U kijkt nu naar de cache versie van het boekverslag : Connie Palmen - De Wetten.
Deze versie komt van http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/verslagen.php?verslag_id=8872 en is laatst upgedate op Onbekend.
De taal ervan is Nederlands en het aantal woorden bedraagt 2338 woorden.

De wetten



Hoofdstuk 1



A. Samenvatting

De ikfiguur ontmoet de astroloog in 1980, als ze 25 is en in een antiquariaat werkt. De man fascineert haar, omdat hij meteen haar sterrenbeeld raadt en vervolgens op basis van een horoscoop haar persoonlijkheid ontleedt. Hij noemt haar ‘monsieur Lune’. De astrologie is voor hem een manier om zijn leven (en dat van anderen) zin te geven door middel van kosmische verbanden. In tegenstelling tot de astroloog zoekt de ikfiguur geen zingeving buiten zichzelf (de sterren), maar in zichzelf.

Tijdens een college over Thomas Mann (de ikfiguur studeert filosofie) ontmoet ze de epilepticus Daniël Daalmeyer. Door zich te concentreren op zijn bijzondere ziekte heeft hij zijn tot dan toe versplinterde leven structuur weten te geven. Het filosoferen over de betekenis van verschillende ziektes is voor hem een levensvervulling geworden. Hij noemt haar ‘Theresa’.

Vanaf 1982 volgt de ikfiguur de filosofiecolleges van professor De Waeterlinck, een man die haar aanvankelijk imponeert omdat hij ‘het gezicht’ heeft. Een man uit de groep oudere adepten van de professor wordt wanhopig verliefd op haar. In dit hoofdstuk staan ook enkele herinneringen aan haar verhouding met Maurits, docent maatschappijleer op school.

De Waeterlinck verwijst haar naar een meer eigentijdse collega, Clemens Brandt. Hij noemt haar ‘Em’. Tijdens de tweede ontmoeting vertelt deze lelijke, gebochelde man dat hij zich van tijd tot tijd door hoeren laat afranselen. Later kleedt ‘Em’ hem liefdevol uit. De volgende ochtend voelt ze alleen walging.

De dood (zelfmoord?) van de astroloog brengt haar in contact met diens vriend de fysicus. Ze bewondert zijn kalmte. Hij legt haar uit dat de moderne natuurkunde geen vaste wetten meer kent. Tot op de dag van de begrafenis van hun gezamenlijke vriend woont hij bij haar. Daarna gaat hij terug naar Frankrijk; dit betekent het einde van de verhouding.

De ikfiguur, die Marie Deniet blijkt te heten, maakt vlak voor het doctoraalexamen kennis met de door haar bewonderde kunstenaar Lucas Asbeek – die geen kunstenaar meer wil zijn. Hij wil niet dat anderen betekenis geven aan zijn werk. Marie probeert hem duidelijk te maken dat mensen betekenisdieren zijn en dat geen mens zich dus kan onttrekken aan betekenisgeving. Maar Lucas weigert een personage te worden in een boek, hij meent dat taal – d.w.z. het betekenisgeven – het zicht op de werkelijkheid juist blokkeert. Zij leidt onder dit gedrag. Doordat Lucas zich blijft terugtrekken, moet Marie uiteindelijk door fysieke uitputting de strijd opgeven.

Het laatste hoofdstuk bestaat uit stukken monoloog van de ikfiguur tegenover de psychiater. Zij heeft hulp ingeroepen omdat ze geen betekenis meer kan geven aan haar eigen leven, ze kan er geen verhaal meer van maken. De roman eindigt met een herinnering aan het katholicisme in haar geboortedorp en haar mislukte poging om dat geloof met ‘veel feesten en weinig wetten’ af te zweren. Ze dankt de psychiater dat hij haar heeft laten schrijven en nog meer voor ‘het wonder’ dat hij haar verhaal een betekenis heeft kunnen geven.





B. Romananalyse



1a. Titelverklaring

De ikfiguur is haar hele leven al op zoek naar de voor haar geldende ‘wetten’; overtuigingen over hoe de wereld in elkaar zit.

b. Motto

Het motto ‘Als ik val zal ik huilen van geluk’ van Samuel Beckett komt in het laatste hoofdstuk van het boek terug. De hoofdpersoon legt dit uit met de gedachtes van de Oostenrijkse filosoof Musil: ‘Je kunt verlangen naar de val, naar het stoppen met leren, blijven steken, ophouden met je te ontwikkelen’. (p. 177) Marie Deniet valt voor het schrijverschap.

c. Thema

De behoefte om inzicht in het leven en in de eigen persoonlijkheid te krijgen, het geven van betekenis.



2. Genre

Het boek kan worden opgevat als een ‘Bildungsroman’ die de ontwikkeling weergeeft van iemand die naar het schrijverschap toegroeit. Er zijn echter ook naturalistische aspecten te herkennen: de hoofdpersoon ontdekt dat haar bestemming, haar ‘noodlot’, het schrijven is. Het is niet duidelijk in hoeverre het boek autobiografisch is, dat het deels fictief is wordt benadrukt in een passage op pagina 150; ‘…en ik weet ook wel dat je een personage nooit volledig moeten laten samenvallen met een bestaand persoon, net zo min als je de verteller mag vereenzelvigen met de schrijver…’.



3. Motieven

Binnen het overkoepelende thema van de zingeving zijn er allerlei motieven die de eenheid van de tekst versterken. Zo is er de eigenaardigheid dat al de zeven mannen, met wie de ikfiguur een relatie aanknoopt, haar iets willen laten eten.



4. Perspectief

Het gehele verhaal wordt verteld vanuit het ikperspectief.



5. Tijd

De vertelde gebeurtenissen beslaan een tijd van ongeveer 6 jaar. Ze passeren de revue in chronologische volgorde, zij het dat er een aantal flashbacks voorkomen die de lijn onderbreken. Er komen geen concrete vooruitwijzingen in het boek voor, wel staat al in het begin in de sterren geschreven dat zij voorbestemd is schrijver te worden.



6. Ruimte

Alleen topografische ruimte, met name de leefruimte van de hoofdpersoon, speelt een klein rolletje in het verhaal. (‘In jouw huis hebben we nauwelijks ruimte om te lopen. Jij bewaart alles, omdat je van ieder ding denkt dat het je ooit nog eens tot een beeld kunt omvormen en van ieder ongelezen boek dat het de waarheid bevat die een beslissende wending aan je leven kan geven.’)



7. Opbouw

De roman bestaat uit zeven hoofdstukken. De functie van de mannelijke hoofdfiguur in ieder hoofdstuk doet dienst als titel. Het laatste wijkt qua verteltrant af van de overige. Het bestaat uit vier gedateerde monologen, die op verzoek van de psychiater zijn geschreven.



8. Personages

Het enige tot op het bot geanalyseerde personage is de ikfiguur, Marie Deniet zelf. Al vrij gauw blijkt haar onstilbare honger naar en ontzag voor kennis. Het past bij dit verlangen dat de mannen op wie ze valt, oud zijn. Zij behoren immers de spreekwoordelijke wijsheid te bezitten, iets wat zij niet kan benoemen maar waarnaar ze voortdurend op zoek is. Zij wil door hen uitverkoren worden, dat wil zeggen: van hen een identiteit krijgen. Dat de mannen bovendien bijna allemaal lelijk zijn, geeft misschien weer dat lichamelijke aantrekkingskracht volstrekt onbelangrijk is. Zij wil alleen van deze mannen leren welke wetten hun leven regeren. Geleidelijk aan komt zij echter tot het inzicht dat zij geen personage in andermans verhaal wil zijn. Als zij echt iemand worden wil, los van anderen, moet zij haar ontwikkeling zelf ter hand nemen. Uiteindelijk doet ze dit door de filosofie opzij te schuiven en onvoorwaardelijk voor het schrijverschap te kiezen.

Van de zeven mannen, met wie Marie Deniet een relatie aanknoopt, wordt de een meer uitgediept dan de ander. Een korte beschrijving van ieder:

- De astroloog, Miel van Eysden, blijkt een eenzame, op het eerste gezicht afstotende man, getekend door een liefdeloze jeugd. De astrologie is voor hem een manier om zijn leven (en dat van anderen) zin te geven door middel van kosmische verbanden. Hij kan ‘de onverschilligheid van het lot’ niet verdragen en zoekt daarom steun door zichzelf op te nemen in ‘een groot verhaal’.

- De epilepticus, Daniël Daalmeyer, heeft zijn versplinterde leven structuur weten te geven door zich te concentreren op zijn bijzondere ziekte. Het filosoferen over de ‘betekenis’ van verschillende ziektes is voor hem een levensvervulling geworden.

- De filosoof, Guido de Waeterlinck, is een man die Marie aanvankelijk inspireert omdat hij ‘het gezicht’ heeft. Hun relatie blijft vrij zakelijk.

- De priester, Clemens Brandt, is een verschrikkelijk lelijke man die totaal geen moeite doet noch zijn gebreken noch zijn slechte manieren te verbergen. Toch stelt Marie zich onderdanig op tegenover deze man, ze kust zelfs zijn voeten (YAK!).

- De fysicus, Hugo Morland, is iemand met een onmenselijke kalmte over zich. Mede hierom en het heimelijk ontzag wat Marie heeft voor de natuurkunde, voelt ze zich enorm aangetrokken tot deze getrouwde man.

- De kunstenaar, Lucas Asbeek, wil geen kunstenaar meer zijn. Hij wil niet meer dat anderen betekenis geven aan zijn werk. Hij meent dat taal – dat wil zeggen: het betekenisgeven – het zicht op de werkelijkheid juist blokkeert.

- De persoon van De psychiater komt nauwelijks aan bod. Van hem is enkel duidelijk dat hij de vader van Daniël is en dat hij Lucas ooit onder behandeling heeft gehad. Marie noemt hem ‘de professionele lezer’.





Hoofdstuk 2



De kunstenaar



De roman ‘De wetten’ (1991) is het debuut van Connie Palmen die afstudeerde in Nederlandse taal- en letterkunde en in de filosofie. Al voordat de roman uitkwam, publiceerde ‘Het parool’ een breeduitgemeten interview (met opvallende foto): de opmaat voor het succes.

‘De wetten’ werd een groot verkoopsucces. In drie maanden tijd gingen 50 000 exemplaren als warme broodjes over de toonbank. Palmen kreeg dan ook het Gouden Ezelsoor voor het best verkochte debuut. Eind 1996 waren er 220 000 exemplaren van de roman verkocht.



De schrijfstijl van Connie Palmen bevat veel paradoxale formuleringen, in ‘De wetten’ wijst de ikpersoon er expliciet op: ‘Het is waar, ik haat paradoxen, ik verafschuw paradoxen. Toch is het de enige wet waar ik werkelijk op stuit. De paradox zit in de wet zelf.’ (p. 187) Andere opvallende stijlkenmerken zijn ironie en een bijna cabareteske praattoon. Dit laatste heeft Connie Palmen ook optimaal uitgebuit in haar tweede roman, ‘De vriendschap’.





Hoofdstuk 3



De cultuurhistorie



Het boek speelt zich af in de eerste helft van de jaren tachtig, maar dat is eigenlijk alleen te herkennen aan de genoemde jaartallen. Tijd draagt niets bij aan de algemene strekking van het verhaal en is dus een te verwaarlozen begrip.





Hoofdstuk 4



Eigen mening



1. Het onderwerp

Het ontdekken van m’n eigen persoonlijkheid is iets waar ik me dagelijks mee bezig houd. Ik kon me daarom ook heel goed verplaatsen in de gedachtetoestand van de hoofdpersoon, vooral op het punt van paradoxen, onuitstaanbaar. Mijn karakter overlapt voor een groot deel dat van Marie Deniet; ik zag mezelf in haar nieuwsgierigheid naar het leven, maar vooral in de onstilbare honger naar kennis. Zelfs in kleine details -niet graag pennen uitlenen, een heimelijk ontzag voor natuurkunde- leek het soms alsof iemand over mij aan het schrijven was.



2. De gebeurtenissen

Het verhaal bevat geen strakke verhaallijn, de zeven hoofdstukken staan min of meer los van elkaar. Ik vind het jammer dat er weinig aandacht wordt geschonken aan hoe het verder met de voorgaande mannen afloopt. De gebeurtenissen op zich zijn niet echt opzienbarend (enkele uitzonderingen daargelaten), het gaat vooral om de psychologische ontwikkeling van de hoofdpersoon. Het plot bevindt zich in hoofdstuk zes wanneer de hoofdpersoon besluit tot de totale overgave aan het schrijverschap. Aanvankelijk had ik niet door waar Palmen me heen probeerde te voeren, noch was de ontknoping in zijn geheel een verassing. Hoewel het einde bepaald niet ‘happy’ is, vond ik het een zeer passend einde als uitvloeisel van de volwassenwording van de ikfiguur.



3. De bouw

Zoals ik al eerder vermeldde bestaat het boek uit zeven, min of meer los van elkaar staande, hoofdstukken. Het verhaal komt vrij snel op gang; het is niet zo dat je het eerste deel met de kiezen op elkaar moet doorspitten, opdat je de rest wilt begrijpen. De opbouw is erg structureel, zonder veel afwijkingen; zeven relaties met zeven mannen worden in zeven, ongeveer even lange, hoofdstukken beschreven. ‘De psychiater’ verschilt in zoverre met de rest dat er niet specifiek op het persoonlijke contact met deze man wordt ingegaan, zelfs zijn naam blijft achterwege. Dit laatste hoofdstuk is een soort eindconclusie waarin de hoofdpersoon in alleenspraak vertelt over het wat en waarom van haar uiteindelijke keuze, het schrijven.



4. De personages

Ik voelde me erg betrokken bij innerlijke problemen waarmee Marie Deniet worstelt, ik pijnig dikwijls mijn eigen hersenen over vergelijkbare dingen. Voor de mannelijke personages die in haar leven voorbij komen, voelde ik vooral afkeer. De meesten van hen zijn afstotelijk, na het ‘voeten-likken-tafereel’ deelde ik dan ook nadrukkelijk Maries walging. Ik vond Guido de Waeterlinck het meest sympathieke van de zeven.



5. Het taalgebruik

Als ik een auteur zou zijn, dan zou ik willen kunnen schrijven als Connie Palmen in ‘De wetten’. De zwartgalligheid en ironie die haar stijl karakteriseren vind ik prachtig en zeer plezierig om te lezen. Wel jammer dat ze niet dieper op bepaalde filosofen en hun theorieën ingaat; dan zouden de achterliggende gedachtes voor iemand die niet zo bekend is op dat gebied, relevanter zijn.





De beroepsrecensent



Bij het zoeken naar een recensie over dit boek ben ik al vrij snel tot de conclusie gekomen dat vrijwel elk gevonden exemplaar rooskleurig sprak over de prestaties van Palmen in haar debuutroman. Ook Annelies van Heijst, in HN Magazine, lijkt bijzonder positief gestemd over de kwaliteit van ‘De wetten’.

Ze spreekt over “ontroering door de mengeling van overdonderd worden door de autoritaire, geestelijke en authentieke religieuze twijfel.” Ze legt hier een verband tussen Maries pogingen tot betekenis geven in het verleden; het geloof, én het heden; de filosofie en het schrijverschap. Hiermee is het hoofdthema van het boek vastgelegd: de zoektocht naar ‘wetten’.

Van Heijst schrijft over het gevoel in de slotpassage van het boek zelf aangesproken te worden als: ‘Ik heb u niets meer te zeggen. Ik neem afscheid van u, het is goed geweest’. Ik zag het laatste deel van het boek juist meer als de ‘val’, zoals aangegeven in het motto: ‘Als ik val zal ik huilen van geluk’. De hoofdfiguur legt zich erbij neer, ze zet een punt achter haar zelfontwikkelings- drang.

Wel deel ik het standpunt dat ‘Hoewel de roman niet veel moeilijke woorden bevat en in een aangenaam heldere, staccato-achtige stijl geschreven is, bevat het erg ingewikkelde gedachten.’ Maar dat vind ik ook niet minder dan normaal in een boek waarin de filosofie een van de belangrijkste richtlijnen is. Marie Deniet studeert het om te leren leven. Van Heijst spreekt zelfs over verademing “dat het echte gedachten zijn, en geen echo’s van postmoderne termen die goed in de markt liggen.”







Bronnen



- Anbeek, Ton (1997), Lexicon van Literaire Werken

- Veen, Rinske van der (1994), Prisma Uitrekselboek 4: Nederlandse Literatuur 1991-1994, Uitgeverij Het Spectrum B.V.

- Heijst, Annelies van (1991) in HN Magazine (18-mei-1991)
Andere boeken van deze auteur:


Home - Contact - Over - ZoekBoekverslag op uw site - Onze Boekverslagen - Boekverslag toevoegen