U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : W.f. Hermans - Een Heilige Van De Horlogerie.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=12706 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 3142 woorden.

1. a) Titel: Een heilige van de horlogerie

b) Titelverklaring: De hoofdpersoon Constantin werkt als klokkenmaker in een groot paleis, of liever gezegd als iemand die daar elke week alle klokken opwindt. Veel mensen vinden dat hij maar nutteloos werk verricht, met name omdat de in het paleis werkende mensen alleen maar last hebben van het getik van de klokken. Voor de hoofdpersoon zelf is het echter een zeer belangrijk iets en in de loop van de tijd is het een soort religie voor hem geworden. Hij vindt het niet alleen een grote eer om alle ruim 1400 klokken elke week tot op de seconde gelijk te zetten, hij ziet het ook nog als een van de belangrijkste dingen die er is.



2. Auteurgegevens: Willem Frederik Hermans wordt geboren op 1september 1921, te Amsterdam. Zijn ouders zijn beide onderwijzers. Hermans had naar eigen zeggen een zeer droevige jeugd. Na het begin van de oorlog en de zelfmoord van zijn zus, gaat Hermans fysische geografie studeren. De Tweede Wereldoorlog is voor Hermans een belangrijke inspiratiebron. Drie van zijn belangrijkste romans spelen zich dan ook af in die tijd. In 1949 studeert Hermans af en is hij inmiddels al getrouwd met de Surinaamse Emmy Meurs, met wie hij een zoon krijgt. In 1955 promoveert hij en drie jaar later wordt hij benoemd tot lector in de fysische geografie. In 1985 breekt hij tevens door bij het grote publiek met zijn roman ‘De donkere kamer van Damocles’. In 1966 komt de belangrijke roman ‘Nooit meer slapen’ uit. In 1977 krijgt Hermans de ‘Prijs de Nederlandse Letteren’ toegekend, die hij wel accepteert, nadat hij een aantal jaren terug de ‘P.C. Hoofdprijs’ had geweigerd. In 1987 verschijnt ‘een heilige van de horlogerie’. Op 27 april 1995 overlijdt Hermans op 73 jarige leeftijd aan longkanker.



3. Eerste druk: oktober 1987

Uitgeverij: De Bezige Bij, Amsterdam



4. a) Het verhaal speelt zich af in de zomer van 1991.

b) Bewijs:

* “Sinds de hertog het paleis liet bouwen – het was in 1831 voltooid – heeft hij een horlogemaker in dienst gehad, die zich jaar in jaar uit bezighield met opwinden en onderhoud van klokken.” (Blz. 18).

* (hij heeft het over een groot uurwerk dat aan de muur is vast gemetseld) “Zij moest tegelijk met het paleis zelf gebouwd zijn, honderdzestig jaar geleden.” (Blz. 57)

* “Maar toen de avond van de Langste Dag viel, begon een diepe neerslachtigheid me te besluipen, alsof de zon alleen voor mij zou ondergaan.” (Blz. 97).

* “Wat een zomer! Nu regende het al dagen en bovendien was het koud.” (Blz.156).

c) Vertelde tijd: De vertelde tijd van het verhaal is een deel van de zomer van 1991. Het is niet helemaal nauwkeurig te bepalen omdat er nogal eens tijdsprongen worden gemaakt.

d)e) Het verhaal is chronologisch verteld. Er zijn wel een aantal gebeurtenissen waarbij de hoofdpersoon terugkijkt in het verleden, hij geeft dan bijvoorbeeld de geschiedenis van een klok weer of hij praat over het feit dat zijn baan een traditie is en hoe de werkende mensen in het paleis altijd maar klagen over de klokken, maar deze terugblikken zijn verder niet van zeer groot belang voor het verhaal.



5. Ruimte elementen: Opvallend in het verhaal is, dat het gedurende bijna heel het verhaal slecht weer is. “Wat een zomer! Nu regende het al dagen.” Echter, op de dag dat de hoofdpersoon zijn baan kwijtraakt, begint de zon te schijnen. “Aan het beging van de middag hield de regen nog vrij plotseling op en de zon brak door.” Het lijkt nu net of de hoofdpersoon hier een soort wending in zijn leven krijgt. Nu hij namelijk zijn baan kwijt is, staat hem een heel andere toekomst te wachten.

Verder is er nog te zeggen dat het verhaal zich afspeelt in Frankrijk in een Paleis met 1473 klokken. Het paleis is een weinig interessant gebouw en wordt dan ook nauwelijks beschreven. Daarentegen worden de klokken wel uitvoerig beschreven. Het overgrote deel van deze klokken hangt in vertrekken van het paleis, zonder elektriciteit, waar niets of niemand komt. Dit benadrukt de eenzaamheid waarin de hoofdpersoon verkeert.



6. Fabel: De zoon van een naar Frankrijk geëmigreerde Nederlandse boer en een Franse vrouw, komt na zijn studie filosofie niet aan de slag en gaat daarom werken als klokkenmaker in een Frans paleis, dat bijna leeg staat. Hij heeft een zeer uitgewerkte mening over tijd en duur, die hij duidelijk maakt in een passage uit zijn scriptie, Tijd en Duur.

* “Ik studeerde af in filosofie. Ik schreef een scriptie over het onderwerp Tijd en Duur. Een tamelijk goede scriptie, maar veel zin om leraar te worden, had ik niet. (…..) Ik ging de waarde van de filosofie steeds meer betwijfelen. Een oom van mij, broer van mijn moeder, sterkte mij in die twijfel. Hij was klokkenmaker van zijn vak. Hij is de vierde klokkenmaker geweest die de oorspronkelijke klokkenmaker van de hertog opvolgde.” (Blz. 70 + 71).



7. a) Het boek bestaat uit 29 hoofdstukken, zonder titel en niet genummerd.

b) Spanningsopbouw:

- Aanloop: De passage van de scriptie ‘Tijd en Duur’ en de daarop volgende inleiding over de baan die de hoofdpersoon beoefent (elke week 1473 klokken opwinden). Hij vertelt over de geschiedenis ervan, wat voor soort werk het is, in wat voor soort ruimtes het zich afspeelt en hoe ander mensen erover denken.

- Situatie: De hoofdpersoon stapt op een dag de kamer van de plantsoenendienst binnen, om daar zijn klokken op te winden en ziet dan een meisje zitten dat hem sterk doet denken aan Louise Brooks, een filmster van wie hij al sinds zijn jongsjaren droomt.

“Maar op dit ogenblik van genade wist ik plotseling zeker, alsof ik het in een encyclopedie had gelezen dat er – jaren later soms, en aan het andere eind van de wereld – dubbelgangsters rondliepen, geheel identiek aan anderen die jaren ouder zijn. Tweelingen, maar tientallen jaren ten opzicht van elkaar verschoven. Waarop ik nooit had durven hopen, was gebeurd, was mogelijk”. (Blz. 37).

- Retardering:

* Een van de klokken doet het niet, de oorzaak hiervan is dat Louise een propje papier in de klok heeft gestopt met het opschrift: ik wil je spreken. Zal alles uitleggen.

* Als de hoofdpersoon in de avond naar de bistro in het dorp gaat komt hij Louise tegen met wie hij een gesprek begint.

* Hij vertelt Louise over de klokkenverzameling met hun voorschriften en over zijn studie filosofie.

* De hoofdpersoon nodigt Louise uit om zaterdag met hem in de bistro wat te gaan eten, want dat is de dag dat alle ramen van het kasteel open gaan en alle klokken tegelijk gaan luiden, de Langste Dag. Het is dan groot feest. Louise kan niet maar ze zal om elf uur in de tuinen van het paleis zijn.

* Op de avond van het klokkenfeest trakteert de hoofdpersoon zichzelf dan maar op een chic dineetje. In het restaurant waar hij gaat eten ziet hij echter Louise zitten met zijn hoogste baas, de wethouder van onderwijs en natuur. Hij probeert zo weinig mogelijk op te vallen.

* Als de hoofdpersoon in de tuinen van het paleis aankomt, vlak voor het grote moment, gaat hij er vanuit dat Louise toch niet meer zal komen en blijft dus niet op haar wachten. Plots blijkt ze echter toch nog te verschijnen

* Als het klokkenconcert is afgelopen ziet de hoofdpersoon dat Louise bij de wethouder in de auto stapt. Hij beseft dan dat hij geen enkel recht op haar kan doen gelden. Het enige wat hij had gedaan was eens avond gezellig met haar praten.

“Waarom zou zij zich om mij bekommeren? Ik had haar nog niet eens verteld, dat ik feitelijk sinds mijn veertiende jaar van haar droomde. Zogenaamd had ik van Louise Brooks gedroomd, die toen al een oude vrouw was, toen al geen enkele overeenkomst meer had met de vroegere foto’s die ik vereerde. Zo kon ik me nu wijsmaken, toen al eigenlijk niet van Louise Brooks gedroomd te hebben, maar van deze Louise.” (Blz. 131/132).

* Als de hoofdpersoon op een dag de grootste klok van het paleis aan het gelijk zetten is, komt Louise binnen; ze tilt haar rokje op en hij legt zijn handen op haar heup. Dan gaat ze opeens weer weg, want ze moet weer aan het werk. Zaterdag hebben ze een afspraak.

* De hoofdpersoon komt tot de conclusie dat Louise en de wethouder ervoor willen zorgen dat hij niet meer de klokken opwindt. “Ik had haar geweigerd wat ze het liefste wilde: goed, dan had ze me niets meer te zeggen en hoefde ze me niet meer te ontmoeten.”

* De dag daarna is zijn tas gestolen met alle benodigdheden voor het maken en opwinden van de klokken erin.

* Zaterdag wandelt de hoofdpersoon met Louise langs de rivier en zij vraagt nog eens waarom hij toch altijd die klokken blijft opwinden.

* Opeens begint het te onweren en stappen de hoofdpersoon en Louise bij de wethouder in de auto die net langs komt. In de auto stelt de wethouder voor om van het paleis een museum te maken en hij zegt dat daarvoor nog meer pronkstukken van klokken moeten worden gekocht. De wethouder zegt dat de hoofdpersoon hier maar eens een mooi plannetje voor moet opstellen en dat hij dit dan met de gemeenteraad zal bespreken.

* De hoofdpersoon is verbaasd en denkt: “Ik verbeeldde me dat zij een goed woordje voor mij gedaan had en dat de wethouder daardoor ineens zo gunstig over mij bleek te denken. Ze had in ieder geval geen kwaad over me gesproken. Misschien vond ze mij toch sympathiek.” (Blz. 183).

* De volgende dag blijkt de stuwdam gebroken te zijn en is heel het nieuwe gedeelte van het stadje onderwater gelopen.

* Als hij bij het paleis aankomt, hebben de kampeerders van dat deel van de stad zich in het paleis en in de tuin gevestigd en worden alle klokken weggehaald. De mensen zeggen dat ze met dat lawaai niet kunnen slapen

* Zijn baas zegt, dat hij maar eens vakantie moet nemen en naar zijn moeder in Parijs moet gaan.

* Als hij in de bus zit naar het station ziet hij de sportwagen van de wethouder met Louise er ook in. Als ze hem ziet, wijst ze naar de tas op haar schoot, het is zijn tas.

* Als er opeens een tegenligger aankomt schiet de sportwagen weg en de hoofdpersoon denkt dat ze hem zijn tas wel op het station zullen afleveren.

* De hoofdpersoon droomt over een toekomst met een verzameling heel mooie klokken in het paleis en dat hij samen is met Louise.

* Als de hoofdpersoon op het station aankomt, ziet hij noch Louise noch de wethouder.

- Hoogtepunt: Vlak voor het in de trein stappen, komt de hoofdpersoon nog een jongen tegen die hij kent van het feest van de Langste Dag. Hij blijkt de wethouder te kennen en vertelt aan de hoofdpersoon dat de wethouder helemaal geen goede bedoelingen had met het paleis en niet zal rusten eer het met de grond is gelijkgemaakt. Hierna stapt de hoofdpersoon in de trein en bedenkt hij bij zichzelf dat dit inderdaad de bedoeling van de wethouder en Louise zou kunnen zijn.

“De gedachte begon me te besluipen, dat Louise misschien wel iets anders bedoeld had, dan ik had opgemaakt uit dat wijzen naar de tas en naar mij. (….) Maar ik slaagde er niet in iets anders aan te nemen dan dat ze geen ogenblik van plan waren geweest naar het station te rijden en daar op mij te blijven wachten. Waar zat mijn verstand? Als ze de tas aan mij terug hadden willen geven, zouden ze haar in de winkel van mijn baas hebben achtergelaten. Ik had die tas immers helemaal niet nodig in Parijs? (….) De wethouder en Louise, die hadden me verder niets ter vertellen.” (Blz. 217/218).

- Afloop: De trein is inmiddels vertrokken en de conducteur komt langs. Als de hoofdpersoon zijn kaartje zoekt komt hij het briefje van Louise tegen, waarop hij zegt: “Gesproken had ze me, een beetje. Uitgelegd zo goed als niets. Geen nood, ik wist nu toch wel meer dan genoeg.” Hij verscheurt het briefje en besluit maar op zoek te gaan naar een andere Louise Brooks tussen de hoeren van Parijs.



8. Thema: Iets dat iemand normaal nooit zal kunnen accepteren, omdat het volgens hem een soort catastrofe zal veroorzaken, maar door liefde toch kan loslaten.



9. Motieven:

- Veel mensen willen graag dat de klokken in het paleis verdwijnen, of in ieder geval een deel ervan. Ze laten dit duidelijk aan de hoofdpersoon merken.

* “Die kantoormensen groetten mij en ik was dus verplicht een enkel woord met hen te wisselen. Ik wist heus wel dat ze eigenlijk een hekel aan mij hadden. Ze zouden het liefst hebben gewild, dat ze van die pendules, staande horloges en regulateurs werden verlost, (….) aan getingel en getoeter op de hele en halve uren, soms zelfs elk kwartier, hadden ze allerminst behoefte.” (Blz. 33).

* “ ‘Zeg eens, meneer, in geval u ze niet meer zou opwinden, daar zou niemand van ons tegen protesteren. De volgende keer komt u gewoon binnen, rookt een sigaretje, maakt een praatje. Geen mens op ons kantoor zal daar bezwaren tegen hebben. Is dat wat?’” (Blz. 108).

* “ ‘Wat moeten wij je betalen om het niet meer te doen? De anderen ergeren zich al jaren en al ben ik er maar kort, ik kan er helemaal niet tegen.’” (Blz. 143).

* “ ‘Die klok, meneer’ zei de andere goedig tegen mij, ‘het tikken van die verdomde klok maakte veel te veel lawaai. Dan kunnen de arme mensen vannacht niet slapen.’” (Blz. 203).

- De liefde van de hoofdpersoon voor Louise, het evenbeeld van zijn idool Louise Brooks.

* Of ik door een pijl geraakt werd, schoot me haar naam te binnen: Louise Brooks! Louise Brooks, de filmster van wie ik al sinds mijn jongensjaren droomde. (….) Louise Brooks, daar zat ze levend, volledig en jong. Ik wist niet hoe ik dit verklaren moest. Nooit heb ik aan een tweede leven geloofd, of aan zielsverhuizing.” (Blz. 36).

* “Hoe aanbiddelijk vond ik haar. (….) Ik zou voorlopig nog lang het punt niet bereiken, waarop ik niet meer zou weten waarover ik met haar praten moest en alleen nog zou kunnen stamelen hoe lief ik haar vond.” (Blz. 71).

* “Mijn neus, mijn hoofd, mijn longen, waren zozeer van haar parfum vervuld, dat het leek of ik nooit meer zou behoeven te ademen. Mijn hart bonsde op haar schouderblad.” (Blz. 141).

* “Misschien zou Louise echt van mij gaan houden, als mijn verknochtheid aan de reglementen haar niet meer hinderde. Ik wist wat ik doen zou. Ik zou haar in mijn armen sluiten en ik zou zeggen: Je vindt deze tas toch zo prachtig? Je zou haar immers als toilettas willen gebruiken? Goed, ik heb ‘m eigenlijk niet meer nodig. Je krijgt ‘m van mij cadeau.” (Blz. 212).

- Voor de hoofdpersoon is zijn baan erg belangrijk, hij doet het met veel plezier. Daarbij staat hij met name aan het begin nauwelijks open voor veranderingen, hoewel dat naar het einde toe, steeds minder wordt. Uiteindelijk kan hij zelfs accepteren dat hij de baan verliest.

* “ ‘De klokken,’ legde ik uit, ‘moeten altijd lopen, en allemaal gelijk. Daar ben ik verantwoordelijk voor.’ (….) ‘En hoeveel mensen er ook wel eens een onaangename opmerking over gemaakt hebben, niemand is nog op het idee gekomen zijn vingers naar een van de klokken uit te steken en er bijvoorbeeld een propje papier in te stoppen. Dit kan ik niet anders als verschrikkelijk vinden, weet je dat?’” (Blz. 69).

* “Ze barste in lachen uit: ‘Wat een verstandig man, je baas. Klokken aan de gang houden op plaatsen waar niemand ooit komt kijken hoe laat het is?’ ‘Vind je dat onzinnig?’ vroeg ik met een ernst die haar ervan doordringen moest, dat er niets te lachten viel.’ ‘Ja. Wat anders?’ zei ze. ‘Ik vind het groots, precies zoals het groots is dat er planeten bestaan waar geen sterveling op woont.’” (Blz. 85).

* “ ‘Ik sla er nooit een over. Natuurlijk weet ik wel dat er in ons leven geen gebrek is aan verkeerde dingen, die je doen kan zonder dat het in de gaten loopt. Maar wat zou er van de maatschappij terechtkomen, als iedereen zo dan ook werkelijk ging doen?’” (Blz. 120).

* “ ‘Is het werk dat u zo dag in dag uit verricht, eigenlijk niet te eentonig, al te simpel?’ ‘Uiterlijk wel. In beginsel ook. Maar ik ben er trots op. Ik ben er zelfs gelukkig mee. Ik zal me er nooit over beklagen, daar hoeft u niet bang voor te zijn.’” (Blz. 123).

* “Het onvoltooide torenuurwerk was geschonden en er bestond op de hele wereld geen mens meer, voor zover ik wist, die het zou kunnen herstellen. Maar wat ik niet wist, zou een ander misschien weten. Aan klokkenmakers, waaronder heel grote, geen gebrek in Parijs. Ik zou de strijd niet opgeven.” (Blz. 206).



10. Vertelperspectief: Het verhaal is geschreven in de ikpersoon. De ikpersoon in dit verhaal is de hoofdpersoon Constantin Brueghel. Je beleeft het verhaal vanuit zijn gedachten, de informatie over de andere personen is dus gekleurd.



11. Karakterbeschrijving:

- Constantin Brueghel: Is de hoofdpersoon van het verhaal, de ikfiguur. Is zoon van een Nederlands boer en een Franse moeder. Studeerde filosofie en heeft tijden deze studie een scriptie geschreven over tijd en duur, waar hij een hele uitgewerkt mening over heeft. Uiteindelijk wilde hij niet meer verder in de filosofie en is toen via zijn oom in de klokkenmakerswereld terechtgekomen. Het is een persoon die heel eenzaam leeft, vrij ouderwets, kan zich moeilijk aanpassen aan de ideeën van anderen. Daarnaast houdt hij zich enorm vast aan tradities en hij vindt dat je deze niet zomaar kunt verbreken.



12. Hoewel dit lang niet het bekendste werk is van Hermans en ook zeker veel mensen dit boek geen grote aanrader zullen vinden, heeft het mij toch zeer geboeid. Wat mij geboeid heeft, is niet zozeer het verhaal dat zich afspeelt, maar de visie van de hoofdpersoon op tijd en duur. Deze visie werkt hij uit in de eerste tien bladzijdes van het boek. Het is een passage uit zijn scriptie Tijd en Duur, die hij geschreven heeft voor zijn studie filosofie. Veel mensen zal het weinig interesseren wat er hier beschreven staat, maar mij heeft het toch geboeid. Waarom het mij geboeid heeft, kan ik moeilijk uitleggen. In ieder geval heb ik nog nooit zo tegen de tijd aangekeken. Zijn visie op tijd en duur vindt ik daarom ook zeer interessant. Hierdoor zal ik niet anders op een klok gaan kijken, maar ik zal er wel anders over gaan nadenken.
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen