U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Kees Van Kooten - Koot Graaft Zich Autobio.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=13508 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 1809 woorden.

Kooten, Kees van

Koot graaft zich autobio [1979]



LET OP: Dit verslag is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel bij het maken van je eigen verslag en niet om zomaar in te leveren bij je docent(e).



Het is een verhalenbundel:

Dit boek is een bundeling van veertien verhalen die niet verder onderverdeeld zijn in afzonderlijke hoofdstukken:

De verhalen zijn:

Op het ijs

Naast de rails

Schrijver worden

Het haar van mijn vader

Een koffer met poep

Zijn zakagenda

Van de hoge

Zijn koffer

Heel even god

Zijn schoenen

De dood van mijn poes

Mijn fietsen

De gestranden

In de tent



De 14 verhalen verschenen eerder als afleveringen in de HP-column. Slechts kleine dingen als alinering of spelling zijn gewijzigd toen het een verhalenbundel werd. taat - bestond voor de lezers van de HP-columns niet.



Let eens op de achterkant van het boekomslag: zwart met daarop de advertentie uit de Haagse courant waarin de ouders van de auteur kennis geven van geboorte van hun zoon Kees en daaraan de hoop verbinden dat 'het een echte Hollandse jongen zal worden'. Daaronder een commentaar uit het nationaal-socialistische dagblad Volk en vaderland waarin men deze advertentie positief afzette tegen een andere, waar een jongen alle voornamen van de schoonzoon van het toenmalige staatshoofd draagt. De NSB-er begreep kennelijk niet wat de ouders Van Kooten met 'een echte hollandse jongen' bedoelden, maar kon ook niet weten dat zij slechts de roepnaam van hun zoon hadden vermeld.(Bedenk hierbij dat dit midden in de bezettingstijd plaats vond).



De Titelverklaring:



De naam Koot in de titel verwijst naar een personage uit de tv-programma's die Kees van Kooten in de jaren zeventig neerzette, de verkorte achternaam van Kees van Kooten. Bovendien heeft dit personage de gewoonte om veel woordspelingen te gebruiken. woordspelingen als die in de titel, waarbij het werkwoord 'graven' uit het woord 'autobiografie' is gehaald. Uiteraard moet de titel ook letterlijk worden genomen: het belangrijkste onderwerp van Koot graaft zich autobio is het leven van de verteller. Maar het gaat over het leven van Koot, een creatie van Kees van Kooten. de titel is al een voorbeeld van hoe Van Kooten met de taal omgaat: hij schept nieuwe woorden.



MOTTO: Voor mijn ouders



Kees van Kooten heeft het boek opgedragen aan zijn ouders. Dat heeft hij niet zomaar gedaan: na de dood van zijn vader drong hem heel sterk het besef aan hem op, dat hij aan de ene kant zoon was en aan de andere zelf ook vader. Zijn rol in het leven, vooral in relatie tot anderen, wordt aan een diepgravend maar luchtig gebracht onderzoek onderworpen. Wie ben ik, wie wil ik zijn, hoe moet ik mij gedragen. Dat zijn de vragen die Van Kooten zich stelt.



SAMENVATTING:



Op het ijs: De verteller roept de tijd op dat hij op het ijs een meisje probeerde te imponeren bij het schaatsen. Plus het feit dat hij geen dure ijshockeyschaatsen bezat, maar eenvoudige houten Friezen, kon hij niet insprinten op een groepje meisjes, mikkend op die ene blonde. Even later denkt hij weer na over wat hij zou kunnen met echte Noren. Daarna vraagt hij zich af ofdat hij zijn zoon nu al meteen Noortjes zal geven.



Schrijver worden: De verteller ligt met griep op bed en herinnert zich hoe hij als jongen door het dragen van een plusfours (=bermuda, broek net over de knie) eenkennig werd. Als remedie dachten zijn ouders aan een kamp van de Christelijke Jongemannen Vereniging, maar toen zij daarvan een film hadden gezien, hoefde hij niet meer. Hij geeft ook nog wat commentaar over die goedkope plastieke koffielepeltjes en dergelijke. De HP-redactie, waar de verteller werkt, wenst langere stukken nu de schrijver persoonlijker schrijft en hij denkt aan de handtekeningensessie waarbij hij als tienjarige aanwezig was en zijn vader aan Carmiggelt toevertrouwde dat Kees misschien doorgaat in het Letteren. Kasper , zoontje van de verteller, staat met een zeeroversverhaal in de schoolkrant.



Een koffer met poep: Het gezin Van Kooten gaat met een gehuurde kampeerbus naar het zuiden. Ze bezoeken een grot waar twee vrijende Belgen rondleiding verzorgen. Allerlei configuraties van druipsteen worden door de gids als figuren aangeduid. Sinterklaas onder de douche vinden de kinderen het leukste. Omdat het chemisch toilet van de campeerwagen telkens snel volraakt en de verteller het door voortdurend ledigen te druk krijgt om uit te rusten, neemt hij met zijn gezin intrek in een hotel. De hotelier hanteert het toiletreservoir wat onzorgvuldig en valt open. Nu durft de verteller niet meer van zijn kamer te komen.



Van de hoge: Gaat over zoon Kasper. Die bezit een vele malen opgelapte pop, Snoopy, en probeert vergeefs of hij zonder pop kan slapen. De jongen is erg gesteld op een twaalfjarige meisje dat bij de buren logeert en zijn vader neemt hen mee naar het zwembad. Kasper wil haar imponeren en springt bij de tweede poging, na een tweede koek, van de hoge plank. Als het meisje terug naar huis gaat, doet Kasper definitief afstand van Snoopy.



Heel even god: De verteller voelt zich geïntimideerd door tegelzetters. Dat komt doordat hij zich in zijn jeugd ongemakkelijk voelde tussen de arbeidersjongens met wie hij voedbalde. Zo leerde hij nooit plat praten, maar vestigde hij zijn positie door een toevalstreffer. Op deze manier vist hij ook voor de tegelzetters een onbereikbare tang uit een koker: een stokje dat hij vindt, past toevallig precies.



De dood van mijn poes: Aan een tv-programma dat hij in 1967 samen met Wim de Bie maakte, houdt de verteller zijn poes Leen over. Het dier maakte diverse verhuizingen mee, maar gedroeg zich zelfbewust. De verteller verplaatst zich even in de gedachten van de poes. Toen de poes erg ziek werd kreeg hij een spuitje en nadat de vrouw van de verteller hem begraven heeft, vindt B. een horloge in de vorm van een kattekop, dat bovendien niet tikt, maar spint.(Bedenk hierbij dat de titel 'De dood van mijn poes'een heel bekende titel is in onze literatuur: het is een verhaal van Jacobus van Looy uit 1917).



De gestrande: Het gezin Van Kloten strandt samen met andere Nederlanders in Iraklion door een boekingsfout van de luchtvaartmaatschappij. Doordat de verteller de eerste is bij wie deze blunder wordt geconstateerd, beschouwen de Grieken, en in navolging van hen, de gestrande Nederlanders, hem als reisleider. Het gezelschap brengt een etmaal gezellig door in een hotel. Alles is gratis, de hotelbaas zou wel een grote rekening sturen naar de luchtvaartmaatschappij in Amsterdam. Ver scheidende malen probeert de verteller met roken te stoppen.



Naast de rails: Met De Bie en hun uitgever op weg naar Antwerpen, blijft de verteller per ongeluk in Den Haag achter,nadat hij de trein heeft gemist en brengt hij onverwacht bezoek aan zijn ouders. Hij bekijkt wat knipsels over het begin van zijn carrière. Terug in Hilversum plukt hij paddestoelen die giftig blijken te zijn als ze 's avonds worden geconsumeerd.



Het haar van mijn vader: Tijdens het indraaien van de gloeilampen in zijn wintersportappartement herinnert de verteller zich hoe vroeger zijn vader elke kapotte gloeilamp placht weg te werpen zodat die een mooie plof maakte. Dit ritueel schiep verbondenheid. Zijn vader bezit een opmerkelijke grijze haardos, een baken in de menigte. De verteller ziet een skiër met precies zulk haar, maar als deze een gebaar maakt om met hem af te dalen, doet hij dat niet vanwege zijn beperkte techniek. Beneden in het hotel hoort hij van zijn echtgenote dat zijn vader is overleden. Als zijn vader ligt opgebaard, is het haar verkeerd gekamd. De verteller kamt het goed, een beetje in de war.



Zijn zakagenda: De verteller rijdt in zijn auto naar zijn moeder die nu alleen is. Onderweg plast hij in een conservenblik, dat hij van zijn vader heeft geleerd. Zijn moeder laat hem een tekening zien die zijn vader ooit van Jan Toorop heeft gemaakt en vlak voor zijn dood bij een antiquair heeft terug gevonden. De verteller denkt aan zijn vaders gewoonte om geen kranten en weekbladen weg te gooien. hij ziet de 50 zakagenda's waarin de vader zijn belevenissen noteerde. De laatste ontmoeting met zijn zoon duurde slechts kort, omdat deze naar de studio moest. bij het afscheid van zijn moeder voelt de verteller zich weer het kind uit 1943. Als eerbetoon aan zijn vader koopt hij alle kranten en weekbladen waarop hij de hand kan leggen.



Zijn koffer: De verteller bevindt zich op tournee in Amerika en herinnert hoe zijn vader dertig jaar met agenda's en lederwaren (en wat playboys voor de eenzame nachten) door Nederland reisde. Hij heeft zijn vaders koffer bij zich.In een schouwburg ziet hij het koepelraam dat een filosoof in 1942 beschreef. Na 'overleg' met zijn vader koopt hij een nieuwe koffer;de oude laat hij achter in een hotelkamer.



Zijn schoenen: De verteller herinnert zich hoe hij destijds met zijn vader van gedachten wisselde over het stupide tv-optreden van Van Agt. Alle 'gevoelige' jeudherinneringen wil hij weg gooien - sinds de dood van zijn vader, drie maanden daarvoor, lijdt hij aan deze opruimwoede. Hij herinnert zich dat hem een keer een paar nieuwe voetbalschoenen was beloofd als hij zou scoren. Doordat zijn vader de midvoor omkocht, lukte dat en een paar nieuwe Quiks waren van hem. Nu wil hij ze weggooien. Onlangs heeft hij voor zijn vader maatschoenen gekocht en de man had voor het eerst van zijn leven geen zere voeten meer. Een tweede paar wilde hij niet omdat hij al wist dat hij niet meer lang te leven had. Als de verteller zegt dat zijn zoontje nog niet erg goed voetbalt, is deze zeer teleurgesteld. Als troost geeft de verteller een paar nieuwe PUMA-schoenen.



Mijn fietsen: Zomer 1952, in de tijd van de Tour de France, krijgt de verteller een monsterlijk lelijke, zwarte, tweedehands fiets in plaats van het model dat hij wenste - een racefiets zoals je zag zoals in de etalage van Gerrit Bontekoe, een echte trekpleister voor fietsende jongens. Als hij naar de middelbare school gaat , krijgt hij een sportfiets van een onbekend merk; nog steeds niet de gewenste racefiets. Hij herinnert zich hoe hij tien jaar tevoren ooit eens op een geleend exemplaar heeft gereden en nu overweegt hij er een te kopen. Rijdt even een rondje op de racefiets van Kasper.



In de tent: Een paar keer per jaar reed de vader naar Italië, waar de zuster van de verteller woont. Nu rijdt hij zelf met zijn moeder daarheen. Ze proberen zo weinig mogelijk over de vader te spreken. Terugreizend door Zürich wordt hij door prostituées benaderd. Eentje stapt in, maar in plaats van op haar aanbieding in te gaan koopt hij voor zijn hele omgeving lederen cadeaus. Wederom een eerbetoon aan het beroep van zijn vader.



Enkele aanvullende gegevens: Dit boek is heel typerend voor het werk van Kees van Kooten. Allerlei woordgrapjes worden afgewisseld met fragmenten die van een zekere ernst zijn (denk aan de confrontatie met herinneringen aan zijn overleden vader, het gevoel dat hij heeft tekortgeschoten te zijn als hij oude agenda's van zijn vader bekijkt.) Het mooie is dat die vader-zoonrelatie terugkomt in wat hij vertelt over zijn eigen zoon.


Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen