p. 53. Over het sluishoofd schrijft hij: 'Op het moment dat de deuren elkaar bijna raakten, werd het water kolkend voortgestuwd, dook het met een laatste, schuimende sprong door de nauwe kier' (p. 68).De taal van de Zeedijk drukt een duidelijk stempel op de taal van de roman. Drietje scheldt in bloemrijke taal, Ben doet regelmatig een duit in het zakje met zijn clichématige volkswijsheden (p. 45) en ook Constants grootmoeder heeft er weleens een paraat (p. 87). Bovendien geven de namen die de personages dragen een bepaald cachet aan de roman (Ben-van-het-deurtje, Lange Ton, Muis).Opvallend is, dat water en metaforen met water (zoals de duif die verdrinkt) niet alleen een belangrijke rol spelen, maar dat ook in de beeldspraak water regelmatig voorkomt: 'een eindeloze voortzetting van dat langzame wegdrijven' (p. 78). En namen zijn niet zomaar gekozen. Constant Wegman, is een jongetje dat zich continu van de werkelijkheid af beweegt om zijn heil te zoeken in zijn eigen fantasieën.



5. De hoofdpersoon in dichter op de zeedijk is Constant Wegman. In het boek gaat het, volgens mij, vooral om het karakter van Constant dus dat zal ik ook het karakter van Constant beschrijven. Het boek bestaat uit 4 delen (4 ‘levens perioden’), ik zal deze delen een voor een beschrijven.

 Deel 1: Constant is in dit deel ongeveer negen jaar. Constant is een kleine stille jongen. Hij houdt zich erg afzijdig van de klanten en bemoeit zich alleen met de paar vaste klanten. Door die gesprekken ‘verkent’ hij zijn omgeving.

 Deel 2: Constant is in dit deel ongeveer tien jaar. Hij verkent zijn omgeving nog meer door zichzelf ‘onzichtbaar’ te maken en zo achter iedereen aan te lopen (hij wordt zo gezegd geniepiger).

 Deel 3: Constant is in dit deel ongeveer twaalf jaar. Hij heeft zijn wereldje nu helemaal verkend en gaat zich dus dingen inbeelden. Een van de dingen die Constant zich inbeeld is ‘De dichter vondel’.

 Deel 4: Constant is in dit deel ongeveer dertien jaar. Hij kent iedereen om zich heen en gaat zich nu meer op de mensen richten. Hij wordt verliefd en raakt zijn moeder kwijt maar hij blijft trots op zich zelf.



6. De bijfiguren in Dichter op de zeedijk zijn;

 Grootmoeder; zij zorgt voor Constant in het boek. Ze houd van geld verdienen en runt het hotelcafé De Rode Laars.

 Edith; dit is de werkster die bij grootmoeder en Constant inwoont in ruil voor haar diensten.

 Drietje; dit is de vastte vaste klant van De Rode Laars. Hij is wees en werkt (en slaapt soms ook) op een bouwplaats. Soms blijft hij in het café zijn roes uitslapen (hij vertrekt dan weer s’ochtens vroeg) maar op een dag vindt Constant hem DOOD.

 Ben van het deurtje; dit is een kennis van Constant. Hij heeft een winkeltje in scheepsbenodigdheden. Constant hangt vaak in zijn winkel rond en Ben vertelt hem dan allerlei verhalen. Ben sterft aan het einde van het boek.

 Smeuling; een van de klanten van de Rodelaars die zich eens in de maand helemaal zat drinkt.

 Gijs van Mexico City; met hem gaat grootmoeder iedere zondag naar de paarde rennen. Hij haalt grootmoeder dan s’ochtens op in een grote Mercedes en brengt haar s’avonds laat weer thuis.

 Moeder; zij zit in een gesticht. Constant ziet haar maar twee keer in het boek. Ze pleegt ook in deel 4 zelfmoord.

 Dichter Vondel; dit is de enige bijfiguur die Constant zich inbeeld. Constant voert in zijn dromen hele gesprekken met hem en schrijft ook gedichten voor hem. Deze gedichten leest hij dan voor.

 Muis; dit is de Friese buffetjuffrouw die in het derde deel wordt aangenomen. Zij is ook de eerste vriendin van Constant (dit zegt hij zelf tenminste). Muis gaat later werken in Mexico City.

 Sjuul; dit is de vriend van Muis als ze in Mexico City werkt. Hij slaat haar in elkaar en Muis gaat weer terug naar Friesland

 Reinier; dit is een oude kennis van Muis die Constant over het verleden van haar verteld.



7. Het verhaal speelt zich af in de zestig jaren. Het verhaal is een grotendeels waar gebeurt verhaal.



8. Het verhaal is een recht toe recht aan verhaal dat soms verteld wordt tot op het kleinste detail vertelt wordt.



9. Het centrale probleem in het boek is de tegenstelling tussen fantasie en werkelijkheid.



10. De titel van de roman, Dichter op de Zeedijk, is voor meerdere uitleg vatbaar, maar zou ook goed vervangen kunnen worden door enkele zinsneden of woordgroepen uit de roman zelf.Met dichter op de Zeedijk wordt niet alleen Vondel, van wie onomstotelijk vaststaat dat hij een dichter is, bedoeld, maar ook Constant Wegman. De dichter van 'Denkend aan Holland' (p. 237) is hij weliswaar niet. Hendrik Marsman schreef dit bekende gedicht. Maar Constant is wel de dichter van zijn eigen beelden en fantasieën. En hij is een dichter. 'Zinnenspringend' maakt hij zijn eigen taal.'Dichter op de Zeedijk' zou ook begrepen kunnen worden als een nadere blik op, of dichterbij de Zeedijk.De roman laat de lezer immers zien hoe het er op de Zeedijk aan toe gaat.Equivalenten van de titel van de roman kunnen zijn 'Jongetje op de brug', zoals Constant vereeuwigd staat op de foto's van de toeristen (p. 56), of 'De Onzichtbare Jongen', zoals Constant zichzelf ook wel voorstelt (p. 159).



11. De levensloop van de auteur; Kees van Beijnum is geboren en opgegroeid in Amsterdam. Als telg van een horecageslacht bracht hij het grootste deel van zijn jeugd door in cafés en hotels van zijn familie, in de omgeving van de Zeedijk. Na het gymnasium volgde een niet-kinderachtig aantal baantjes, tot hij in 1991 besloot hij zich fulltime aan het schrijven te wijden. Dit heeft inmiddels diverse romans en filmscrips opgeleverd.

De boeken die Kees van Beijnum geschreven heeft zijn;

 Over het IJ (1991)

 Hier zijn leeuwen (1994)

 Dichter op de Zeedijk (1995)

 De ordening (1998)

 De oesters van Nam Kee (2000)



12. Dichter op de Zeedijk is een autobiografische roman over Constant Wegman tussen zijn negende en dertiende jaar. We zien alle gebeurtenissen door zijn ogen. Het verhaal doet zich aan de lezer voor als een mozaïek van anekdotes, dromen en fantasieën. De plaats van handeling is de Zeedijk en de directeomgeving.



13. Dichter op de Zeedijk beschrijft de ontwikkeling van een basisschoolkind tot aan zijn puberteit. Dat is het belangrijkste thema van het boek. Constant is niet eenzaam, want er zijn voortdurend mensen om hem heen, maar hij is wel een eenling, die afstand houdt van anderen. Hij is een kleine romanticus, in zoverre dat hij telkens vlucht in fantasieën om aan de opdringende wereld van de volwassenen te ontsnappen. Andere kinderen treden niet op in het verhaal.De tweede 'hoofdpersoon' is de Buurt. Ook de Zeedijk maakt een ontwikkeling door,en dat is tevens het tweede thema. De buurt raakt in verval, doordat de sociale samenhang tussen de verschillende bevolkingsgroepen verloren gaat.



14. Hier onder staan de bronnen die ik heb gebruikt beschreven;

 Ruijter, M.

Maak kennis met Kees van Beiijnum. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1999.

 Etty, Elsbeth

NRC Handelsblad 12-05-1995



 Lindo, Ann Mary

Het Parool 21-04-1995



Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen