U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Willem Elsschot - Het Dwaallicht.
Deze versie komt van http://www.scholieren.com/boekverslagen/1226 en is laatst upgedate op 28/07/1999.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 543 woorden.

Het Dwaallicht werd in 1946 geschreven door Willem Elsschot, een pseudoniem voor Alfons de Ridder. Er is ook een toneelstuk van gemaakt, maar het vreemde daarin is is dat de fictieve Afghani, fictief volgens de regisseur, niet worden gespeeld. Je weet niet of ze echt bestaan of slechts door de hoofdpersoon van het boek, meneer Laarmans, worden opgeroepen. Als dat zo is, en het niet gewoon een simpel verhaaltje is, betekent dat dat meneer Laarmans twee persoonlijkheden heeft. De ene is de goede christen die samen met de drie Afghani op zoek is naar Maria. De naam Maria zou het dan voor zijn gevoel een beetje moeten goedpraten, hij is op zoek naar een hoertje dat Maria heet. De andere ik van meneer Laarmans is degene die vrij wil zijn, wil ontsnappen uit zijn burgerlijke leventje met krant, pantoffels en vrouw.



De hoofdpersoon wordt dus heen en weer geslingerd tussen zijn Christenplicht, het helpen van de Afghani, en zijn erotische dromerijen. Een voorbeeld hiervan staat op pagina 17:"Maar waarom niet blijven? Waar plaats is voor drie is ook plaats voor vier, doch ik stoot die zondige gedachte met geweld van mij af." Dit is een goed voorbeeld van het innerlijke conflict tussen de twee ikken van meneer Laarmans. Een ander goed voorbeeld is aan het einde van het boek, als de Afghani al terug zijn naar hun schip de Dehli Castle:"Kom, oude sater, het is genoeg. Laat haar in vrede genieten van haar laatste sigaretten, dromen van haar sjaaltje en van haar pot gember. En loop door, dan wordt u wellicht de geilheid niet aangerekend die bij deze nachtelijke klopjacht uw stut is geweest." Dit stuk tekst komt van de goede, christelijke ik, die er iets van zou moeten zeggen dat Maria vanalles aan de Afghani belooft, geschenken aanneemt, maar geen afspraken nakomt. Die ook meteen om vergeving vraagt voor zijn onkuise gedachten, bedoelingen.



Eigenlijk is het hele verhaal wel gewoon verzonnen en verzint meneer Laarmans alles er gewoon zelf bij. Hij stapte op de tram, na mensen de weg hebben te gewezen en onderweg kreeg hij spijt, wilde hij niet naar huis, naar de dagelijkse sleur maar stak de vrij ik de kop op. Hij gaat alleen op zoek naar een hoertje, maar durft of wil steeds niet. Hij heeft wel in het café gezeten en was bang van de puistenkop dus verzon hij maar in zijn eigen droomwereldje dat Ali het puistengezicht vermanend toesprak. Dat zou hij immers zelf wel hebben gewild, maar ook dat doet hij niet. Hij dwaalt dus door de stad heen zonder ook maar iets wezenlijks te doen, denkt na over andere culturen, godsdiensten, gebruiken maar komt tot de conclusie dat hij het Christendom maar een vreemd geloof vindt. Als hij aan zijn fictieve volgelingen moet uitleggen waarom Jezus aan het kruis is gehangen, zegt hij dat dit Zijn eigen keus was. Dit vindt meneer Laarmans zelf zeer belachelijk klinken, maar dan overdenkt hij God erbij te betrekken, maar hoe God uit te leggen zonder het ontbrekende gedeelte van de drie-eenheid, de Heilige Geest, weet hij niet. En dus verzint hij voor zichzelf maar de smoes dat zijn Engels niet goed genoeg zou zijn om de Afghani duidelijk te maken wat hij nu eigenlijk bedoelt.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen