U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : W.f. Hermans - Nooit Meer Slapen.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=7841 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3218 woorden.

Willem Frederik Hermans - Nooit meer slapen

Beoordeling Ornée & Vermeer Tekstbureau



“Nooit meer slapen” (Amsterdam, Bezige Bij, 1966)



Samenvatting



De 25 jarige student in de geologie Alfred Issendorf, de ikfiguur, is naar Noorwegen gegaan om in het uiterste noorden, in Finnmarken, naar meteoorstenen te zoeken.Treft hij deze werkelijk aan, dan is daarmee aangetoond,dat de theorie van zijn leermeester, de Nederlandse hoogleraar Sibbelee, die door andere geologen wordt verworpen, juist is. Volgens die opvatting zouden bepaalde gaten, resp. meren, in de bodem van Finnmarken onstaan zijn door het inslaan van zulke meteorieten. Op zijn tocht zal hij volgens Sibbelee gebuik kunnen maken van luchtfoto's van het betreffende gebied, die de Noorse collega, professor Nummedal, een internationale beroemdheid, zou hebben.

De roman begint met bezoek van Alfred aan Nummedal. Na aan de portier, die later blind blijkt te zijn, een brief van Sibbelee te hebben overhandigd, wordt hij toegelaten bij de professor in diens kamer, hoog in het gebouw. In het gesprek, dat nogal eenzijdig door Nummedal wordt gevoerd, laat deze zich niet alleen uiterst kritisch uit over de Nederlandse wetenschap in het algemeen, maar ook over professor Sibbelee in het bijzonder.

Wanneer Alfred om de luchtfoto's vraagt, schijnen zijn woorden niet tot Nummedal door te dringen. Wel staat deze erop hem de omgeving van Oslo te laten zien.

Tijdens de wandling blijkt, dat Nummedal bijna blind is.Na een bezoek aan een restaurant leidt hij zijn bezoeker rond in de prachtige omstreken. Hij vertelt daarbij over allerlei dingen en `geeft college' aan de ongeduldig luisterende Alfred, die geen kans ziet aan het woord te komen. Wanneer hij er tenslotte toch in slaagt de luchtfoto's ter sprake te brengen, verwijst Nummedal hem naar de geologische dienst in Drontheim: `een prachtig nieuw gebouw'. Hij zal voor hem opbellen. In het vliegtuig leest Alfred over een Nederlandse Himalayaexpeditie waaraan o.m. wordt deelgenomen door de door hem bewonderde en benijde studievriend Brandel, die behalve wetenschapelijk begaafd ook bijzonder sportief is en vol levensdurf. Naast deze ondernemende, optimistische figuur heeft Alfred zichzelf altijd gezien als een bedeesde, beperkte kamergeleerde. Des te groter is daardoor zijn toch al aanwezige behoefte geworden om iets volkomen oorspronkelijks te doen, bijvoorbeeld een zeer bijzondere meteoriet te vinden : 'een brok uit de kosmos', een mineraal, dat dan naar hem zou worden genoemd. Een Issendorfiet. Al eerder, tijdens het verblijf in Oslo,zijn bij Alfred jeugdherinneringen opgekomen, die niet alleen mede de oorzaak zijn van het ontstaan van zulke wensdromen, maar die zelfs zijn levensloop tot op dit ogenblik grotendeels hebben bepaald. Nadat hij zich als jongen met veel moeite zelf fluit had leren spelen, had zijn moeder hem nadrukkelijk erop gewezen, dat het voor een fluitspeler onmogelijk was wereldberoemd te worden.Toen was hij dan maar stenen gaan verzamelen, want bioloog worden zoals zijn vader, wilde hij niet : een verkapte maar vergeefse poging zich aan diens invloed te onttrekken. De opvoeding door zijn moeder was bij alles erop gericht gebleven, dat hij de verhinderde grote wetenschappelijke carriere van zijn vader, die inZwitserland bij een val in een rotsspleet de dood had gevonden zal voltooien. Hij is zich als volwassene bewust geworden, dat hij de herinneringen aan zijn vader als een zware last met zich meedraagt, zoals Aeneas, die Troje ontvluchtte,het op zijn zwerftocht deed in letterlijke zin.

Wanneer Alfred in de nog maar ten dele afgebouwde flat,waarin de geologische dienst in Trontheim is ondergebracht, naar directeur Hvalbiff informeert, blijkt deze er niet te zijn. Hij wordt te woord gestaan door eenzekere Oftedahl, een onwezelijke figuur, die een operatie aan de hals heeft ondergaan : 'een kaak zonder keel'. Foto's zijn er niet; Nummedal schijnt ook niet te hebbben opgebeld. Alfred gaat per vliegtuig verder naar het noorden. In Tromsö is er even een intermezzo: hij ontmoet hier een 41-jarige Amerikaanse, getrouwd met een man die voortdurend naar de middernachtszon staat te kijken en ook overmatig dorstig is. Op haar voorstel om samen 'de eerste de beste lege hotelkamer binnen te huppelen' gaat hij niet in.

Na nog een stuk gevlogen te hebben, ontmoet Alfred in Alta Arne. Het is Arne geweest die hem in Amsterdam warm heeft gemaakt voor een gezamenlijke tocht naar Finnmarken. Evenals Qvigstad en Mikkelsen, de twee andere geologen, begint de eigelijke tocht.

Alfred is, ook als trekker, in het landschap waarin ze zich nu bevinden, verre de mindere van de anderen. Vooral bij het passeren van de rivieren blijkt dit: wankelend springt hij, beladen met een rugzak die heel wat lichter is dan die van zijn tochtgenoten, van steen tot steen.

Een ondraaglijke kwelling voor hem zijn, naast de ellende met voeten en benen, de overal aanwezige muggen.Maar hij houdt vol en verbijt pijn en vermoeidheid. Eenmaal weet Arne, wanneer hij bij een sprong naar een rotsblok valt, hem nog juist te grijpen. Arne neemt danzijn fototoestel en kaartentas van hem over om ze hem na het passeren van de rivier 'als een ridderorde' weer om te hangen. Maar zo goed gaat het lang niet altijd. Alfred dagdroomt meer dan eens op deze tocht. Dan zwerven zijn gedachten vaak weer naar zijn vader: was dat nu werkelijk zo'n man van betekenis als zijn moeder hem altijd heeftvoorgehouden? Hij herinnert zich een foto van de deelnemers aan een groot wetenschappelijk congres, waarbij van maar twee van hen de namen niet werden vermeld. Eenvan die twee was zijn vader.

De bodem wordt nu harder, ook de laatste dwergbeken verdwijnen, er zijn alleen nog maar stenen. De Lap, de'sterke man', die tot nu toe een deel van hun lasten heeft gedragen, gaat niet verder mee: gedrieën trekken ze voort. 'Een vreemd soort levendigheid maakt zich van ons meester,alsof de zon die nu weer doorkomt en alweer hoger staat,ons onverbiddelijk meesleurt in haar ritme, slaap of geen slaap. Ik voel mij trouwens zo wakker of ik pas uit bed kom.'

De muggen blijven een plaag, vooral 's nachts in de schamele tent van Arne, waarin Alfred vergeeft probeert te slapen naast zijn door alles heen snurkende tentgenoot. In de tent van Qvigstad en Mikkelsen, keurig afgesloten, dringt geen insekt door. Ze leven o.a. van vis (forellen) die ze zelf vangen en klaarmaken. En ook bij dit soort elementaire bezigheden voelt Alfred zich de man die niet helemaal mee kan. 'Ik heb niets te doen'. Aan de gesprekken,dikwijls van wetenschappelijke en levensbeschouwelijke aard, neemt hij wel deel. Degene die daarbij het minste meetelt, is Mikkelsen, die nooit verder komt dan het verkondigen van algemeen gangbare, afgezaagde meningen.

Op een keer gebeurt er iet vreemds. Alfred staat op een rots te praten met Arne, die bezig is met zijn nogal gammele fototoestel een andere rots te fotograferen. En dan 'flitst de wereld langs (hem) heen'. Als hij weer bij bewustzijn komt, ligt hij gewond naast een vuur, goed verzorgd door zijn reisgenoten. Arne zegt, dat hij wel dood had kunnen zijn. Alfred heeft zijn eigen niet uitgesproken gedachte: 'De val die ik heb gemaakt, is een repliek van de fatale val die mijn vader maakte'. De band met de anderen wordt er niet minder door. Samen ondergaan ze de natuur van het noorden: 'Rendieren. Dieren van sprookjes, kerstkalenders en ansichtkaarten. Herten met geweien van vilt. [..] Ik strompel voort, de anderen achterna [..]Iedere voetstap komt op een andersoortig terrein terrecht: mos, een steen en maakt een ander geluid. Daar doorheen het ruisen van de rivier.

Enkel als ik stilsta kan ik het grommen van de rendieren horen.'

Met Arne is Alfred het gauwst gelieerd. Het had ookQvigstad kunnen zijn. Ook hem bewondert hij; 'Qvigstad bijt in de wereld met de grote witte tanden. Hij zwaaitzijn hamer als een god. Hij spingt over de rivieren met de grootste lasten op zijn rug [..]’

Overigens blijft zelfs de geringste aanwijzing voor een mogelijk wetenschappelijk succes van Alfred uit: 'Ik heb acht ronde meertjes bestudeerd... Ik zie niets [...]'

Daartegenover Arne en Qvigstad: rustige, exacte werkers bij alles wat ze doen, ook bij het stenen verzamelen. Mikkelsen verzamelt gruis en zand in zakjes en stopt er zo nu en dan een grote kei bij als souvenir.

Een nieuwe beproeving is de regen. Bij het oversteken van een rivier voelt Alfred zich nu helemaal hopeloos. Dan even een opleving: ze komen langs ronde gaten. Maar 'geen spoor van een wal er omheen die opgeworpen zou kunnen zijn door een inslaande meteoriet'.

Alfred sleept zich nu voort met een opengescheurd rechterbeen en een opgezwollen enkel. Mikkelsen sjouwt een rendiergewei mee, alsof hij een toerist is.

Alfreds gevoel van afkeer ten opzichte van Mikkelsen groeit tot haat als hij ontdekt, dat Mikkelsen luchtfoto's aan het bekijken is. Hoe komt hij aan die foto's? Is ditmisschien een schakel in een wraakneming van Nummedal op Sibbelee, omdat die hem eens tegengesproken heeft op een congres? Heeft hij, na de brief van Sibbelee over de foto's, deze met opzet meegegeven aan Mikkelsen en hem een onderzoek in het noorden opgedragen dat gelijk was aan zijn, Alfreds onderzoek?

Hij vertelt aan de verbaasde Arne, datMikkelsen zijn luchtfoto's heeft. Zijn verhaal over Nummedals toeleg wordt door Arne en Quigstad niet serieus genomen: de hele zaak zal de oude Nummedal door het hoofd zijn geschoten. Maar natuurlijk wil Mikkelsen die foto's best laten zien. Inderdaad komt hij ze op Qvigstads verzoek onderdanig brengen. Samen met Arne bekijkt Alfred ze, maar er is niets, dat op de inslag van meteorieten wijst.

Eindelijk meent Alfred nu te begrijpen 'hoe de wereld inelkaar zit'. Om te beginnen had hij de luchtfoto's natuurlijk in handen moeten hebben voor hij uit Amsterdam vertrok En dan groeit er plotseling een geweldig wantrouwen tegen Sibbelee. Waarom heeft deze hoogleraar,die zoveel meer ervaring heeft dan hij, hem zo maar erop uitgezonden? Omdat hij hoopte, dat hij misschien toch iets zou vinden, waardoor zijn vijand, de grote Nummedal, in het ongelijk zou worden gesteld?

Als Alfred na een moeizame slaap naar buiten komt, blijkt de groene tent van Mikkelsen en Qvigstad verdwenen te zijn. Van Arne hoort hij, dat ze al enkele uren geleden vertrokken zijn. En ze zullen niet meer terugkomen.

Ze moeten, probeert Arne te verklaren, een heel ander gebied onderzoeken dan Alfred en hij: hij maakt het duidelijk door de kaart erbij te halen. Arne blijft de goede vriend: haast overdreven veel spullen van Alfred draagt hij mee in zijn rugzak. Op zijn gewonde voeten volgt deze met moeite de beheerst en elegant klimmende en afdalende Arne.Op een gegeven ogenblik onstaat er toch een klein meningsverschil over de te volgen richting. Ieder gaat een andere kant uit: achteraf blijkt het kompas van Alfred,waarop hij absoluut vertrouwde niet goed te zijn. Maar eerst had hij een gevoel van tromf: eindelijk maakt Arne ook eens een fout! Overal zoekend en lopend raakt Alfred zijn kompas nog kwijt. Overigens voelt hij zich, nu hij alleen is, veel opgewekter. Het vrije fantaseren wordt in ieder geval gemakkelijker. De zon blijft schijnen: hij doet zijn ogen dicht. En dadelijk is er een droom: hij bevindt zich in een concertzaal. In het orkest zit naast de fluitist een meisje dat de bekkens bespeelt.

Plotseling houden de blazers op. Alleen de fluitist speelt nog verder. `Ik weet dat het meisje eigendom is van de fluitist'. Alfred trekt verder, zo nu en dan legt hij een papiertje neer, voor Arne, waarop hij geschreven heeft in welke richting hij gaat. Afgaande op de kaart kan hij zijn weg vrij goed vinden. Om helemaal schoon te worden, springt hij in het water: `Overal door liederlijk water omhuld te zijn, nergens pijn of weerstand te onmoeten, is nog heerlijker dan slapen. Het is of ik het voor het eerst beleef, na wekenlang door het aardoppervlak alleen maar afwisselend woest te zijn aangetrokken en met stenen vuisten te zijn teruggestompt[..] In kabbelend koper zwem ik de zon tegemoet [..]'.

Alfred gaat er vanuit, dat Arne, toen hij hem niet vinden kon, is teruggegaan naar de plaats waar zij het laatst samen waren, het kloofdal. Naarmate hij vordert op zijn weg, wordt hij zekerder van zijn zaak. Hoe zullen ze elkaar begroeten? Wat zal Arne zeggen over het verlies van zijn kompas? Ziet hij Arnes tent nog niet?

Daar staat dan opeens de driepoot van de theodoliet, Arne moet in de buurt zijn. Toch knap dat hij hem zonder kompas weer teruggevonden heeft. Bij de driepoot gekomen kijkt hij om zich heen. Arne ligt op de grond. 'Iets dat op gele pudding lijkt, besmeurt de steen [..] Zijn gezicht is, als altijd in zijn slaap, onbegrijpelijk oud en moe[..] Maardit is geen slapen. Dit is nooit meer slapen'.

Alfred verzamelt Arnes bezittingen, waaronder ook het aantekenboek, dat hij waarschijnlijk in zijn hand had toen hij uitgleed; dan trekt hij weg. Het gaat regenen, maar hij blijft lopen. Bij een rond meer doet hij een poging tot slapen. En onmiddelijk is er een droom: een donkere kamer met een televisie-dialoog in een onverstaanbare taal, terwijl het beeld is afgezet. Hij probeert het aan te draaien, het komt niet. `Een aanvaller legt zijn hand op mijn mond. Vader! roep ik en word van angst[..] Het was mijn eigen hand op mijn eigen mond'.

Een zekere onverschilligheid is over hem gekomen. Niet met een ontdekking komt hij in de wereld terug, maar met het bericht dat er iemand is doodgevallen. `Dat hem (Arne)overkomen is, wat ik aldoor gevreesd heb, dat mij overkomen zou. Bijna voel ik mij tekort gedaan'.

Hij bereikt een kleine nederzetting, een er oud uiziende,zwangere Lappenvrouw met een heleboel naakte kinderen ontvangt hem vriendelijk en geeft hem eten. Strompelend weet hij nog juist een bed te bereiken. Toegedekt met een rendierhuid slaapt hij in om 24 uur later wakker te worden.

Het vinden van de weg is nu eenvoudig genoeg vergeleken met wat Alfred heeft meegemaakt. Een ogenblik is er toch iets bijzonder: in de lucht ziet hij een gele weerschijn en er klinkt een slag die doet denken aan het doorbreken van de geluidsmuur door een vliegtuig; dan is het weer stil. Met een boot, bestuurd door een Lap, gaat hij naar een grotere plaats, Karasjokka. Daar wordt hij in het hotel opgezocht door iemand van de politie die met aandacht de bladzijde leest uit Arnes aantekenboek, waarop Alfreds naam voorkomt; met een knik geeft hij het het hem weer terug. Nadat een dokter en een verpleegster hem wat hebben opgeknapt, neemt hij de bus om zuidelijk Alta te bereiken. Een 15 jarig meisje, waarmee hij in gesprek raakt, laat hij de aantekeningen van Arne, waarin zijn naam voorkomt,vertalen. Er blijkt uit, dat Arne het weglopen van Alfred als een grapje heeft opgevat en dat hij op de oude plaats op hem zou blijven wachten.

Op de reis terug brengt hij een bezoek aan Prof. Nummedal. Van een mogelijke opzet om hem foto's te onthouden, blijkt Alfred hierbij niets. Het aantekenboek van Arne, dat hij hem heeft overhandigd, is voor Nummedal waardeloos: hij is volkomen blind. Kort daarna ontmoet Alfred nog eens deAmerikaanse uit het begin van zijn reis; maar ook nu komt het in haar hotelsuite in Bergen wel tot gesprekken, maar niet tot intimiteiten; ze worden gestoord door haar man die stomdronken in deerniswekkende toestand binnenkomt.

Alfred zit weer in het vliegtuig op weg naar huis. In de krant leest hij de verklaring van het lichtverschijnsel en de klap die hij bij Karasjokka heeft waargenomen; mogelijk iser een meteoriet ingeslagen, een aantal geologen zal het gaan onderzoeken.

Zijn zus Eva en zijn moeder halen hem af op Schiphol: ze zijn trots op hem. Wat is zijn moeder ongerust geweest, toen ze gelezen had dat hij de Himalayaexpeditie Brandels voeten bevroren waren geweest, zodat hij gebruik moest maken van een invalidewagentje. Stel je voor, dat hij[..]

De bij Alfred opkomende herinnering aan Brandel brengt hem tot de erkenning dat hij zelf eigenlijk niet geschikt is voor het door hem gekozen vak, ondanks zijn virtuositeit in het afleggen van examens.

Het is allemaal zinloos geweest. Zijn moeder troost hem; ze heeft een mooi cadeau, dat eigenlijk bestemd was voor zijn promotie. Maar hij krijgt het nu al: twee manchetknopen, gemaakt uit een door zijn vader lang geleden voor hem gekochte meteoriet.

`Hier zit ik, in elke hand een manchetknoop. Maar geen enkel bewijs voor de hypothese die ik bewijzen moest'.



Plaats (waar) :

Oslo : Alfred ontmoet prof. Nummedal voor de luchtfoto's.

Drontheim : Geologische dienst is hier gevestigd.

Tromsö : Onmoet hier Arne.

Skoganvarre : Ontmoet Ovigstad en Mikkelsen en slaat hier voorraden in voor de reis.

Het meer Lievnasjaivre ; de berg Vuorje : punten die ze op hun reis tegenkomen.

Ramnastua : Plaatsje waar hij de mensen weer ziet.

Bergen (D.L) : Hier gaat hij prof. Nummedal opzoeken.

Terug in Nederland, Schiphol en z'n woonplaats.

Finnmarken (Russische grens) : eindpunt v.d. expeditie.





Figuren :

Alfred : Student (26 jaar) geografie, leerling van prof. Sibbelee. Is erg bescheiden (eigenlijk omdat hij "bang"is). Verdwaalt snel. Zegt niet wat hij denkt. Wilde vroeger fluitist worden, is geoloog geworden om zijn vaders "falen" te kunnen goedmaken. Telt zijn voetstappen. Heeft een zusje Eva en een moeder. Is erg netjes, laat nooit iets slingeren en is voorbereid als hij ergens aan begint. Hij is ambitieus(weet zelf niet waar het van komt). Zegt dat zijn leven waardeloos is als hij geen meteoorkraters vindt. Proefschrift schrijven en cum laude promoveren is zijn doel. Trouwt met de vriendin van Eva. Wordt prof.

Alfred probeert tegen de chaos te vechten, gebukt onder de zware last van zijn vaders herinnering. Hij verliest en is niet opgewassen tegen de vijandige natuur. Sterk mytisch doet daarnaast Arne aan, die met grote vanzelfsprekenheid verricht, wat Alfred graag zou willen doen. Hij is een superieure, vrije persoonlijkheid, maar behoudt toch met Alfred een sterk menselijke binding.

Qvigstad is een soort mytische veroveraar `zwaait zijn hamer als een god', die Alfred op een gegeven moment acherlaat.

Mikkelsen die hem letterlijk en figuurlijk volgt, mist het geweldige en onafhanklijke; een ordinaire vorm van Qvigstad.

Alfred probeert los te komen van zijn dode vader en zoekt daarom naar diens plaatsvervanger: noch de professoren, noch de bewonderde, maar veel te koel berekende, moderne geleerde Qvigstad zijn daarvoor geschikt: wel Arne. En Arne vindt de dood.



Thema's :

het niet tevreden zijn met jezelf (pure onzekerheid)

Het leven : chaotisch en zinloos. Mensen proberen in Hermans’boeken vergeefs iets `zinvols' te doen. Dit mislukt bijna altijd. Mede door allerlei toevalligheden en een onberekenbare samenloop van omstandigheden.



Waarom gebeuren (vreemde) dingen ? :

Er is een verwantschap met een oude Noorse mythe en saga door Hella Haasse: ‘Doodijs en hemelsteen’ in Raster, zomer1971. Daarin speelt een uiterlijk menselijke verschijning met geweldige kracht, die in toorn geraakt en overslaanbaar is: Alfred lett. = de rede uit de taal der dwergen, hier:die van de kleine burgers; Issendorf = te dorps, onmondig; Arne: oorspr. in het Noors = haardstede, dus = vuur; Mikkelsen = de zoon van Mikkel (Noors voor Reinaert de Vos), dus listig, onbetrouwbaar.



Titelverklaring :

Met nooit meer slapen wordt aan de ene kant de dood bedoeld van Arne, maar ook het feit dat Alfred in het land waar de zon niet onder gaat niet (of nauwelijks) kan slapen.



Vertelwijze :

Ikperspektief, belevende ik. De hoofdpersoon vertelt tijdens zijn reis wat hij meemaakt.



Chronologie :

Het verhaal loopt chronologisch, er zit eeen klein stukje van Alfreds jeugd in, waarin hij fluitist wilde worden.





Genre :

Het is een psychologische roman, je leeft namelijk met Alfred mee, weet waarom hij terug gaat naar Arne en weet waarom hij eigenlijk geoloog is geworden.

Het is ook een ideeën roman, waarin Hermans zijn beeld van de mens en diens situatie in de wereld gestalte geeft.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen